← Table of contents
De Ellendigen (Deel 5 van 5)

De 16 Februari 1833.

Reading edition

De nacht van den 16 op den 17 Februari 1833 was een gezegende nacht. Boven zijn duisternis had hij den open hemel. ’t Was de bruiloftsnacht van Marius en Cosette.

’t Was een heerlijke dag geweest.

’t Was wel niet het tooverfeest geweest, waarvan de grootvader gedroomd had, een tooverfeest met een gewoel van engeltjes en liefdegoodjes om het getrouwde paar, een huwelijk waardig om er een schilderstuk van te maken; maar het was genoegelijk en vroolijk geweest.

De huwelijksmode was in 1833 anders dan thans. Frankrijk had van Engeland nog niet die verhevene kieschheid overgenomen van zijn vrouw te schaken, bij het verlaten der kerk de vlucht te nemen, zich beschaamd over zijn geluk te verbergen, en de handelingen van een bankroetier aan de verrukkingen van het Hooglied te paren. Men had nog niet begrepen, welke kuischheid, uitnemendheid en betamelijkheid er in gelegen zijn, zijn hemel in een hotsende postchais mede te nemen, aan zijn geheim het zweepgeklap te paren, een herbergsbed tot bruidsbed te nemen, en in een voor ieder toegankelijke slaapkamer tegen zooveel per nacht de heiligste herinnering des levens, aan het geheimzinnig gebabbel van den postwagenconducteur en de dienstmeid der herberg achter te laten.

In deze tweede helft der negentiende eeuw, waarin wij zijn, zijn de maire en zijn sjerp, de priester en zijn kasuifel, de wet en God niet meer voldoende, zij moeten door een postillon van Longjumeau aangevuld worden; een blauw buis met roode opslagen en ronde knoopen, een plaat op den arm, een broek van groen leder, gevloek tegen de normandische paarden met opgebonden staart, valsch galon, leeren hoed, zwaar gepoederd haar, groote zweep en hooge laarzen. Frankrijk heeft de deftigheid nog zoo ver niet gedreven van, gelijk de Engelsche nobility, op de postkales der pasgetrouwden een regenbui van ontzoolde pantoffels en oude sloffen te storten, ter herinnering aan Churchill, later Marlborough of Malbrouck, die op den dag van zijn huwelijk door den toorn zijner tante werd overvallen, die hem geluk bracht. De sloffen en pantoffels behooren nog niet tot onze huwelijksplechtigheden; maar geduld, bij vooruitgaanden goeden smaak zal men er wel toe komen.

Honderd jaren voor 1833 vierde men de bruiloft niet in vollen galop.

Men verbeeldde zich nog in dien tijd, ’t was zonderling, dat een huwelijk een huiselijk en maatschappelijk feest is, dat een patriarchaal feestmaal geen huiselijke plechtigheid bederft, dat de vroolijkheid, mits zij eerbaar zij, het geluk niet schaadt, en dat het eindelijk eerbiedwaardig en goed is, dat de samensmelting van twee levens, waaruit een familie zal voortkomen, in het huis een begin, en de huishouding voortaan tot getuige de bruidskamer hebbe.

En men was zoo onbeschaamd, te huis te trouwen.

Het huwelijk werd dus, ingevolge deze thans verouderde mode, ten huize van den heer Gillenormand gevierd.

Hoe eenvoudig en gewoon een huwelijksvoltrekking ook zij, veroorzaken de afkondiging der geboden, de op te maken acten, het stadhuis, de kerk, toch altijd eenige drukte, en men kon dus vóór den 16 Februari niet gereed zijn.

Nu was het,—wij stippen deze bijzonderheid aan ten bewijze onzer nauwkeurigheid,—op den 16den Vastenavond. Hier door ontstond een aarzeling, gemoedsbezwaren, vooral bij tante Gillenormand.

„Vastenavond!” riep de grootvader, „des te beter. Er is een spreuk die zegt:

Hij, die op Vastenavond trouwt.

Is wis dat hem zijn keus niet rouwt.

„Dus bepaald! ’t Zal den 16den zijn. Zoudt gij ’t willen uitstellen, Marius?”

„Zeker niet,” antwoordde de gelukkige.

„Trouwen wij dus!” hernam de grootvader.

Het huwelijk werd dus den 16den voltrokken, niettegenstaande de openbare vermakelijkheden. Het regende dien dag, maar aan den hemel is steeds een klein plekje blauw, voor het geluk, dat de gelieven zien, zelfs wanneer de geheele overige wereld onder een parapluie zou gaan.

Den vorigen dag had Jean Valjean aan Marius, in tegenwoordigheid van den heer Gillenormand, de vijfmaal honderd vier en tachtig duizend francs ter hand gesteld.

Men trouwde in gemeenschap van goederen, zoodat de acten zeer eenvoudig waren.

Vrouw Toussaint was voortaan voor Jean Valjean overbodig; Cosette had haar overgenomen en haar tot den rang van kamenier verheven.

Jean Valjean had in het huis van Gillenormand een opzettelijk voor hem gemeubelde fraaie kamer, en Cosette had zoo sterk bij hem aangedrongen, dat hij haar beloofde, de kamer te zullen betrekken.

Eenige dagen vóór den bepaalden dag van het huwelijk, was Jean Valjean een ongeluk overkomen; hij had zich den duim der rechterhand geklemd. ’t Was niet erg, en hij wilde niet dat iemand er zich mee bemoeide, hem verbond of zijn kwetsuur zag, zelfs Cosette niet. Hij had evenwel zijn hand omzwachteld en den arm in een doek, ’t geen hem belet had iets te teekenen. De heer Gillenormand was als toeziende voogd in zijn plaats getreden.

Wij zullen den lezer noch naar het stadhuis, noch naar de kerk voeren. Men volgt zelden twee gelieven tot zoo ver, en is gewoon het drama den rug te keeren, zoodra het een bruidsbouquet in het koopsgat steekt. Wij zullen enkel een voorval vermelden, dat, overigens door den bruiloftsstoet niet opgemerkt, bij den tocht uit de straat des Filles du Calvaire naar de kerk St. Paul plaats had.

Men was op dezen tijd juist bezig het noordeinde der straat Saint-Louis opnieuw te plaveien en zij was van de straat du Parc-Royal afgesloten, zoodat het voor de rijtuigen van een huwelijksstoet onmogelijk was, rechtstreeks naar St. Paul te rijden. Men moest alzoo een anderen weg nemen, en het eenvoudigste was langs den boulevard te rijden. Een der genoodigden deed opmerken dat het Vastenavond was en er dus een drukte van rijtuigen zou zijn. „Waarom?” vroeg Gillenormand.—„Uithoofde der gemaskerden.”—„Des te beter,” zei de grootvader. „Nemen wij dien weg. Deze jongelieden trouwen, zij treden het ernstige leven in. Het gezicht van gemaskerden zal er een weinig toe voorbereiden.”

Men reed langs den boulevard. Het eerste rijtuig bevatte Cosette en tante Gillenormand, den heer Gillenormand en Jean Valjean. Marius, die, volgens het gebruik, nog van zijn bruid was gescheiden, volgde in het tweede. De bruidsstoet geraakte, bij het verlaten der straat des Filles du Calvaire, in den langen stoet rijtuigen, die van de Madeleine tot aan de Bastille en van de Bastille tot de Madeleine een eindelooze keten vormden.

Op den boulevard wemelde het van gemaskerden. De Paillassen, de Pantalons en de Gilles stoorden zich niet aan de regenbuien, die nu en dan vielen. Bij den goeden luim van dien winter van 1833 had Parijs zich in Venetië herschapen. Thans ziet men zulke vastenavondsfeesten niet meer. Daar al wat bestaat thans een algemeen karnaval is, bestaat er geen karnaval meer.

Het wemelde op de zijpaden van voorbijgangers en aan de vensters van nieuwsgierigen. De balkons boven de galerijen der schouwburgen waren vol toeschouwers. Behalve de gemaskerden, zag men dien optocht, zoowel aan den Vastenavond als aan Longchamps eigen, van allerlei voertuigen, die, zich in orde voortbewegende, volgens de politie-reglementen, streng zich aan elkander sluiten, en als op rails loopen. Wie in zulk een rijtuig zit is tevens toeschouwer en acteur. Stadssergeanten hielden aan beide zijden van den boulevard deze twee eindelooze, zich in tegenovergestelde richting bewegende rijen in orde, en zorgden, dat niets hun dubbelen loop hinderde; deze twee rijen rijtuigen rolde de een naar Chaussée d’Antin, de andere naar de voorstad St. Antoine. De met wapenschilden prijkende rijtuigen der Fransche pairs en der ambassadeurs reden ongehinderd heen en weder in het midden van de straat. Sommige schitterende en vroolijke optochten, onder andere die van den vetten os, hadden hetzelfde voorrecht. Bij deze vroolijkheid van Parijs liet Engeland zijn zweep klappen; met groot gerucht rolde de postchais van Lord Seymour, vervolgd door een spotnaam van het gepeupel, voorbij.

In deze dubbele rij, langs welke de municipale garden als herdershonden draafden, vertoonden oude familierijtuigen, vol oudtantes en grootmoeders, aan hun portieren frissche gemaskerde kindergroepen, zevenjarige Pierrots, zesjarige Colombines, bekoorlijke kleine wezens, die gevoelden, dat zij officiëel aan de openbare vroolijkheid deelnamen, doordrongen van hun harlekijnswaardigheid en deftig als openbare ambtenaars.

Nu en dan ontstond hier of daar eenige belemmering in den voortgang der rijtuigen; een der beide treinen stond stil tot de knoop was ontward; een rijtuig was voldoende om de geheele reeks tot stilstand te brengen. Daarna stelde men zich weder in beweging.

De huwelijkskoetsen waren in de rij, die zich aan de rechterzijde van den boulevard in de richting van het Bastilleplein voortbewoog. Ter hoogte van de straat Pont-aux-Choux was er een oogenblik oponthoud. Schier terzelfder tijd hield ook aan de andere zijde van den boulevard de andere rij, die naar de Madeleine reed, stil. Op dit punt was een rijtuig met gemaskerden.

Deze rijtuigen, of beter gezegd, deze karren met gemaskerden, zijn bij de Parijzenaars goed bekend. Zoo zij op Vastenavond of op Half-vasten ontbraken, zou men er iets kwaads uit afleiden en zeggen: „daar schuilt iets achter. Waarschijnlijk zal een verandering van ministerie plaats hebben.” Een hoop Cassandra’s, Harlekijns en Colombines, die op hun wagens gehotst boven de voorbijgangers uitstaken, alle mogelijke groteske figuren, van den Turk tot den wildeman, Herkulessen die markiezinnen droegen, vischwijven, die Rabelais de ooren zouden hebben doen dichtstoppen, gelijk de Menaden Aristophanes de oogen deden neerslaan, pruiken van vlas, rooskleurige spanbroeken, driekante hoeden met vlinders, reusachtige brillen, geschreeuw tegen de voetgangers, handen in de zijden, onbetamelijke houdingen, bloote schouders, gemaskerde gezichten, teugellooze onbescheidenheid, een chaos van onbeschaamdheden, door een met bloemen getooiden koetsier gevoerd; ziedaar deze feestelijkheid.

Griekenland had den wagen van Thespis, Frankrijk heeft het huurrijtuig van Vadé noodig.

Alles kan geparodiëerd worden, zelfs de parodie. De saturnaliën, die grimas der antieke schoonheid, bereikten, steeds grooter en grooter wordende, den Vastenavond; en het bacchusfeest, eertijds met wijnranken bekroond en door de zon verguld, in een goddelijke halve naaktheid marmeren borsten toonende, thans verwelkt onder de natte lompen van het noorden, wordt ten laatste karnaval genoemd.

De overlevering der maskeradewagens dagteekent van den oudsten tijd der Fransche monarchie. De rekenkamer van Lodewijk de XI verleende aan den baljuw van het paleis twintig sous Tournooisch voor drie maskerade-koetsen op de pleinen. In onze dagen laten deze geruchtmakende benden zich gewoonlijk voortrollen door een oud rijtuig, op welks verhemelte zij saamgedrongen zijn, of zitten in woelige groepen van twintig personen in een rijtuig, dat voor zes is bestemd. Men ziet er op den bok, op de treden, op de portieren, op den dissel, zelfs op de lantaarns. Zij staan, liggen, zitten met kruiselings onder zich gebogen of met hangende beenen. De vrouwen zitten op de knieën der mannen. Men ziet in de verte boven het hoofdgewemel hun stoute pyramieden. Deze rijtuigen vormen bergen van vroolijkheid te midden van het gedrang. Collé, Panard en Piron laten er hun dieventaal afstroomen. Van den top wordt de catechismus der vischwijven op het volk gespogen. Dit huurrijtuig, door zijn lading ontzaggelijk geworden, heeft een overwinnend aanzien; geraas is in de voorhoede, gewoel in de achterhoede. Men schreeuwt, tiert, brult, vloekt en dartelt van pleizier; de vroolijkheid ruischt, de kwinkslagen vlammen, het vreugdgenot schittert als purper; twee knollen voeren de klucht en het gelach op een triumfwagen.

Het gelach is te onbeschaamd om hartelijk te zijn. Het is inderdaad verdacht. Dat gelach heeft een roeping. Het heeft de taak, den Parijzenaars het karnaval te bewijzen.

Deze vischwijvenwagens, waarin men iets onaangenaams gevoelt, brengen den wijsgeer tot nadenken. Daarin is iets gouvernementeels. Men raakt er als met den vinger een geheimzinnige verwantschap tusschen de publieke mannen en de publieke vrouwen.

Dat opeengestapelde schandelijkheden, vroolijkheid tot uitkomst hebben, dat men, door de eerloosheid op de schande te verheffen, het volk begeerig maakt; dat de bespieding, de prostitutie tot cariatide dienende, de menigte vermaakt en ze tart; dat het volk op de vier wielen van een huurrijtuig gaarne dien gedrochtelijken levenden hoop ziet, een blinkend vod, half vuilnis, half helderheid, die blaft en zingt; dat men in de handen klapt voor dezen luister uit alle schandelijkheden samengesteld; dat er voor het volk geen feest zij, zoo de politie niet te midden ervan die soort van twintighoofdige hydra’s der vreugd laat wandelen, dat alles voorwaar, is treurig! Maar wat er aan te doen? Deze met linten omstrikte en gebloemde slijkkarren worden door het gelach der menigte gehoond en uitgescholden. Het gelach van allen is medeplichtig aan de algemeene verlaging. Zedenbedervende feesten verlagen het volk en maken het tot gepeupel. Het volk heeft, evenals de tyrannen, narren noodig. De koning heeft Roquelaure, het volk heeft Paillas. Parijs is de groote dwaze stad, telkens wanneer zij niet de groote verhevene stad is. Het karnaval is in de politiek betrokken, Parijs, bekennen wij het, laat zich gaarne door eerloosheid comedie vertoonen. Het vraagt aan zijn meesters,—wanneer het meesters heeft—slechts dit: verguldt het slijk. Rome had denzelfden zin. Het beminde Nero. Nero was een monsterachtige vergulder.

Het toeval wilde, dat, zooals wij gezegd hebben, eene dier woeste groepen gemaskerde, in eene ruime kales gepakte vrouwen en mannen, ter linkerzijde van den boulevard stilstond, terwijl de bruidsstoet ter rechterzijde bleef stilstaan. Het rijtuig, waarin de gemaskerden waren, zag dus tegenover zich het rijtuig, waarin de bruid was.

„Kijk!” zei een gemaskerde, „een bruiloft.”

„Een valsche bruiloft,” hernam een ander. „Wij zijn de echte.”

En te ver af om den bruiloftsstoet te kunnen toeroepen, en bovendien vreezende, door de stadssergeanten te worden terecht gewezen, zagen de twee gemaskerden naar een andere zijde.

Een oogenblik daarna raakte dit gemaskerde rijtuig erg in ’t nauw; het volk hoonde en beschimpte het; ’t geen de liefkoozing der menigte jegens de maskerade is. De twee gemaskerden, die gesproken hadden, moesten met hun kameraads aan de gansche menigte het hoofd bieden, en hadden niet genoeg aan al de projectielen uit het arsenaal der Hallen, om de geweldige schimpschoten des volks te beantwoorden. Tusschen de gemaskerden en de menigte ontstond een vreeselijk gevecht van scheldwoorden en uitjouwingen.

Ondertusschen hadden twee andere gemaskerden in hetzelfde rijtuig, een Spanjaard met ontzaggelijken neus, oudachtig voorkomen en grooten zwarten knevel, en een mager vischwijf, een nog zeer jong meisje, met een half masker voor het gezicht, insgelijks de bruiloft opgemerkt, en spraken met elkander, terwijl hun makkers en de voorbijgangers aan ’t schelden waren.

Het gesprek werd door het rumoer gesmoord en verloor er zich in. De regenvlagen hadden het opene rijtuig bevochtigd; de Februariwind is niet warm; en terwijl het vischwijf met bloote schouders van de koude bibberde, lachte en kuchte, antwoordde zij den Spanjaard.

Ziehier de samenspraak:

„Zeg eens.”

„Wat, vader?”

„Ziet ge dien oude?”

„Welken oude?”

„Ginds, in het eerste rijtuig van den bruidsstoet, aan onze zijde.”

„Wiens arm in een zwarten doek hangt.”

„Ja.”

„Nu?”

„Ik ben zeker, dat ik hem ken.”

„Zoo!”

„Men moge mij den hals afsnijden, en ik wil zoo lang ik leef niet meer spreken, indien ik dien Parijzenaar niet ken.”

„Vandaag is Parijs Pantin.”

„Kunt ge de bruid zien, als ge u bukt?”

„Neen.”

„En den bruidegom?”

„Er is geen bruidegom in de koets.”

„Och!”

„Of ’t moest de andere oude zijn.”

„Buk u en tracht de bruid te zien.”

„Ik kan niet.”

„Om ’t even, den oude, die iets aan den poot heeft, ken ik, ik ben er zeker van.”

„Wat kan ’t u schelen, of ge hem kent?”

„Men weet niet. Soms!”

„Ik, ik heb niets met den oude te maken.”

„Ik ken hem.”

„Ge moogt hem kennen.”

„Hoe drommel is hij bij de bruiloft?”

„Wij zijn er immers ook bij.”

„Vanwaar komt die bruiloft?”

„Weet ik het?”

„Luister.”

„Wat?”

„Doe iets.”

„Wat?”

„Stap uit het rijtuig en volg die bruiloft.”

„Waarom?”

„Om te weten, waarheen zij gaat en wie het zijn. Stap schielijk uit, meisje, ge zijt jong.”

„Ik kan het rijtuig niet verlaten.”

„Waarom?”

„Ik ben gehuurd.”

„Te drommel!”

„De politie heeft mij vandaag als vischwijf gehuurd.”

„’t Is waar.”

„Indien ik het rijtuig verlaat, pakt mij de eerste inspecteur die mij ziet. Ge weet.”

„Ja, ik weet.”

„Vandaag ben ik door de regeering gehuurd.”

„Om ’t even. Die oude verveelt mij.”

„Vervelen u de ouden. Ge zijt toch geen meisje.”

„Hij zit in het eerste rijtuig.”

„Nu?”

„In de koets der bruid.”

„Verder?”

„Hij is dus de vader.”

„Wat raakt het mij?”

„Ik zeg u, dat hij de vader is.”

„De vader moet er immers bij zijn.”

„Luister.”

„Wat?”

„Ik kan niet anders dan gemaskerd uitgaan. Hier ben ik verborgen; men weet niet, dat ik er ben. Morgen zijn er geen gemaskerden meer. ’t Is Asch-Woensdag. Ik waag gepakt te worden. Ik moet weder in mijn hol kruipen. Gij, gij zijt vrij.”

„Niet te veel”

„Altijd meer dan ik.”

„Nu, verder.”

„Ge moet zien te vernemen waarheen deze bruiloft gegaan is.”

„Waarheen zij gaat?”

„Ja.”

„Ik weet het.”

„Waarheen dan?”

„Naar de Cadran Bleu.”

„Zij gaat niet in die richting.”

„Nu, dan naar la Rapée.”

„Of elders.”

„Zij heeft er de vrijheid toe. De bruiloften zijn vrij.”

„Dat is ’t allemaal niet. Ik zeg u, dat ge moet vernemen, welke bruiloft dit is, waarbij de oude behoort, en waar zij gevierd wordt.”

„Nog meer! ’t Zal grappig wezen. ’t Is even gemakkelijk om een bruiloft weder te vinden, acht dagen nadat zij op Vastenavond door Parijs is gereden, als een speld in een hooiberg. Is dat mogelijk?”

„Om ’t even, ge moet het beproeven. Hoort ge, Azelma?”

De twee rijen voertuigen stelden zich weder aan beide zijden van den boulevard in tegenovergestelde richting in beweging, en het rijtuig met de maskers verloor de koets der bruid uit het oog.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings