De onafscheidbare.
Reading edition
Wat was er van Jean Valjean geworden?
Na op de vriendelijke vermaning van Cosette gelachen te hebben, sloeg niemand meer acht op Jean Valjean, en was hij opgestaan en ongemerkt naar de voorkamer gegaan. ’t Was dezelfde kamer, die hij, acht maanden geleden, vuil van slijk, van bloed en buskruit, was binnengegaan, toen hij den kleinzoon aan den grootvader terugbracht. Het oude houtwerk was met festons en bloemen behangen; de muzikanten zaten op de canapé, waarop men Marius had gelegd. Basque, in zwarten rok, korte broek, witte kousen en handschoenen, was bezig om al de schotels, die zouden worden opgebracht, met rozenkransen te versieren. Jean Valjean had hem op zijn verbonden arm gewezen en hem opgedragen zijn vertrek te verontschuldigen, waarop hij was heengegaan.
De vensters der eetzaal zagen op de straat uit. Onder deze schitterende vensters bleef Jean Valjean eenige oogenblikken in de duisternis staan. Hij luisterde. Het verward feestgerucht drong tot hem door. Hij hoorde de luide stem van den grootvader, de muziek, het gerammel en gerinkel van borden en glazen, het gelach, en te midden van dit vroolijk rumoer onderscheidde hij de zachte vroolijke stem van Cosette.
Hij verliet de straat des Filles du Calvaire en keerde terug naar de straat de l’Homme-Armé, langs de straat Saint Louis, de straat Culture-Sainte-Catherine en Blancs-Manteaux; ’t was een omweg, maar sedert drie maanden was hij gewoon, ten einde de belemmeringen en het slijk der straat Vieille du Temple te vermijden, dezen weg dagelijks te nemen als hij met Cosette uit de straat de l’Homme-Armé naar de straat des Filles du Calvaire ging.
Daar Cosette dezen weg was gegaan, koos hij dien boven alle andere.
Jean Valjean kwam te huis, stak zijn kaars aan, en ging naar boven. De kamers waren ledig. Zelfs vrouw Toussaint was er niet meer. De treden van Jean Valjean maakten in de kamers meer gerucht dan gewoonlijk. Al de kasten waren open. Hij trad Cosettes kamer binnen. Er waren geen lakens op het bed. Het hoofdkussen, van sloop met kanten ontdaan, lag op de gevouwen dekens aan het voeteneinde der matrassen, welker tijken men zag en waarop niemand meer zou slapen. Al de vrouwelijke voorwerpen, waaraan Cosette gehecht was, waren medegenomen; er bleven slechts de groote meubels en de vier muren over. Ook het bed van vrouw Toussaint was afgehaald. Een enkel bed was opgemaakt, dat van Jean Valjean.
Jean Valjean zag de muren aan, sloot eenige kastdeuren en ging van de eene kamer naar de andere. Hij kwam in zijn kamer terug en zette de kaars op een tafel.
Hij had den doek van zijn arm genomen en gebruikte zijn rechterhand alsof er hem niets aan deerde.
Hij naderde zijn bed en zijn oogen vestigden zich—was het toevallig of opzettelijk?—op de „onafscheidbare,” waarop Cosette zoo jaloersch was geweest, op het koffertje dat hem nimmer verliet. Toen hij den 4 Juni in de straat de l’Homme-Armé was gekomen, had hij het op een kastje bij zijn bed geplaatst. Hij trad eenigszins levendig op dit kastje toe, nam een sleutel uit zijn zak en opende het koffertje.
Hij nam er langzaam de kleedingstukken uit, waarin Cosette, tien jaren geleden, Montfermeil had verlaten; in de eerste plaats het kleine zwarte kleedje, daarop het zwarte halsdoekje, de lompe kinderschoentjes, welke Cosette schier nog had kunnen dragen, zoo klein was haar voet, toen het dikke wollen borstrokje, den gebreiden onderrok, het boezelaartje met zakjes en eindelijk de wollen kousjes. Deze kousjes, die nog den bevalligen vorm aanduidden van het fraaie been, waren niet veel langer dan de hand van Jean Valjean. Dat alles was zwart. Hij had deze kleedingstukken voor haar te Montfermeil gebracht. Naar gelang hij ze uit het valies nam, legde hij ze op het bed. Hij peinsde. Hij herinnerde zich, dat het des winters en op een zeer kouden Decemberdag was geweest; zij bibberde half naakt in haar armoedige plunje, met haar arme roode voetjes in klompen. Hij, Jean Valjean, had haar deze ellendige kleederen laten afleggen, om haar dit rouwgewaad te geven. De moeder moest in haar graf tevreden zijn geweest, haar dochtertje rouw te zien dragen, en bovenal dat zij goed en warm gekleed was. Hij dacht aan het bosch van Montfermeil. Cosette en hij waren ’t met elkander doorgegaan; hij dacht aan het toenmalige gure weder, aan de bladerlooze boomen, aan het bosch zonder vogels, aan den betrokken hemel; om ’t even, het was bekoorlijk. Hij legde de kleedingstukjes op het bed, het halsdoekje bij het kleedje, de kousjes naast de schoentjes, het borstrokje naast het onderrokje, en aanschouwde het een na het ander. Zij was niet grooter dan dat, had haar groote pop in den arm, en haar louisd’or in het zakje van dat boezelaartje gestoken; zij lachte; elkander bij de hand houdende wandelden zij voort; zij had in de wereld niets dan hem.
Toen zonk zijn eerwaardig grijs hoofd op het bed, zijn oud stoïcijns hart brak, zijn gezicht was, om zoo te spreken, in Cosettes kleederen verzonken, en zoo iemand op dit oogenblik de kamer was voorbijgegaan, zou hij een heftig gesnik gehoord hebben.