← Table of contents
De Ellendigen (Deel 5 van 5)

Voet voor voet.

Reading edition

Toen er geen levende aanvoerders meer waren dan Enjolras en Marius aan beide einden der barricade, zwichtte het centrum, dat Courfeyrac, Joly, Bossuet, Feuilly en Combeferre zoo lang verdedigd hadden. Het kanon had het midden der barricade deerlijk gehavend, zonder echter een voldoende bres te hebben geschoten; de kruin van den muur was door de kanonskogels verdwenen en ingestort; het naar binnen en buiten gevallen puin had zich eindelijk aan weerszijden der barricade tot twee glooiingen opgehoopt. De buitenste glooiing bood den belegeraars een hellend vlak ter beklimming aan.

Een laatste bestorming werd beproefd en deze bestorming gelukte. De massa bajonnetten, die met den stormmarsch aanrukte, was onweerstaanbaar en het dichte front der aanvalscolonne verscheen in rook gehuld op de barricade. Ditmaal was ’t gedaan. De groep opstandelingen, die het centrum verdedigde, week in verwarring.

Toen herleefde bij eenigen de treurige liefde voor het leven. Verscheidenen, die dit woud geweren op zich aangelegd zagen, wilden niet meer sneven. ’t Was een oogenblik, waarin het instinct van behoud de overhand heeft en het dier in den mensch weer te voorschijn treedt. Zij stonden tegen het zes verdiepingen hooge huis achter de barricade. Dit huis kon hun heil zijn; maar het was versperd en als van boven tot onder een muur. Voor dat de linietroepen in de barricade waren, had een deur den tijd gehad zich te openen en te sluiten, een oogenblik was daartoe voldoende; en de deur van dit huis, schielijk geopend en dadelijk weder gesloten, was voor deze wanhopigen het leven. Achter dat huis waren straten, ruimte, en de vlucht was bijgevolg mogelijk. Zij sloegen met de geweerkolven en met hun voeten tegen die deur, riepen, schreeuwden, smeekten met saamgevouwen handen. Niemand opende. Uit het venster der derde verdieping zag het doode hoofd op hen neder.

Maar Enjolras en Marius, en zeven of acht anderen, die zich bij hen geschaard hadden, verdedigden zich nog. Enjolras had tot de soldaten geroepen: „Nadert niet!” en een officier, hieraan niet gehoorzamende, werd door Enjolras gedood. Thans was hij op de kleine binnenplaats der barricade, tegen het huis Corinthe, in de eene hand den degen, in de andere de karabijn, de deur der herberg open houdende, welke hij voor de aanvallers versperde. Hij riep tot de wanhopigen: „Er is slechts één open deur. Deze.” Hen met zijn lichaam bedekkende en het hoofd aan een geheel bataljon biedende, liet hij hen achter zich binnengaan. Allen stortten het huis binnen. Enjolras bediende zich nu van zijn geweer als de batonnist van zijn stok, sloeg de geweren om en voor zich neder, en trad het laatst het huis binnen; er ontstond een vreeselijk oogenblik, de soldaten wilden binnendringen, de opstandelingen de deur sluiten. Zij werd dan ook zoo geweldig dicht geworpen, dat zij de vijf vingers van een soldaat, die zich aan den deurpost vastklampte, afsloeg.

Marius was buiten gebleven. Een geweerschot had zijn sleutelbeen verbrijzeld; hij gevoelde, dat hij bezwijmde en neerzonk. De oogen reeds gesloten, had hij de gewaarwording alsof een forsche hand hem greep, en de bezwijming, waarin hij zijn bewustzijn verloor, liet hem nauwelijks den tijd, tot deze gedachte, waarin zich een laatste herinnering aan Cosette mengde: „Ik ben gevangengenomen en zal gefusilleerd worden.”

Enjolras, die Marius niet onder de gevluchten in de herberg zag, had dezelfde gedachte. Maar allen waren thans in dit oogenblik, wanneer ieder slechts den tijd heeft aan zijn eigen dood te denken. Enjolras bevestigde den boom op de deur, grendelde ze en sloot ze op het nachtslot, terwijl zij van buiten geweldig, door de soldaten met geweerkolven en door de sappeurs met bijlen, gebeukt werd. De bestormers stonden voor de deur gegroepeerd. Nu begon de belegering der herberg.

De soldaten, ’t moet gezegd worden, waren vol toorn.

De dood van den sergeant der artillerie had hen verbitterd, en, wat nog noodlottiger was, eenige uren voor den aanval werd onder hen gezegd, dat de opstandelingen de gevangenen verminkten, en in de herberg het lijk van een soldaat zonder hoofd lag. Zulke noodlottige geruchten gaan gewoonlijk aan burger-oorlogen gepaard, en ’t was een dergelijk valsch gerucht, ’t welk later den ongelukkigen afloop in de straat Transnonain ten gevolge had.

Toen de deur versperd was, zeide Enjolras tot de anderen:

„Laten wij ons leven duur verkoopen.”

Daarop naderde hij de tafel, waarop Mabeuf en Gavroche lagen. Onder het zwarte kleed zag men twee rechte en stijve gestalten, de eene groot, de andere klein, en beider gezichten teekenden zich flauw af onder de kille plooien der lijkwade. Een hand kwam er onder uit en hing naar beneden. ’t Was die van den grijsaard.

Enjolras boog en kuste deze eerwaardige hand, gelijk hij den vorigen avond het voorhoofd had gekust.

’t Waren de twee eenige kussen, welke hij in zijn leven gegeven had.

Laat ons kort zijn. De barricade had als een poort van Thebe weerstand geboden; de herberg streed als een huis van Sarragossa. Zulke verdedigingen zijn wreed. Geen genade. Geen onderhandeling is mogelijk. Men wil sterven, mits men doodt. Toen Suchet zeide: „Capituleert,” antwoordde Palafox: „Na den oorlog met het kanon, den oorlog met het mes.” Niets ontbrak aan de stormende inneming der herberg Hucheloup; noch de straatsteenen, die uit de vensters en van het dak op de belegeraars regenden, en door hun vreeselijke uitwerking de soldaten woedend maakten, noch de geweerschoten uit de kelders en dakvensters, noch de woede van den aanval, noch de razende verdediging, noch, toen eindelijk de deur zwichtte, de dwepende waanzin der verdelging. De aanvallers, die de herberg binnendrongen, na de belemmeringen van de gebroken deur en ander puin aan den ingang overwonnen te hebben, vonden er geen enkelen strijder. De wenteltrap, die met bijlen was stukken gehouwen, lag in het midden van het benedenvertrek, eenige gekwetsten lagen te zieltogen, allen die niet gesneuveld waren, bevonden zich op de eerste verdieping, en door de opening van de zoldering, die tot ingang van de trap had gediend, brandde een vreeselijk geweervuur los. ’t Waren de laatste patronen. Toen deze verschoten waren, toen deze vreeselijke zieltogenden noch kruid noch lood meer hadden, nam ieder twee flesschen in de hand, welke Enjolras had achtergehouden en waarvan wij gesproken hebben, en met deze vreeselijk broze knotsen boden zij den beklimmers het hoofd.

’t Waren flesschen met sterk water. Wij verhalen deze treurige bijzonderheden van het bloedbad, zooals zij waren. De belegerde, helaas! gebruikt alles tot wapen. Het grieksche vuur heeft Archimedes niet onteerd, evenmin als het kokende pek Bayard. De geheele oorlog is een verschrikking; de keuze is onverschillig. Het geweervuur der belegeraars, hoewel belemmerd en van beneden naar boven, was moorddadig. De kant van de zolderopening werd spoedig met doode hoofden bedekt, waaruit roode, dampende stralen vloeiden. Het gerucht was onbeschrijfelijk; een ingesloten en brandende rook hulde dit gevecht schier in nachtelijke duisternis. Woorden ontbreken, om het afgrijselijke, tot dien graad gekomen, te schetsen. Het waren geen menschen meer in dit nu helsch geworden gevecht. ’t Waren geen reuzen meer tegen kolossen. Het geleek meer naar Milton en Dante, dan naar Homerus. Duivels vielen aan, spoken verdedigden zich.

’t Was de heldenmoed tot monster geworden.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings