← Table of contents
De Ellendigen (Deel 5 van 5)

Laatste flikkering der lamp zonder olie.

Reading edition

Op zekeren dag ging Jean Valjean zijn trap af, deed drie schreden op de straat, zette zich op een straatpaal, op denzelfden straatpaal, waar Gavroche hem in den nacht van 5 op 6 Juni peinzend had gevonden; hij bleef er eenige minuten en ging toen weder naar boven. Dit was de laatste beweging van den slinger. Den volgenden dag ging hij niet uit. Den daarop volgenden dag verliet hij zijn bed niet.

Zijn portierster, die hem zijn sober maal bereidde, kool of eenige aardappelen met een stukje spek, zag in den bruinaarden schotel en riep:

„Maar, arme goede man, gij hebt gisteren niet gegeten.”

„Jawel,” antwoordde Jean Valjean.

„De schotel is nog vol.”

„Bezie deze waterkruik. Zij is ledig.”

„Dit bewijst, dat ge gedronken, maar niet, dat ge gegeten hebt.”

„Nu,” hernam Jean Valjean, „zoo ik alleen maar honger naar water heb gehad?”

„Dit heet dorst, en wanneer men niet tevens eet, heet het koorts.”

„Ik zal morgen eten.”

„Wie weet! Waarom niet heden? Is dat een zeggen: Ik zal morgen eten! Mijn schotel te laten staan zonder ze aan te raken! Het was zoo lekker.”

Jean Valjean nam de hand der oude vrouw.

„Ik beloof u het te eten,” zeide hij met zijn goedmoedige stem.

„Ik ben ontevreden op u,” antwoordde de portierster.

Jean Valjean zag nauwelijks een ander menschelijk wezen dan deze goede vrouw. In Parijs zijn straten, waar niemand doorgaat, en huizen, waarin niemand komt. Hij was in een dier straten en in een dier huizen.

In den tijd toen hij nog uitging, had hij voor eenige sous van een koperslager een klein koperen kruisbeeldje gekocht, dat hij tegenover zijn bed aan een spijker had gehangen. ’t Is altijd goed, zulk een teeken voor zijn oogen te hebben.

Een week verstreek, zonder dat Jean Valjean een tred in zijn kamer deed. Hij bleef steeds te bed. De portierster zeide tot haar man: „De oude man van boven staat niet meer op, hij eet niet meer; hij zal ’t niet lang meer maken. Die man heeft verdriet. Men kan ’t mij niet uit het hoofd praten, dat zijn dochter ongelukkig getrouwd is.”

De portier antwoordde op den toon der echtelijke souvereiniteit:

„Zoo hij rijk is, laat hij dan een dokter nemen. Is hij niet rijk, dan kan hij ’t niet doen. Zoo hij geen dokter neemt, zal hij sterven.”

„En zoo hij er een neemt?”

„Zal hij ook sterven,” zei de portier.

De portierster begon, met een oud mes het gras van tusschen de steenen „harer straat” te krabben, terwijl zij mompelde:

„’t Is jammer. Zulk een net oud man. Hij is zoo blank als een hoen.”

Aan het einde van de straat zag zij een dokter uit de buurt voorbijgaan. Zij nam ’t op zich, hem te verzoeken eens naar den zieke te zien.

„’t Is op de tweede verdieping,” zeide zij. „Ga maar binnen, want, wijl de goede man niet meer van zijn bed komt, steekt de sleutel altijd in de deur.”

De geneesheer zag Jean Valjean en sprak hem. Toen hij weder naar beneden ging, vroeg de portierster hem:

„Nu, dokter?”

„Uw zieke is zeer ziek.”

„Wat deert hem?”

„Alles en niets. ’t Is iemand, die, zoo ’t schijnt, een zeer geliefd persoon heeft verloren. Men kan daarvan sterven.”

„Wat heeft hij u gezegd?”

„Hij heeft mij gezegd, dat hij welvarend was.”

„Komt ge terug, dokter?”

„Ja,” antwoordde de geneesheer; „maar ’t ware beter, zoo een ander dan ik terugkwam.”

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings