§ 38.
Reading edition
Eindblik op den toestand des lands.
Zoo is dan het plan, in de eerste paragraaf aangekondigd, volvoerd en wederom een beknopte geschiedenis van Nederland te boek gesteld. Nog bestaat dat rijk, aan welks geschiedenis de vorige bladzijden zijn gewijd. Behalve de bijna 31,000 vierkante mijlen met nagenoeg 18,000,000 inwoners, die het in vreemde werelddeelen bezit, beslaat het in Europa een oppervlakte van ruim 600 vierkante mijlen, waarop een bevolking woont van ruim 31⁄2 millioen. Ongeveer 2⁄3 gedeelte van den grond is bebouwd. Landbouw, veeteelt, handel, fabrieken en vischvangst blijven voortdurend de bronnen van het bestaan der ingezetenen. De haringvangst, ofschoon zij sinds een tiental jaren weder eenigszins begint op te komen, heeft veel geleden door den wedijver van Engelschen en Duitschers, en de walvischvangst is van weinig beteekenis. De handel, dien Nederland drijft, is nog steeds wereld- en binnenlandsche handel. Al is de eerste, in vergelijking met andere landen en van hetgeen hij is geweest, niet meer, wat hij weleer was, nog is hij belangrijk en verdient den naam van wereldhandel. De voorwerpen van dien handel zijn voornamelijk de voortbrengselen van landbouw en veeteelt, benevens de koloniale waren.
Wat de Nederlandsche nijverheid betreft, zij heeft geen ongelukkiger tijdperk gekend, dat het twintigtal jaren, dat verliep tusschen de omwenteling van 1795 en de oprichting van het koninkrijk der Nederlanden. Gedurende het vijftienjarig tijdvak, dat met 1815 aanvangt, begon er wel op nieuw eenig leven te komen in het fabriekwezen van Noord-Nederland; maar de nijverheid van dit deel van het koninkrijk bleef verre, zeer verre ten achteren bij die van het Zuiden. Na de omwenteling van 1830 geraakte de nijverheid in ons vaderland geheel aan ’t kwijnen. Dit kwam, behalve uit den staatkundigen toestand en uit de ophooping der staatsschuld, uit de geringe geneigdheid der fabrikanten voort, om aan den eisch des tijds te voldoen en de stoomkracht op het fabriekwezen toe te passen. Doch allengs is de Nederlandsche nijverheid na de afscheiding der Zuidelijke gewesten weder opgekomen. Daarentegen kwijnt de scheepsbouw. Moge dus, in vergelijking met vroegere eeuwen, Nederlands bloei in den handel niet zijn toegenomen, in ’t stuk der nijverheid is dit stellig het geval. Een andere lichtzijde van den tegenwoordigen toestand ziet men in de staatsschuld, waarvan het bedrag sinds de laatste twintig jaren regelmatig is verminderd.
Dat de letterkunde sinds den val der Republiek (zie blz. 167) een belangrijke schrede voorwaarts heeft gedaan, zal wellicht niet met grond kunnen worden staande gehouden. Toch heeft het zestig- of zeventigjarig tijdvak, sedert verloopen, op meer dan op één beroemden naam te wijzen. Er stonden schrijvers op, die aan de voortbrengselen hunner pen bekendheid of grooten roem verschaften. De namen dier schrijvers heeft de Geschiedenis der letterkunde opgeteekend. Hier kan slechts op een paar van de voornaamsten worden gewezen, in de eerste plaats op Bilderdijk. Op veelzijdiger ontwikkeling, dan Willem Bilderdijk, een Amsterdammer (1756-1831) zichzelf gaf, kunnen weinigen bogen. Wijsbegeerte, oude en nieuwe talen, wis- en natuurkunde, rechtsgeleerdheid, geschiedenis, geneeskunde, godgeleerdheid, niets was hem vreemd. Een vruchtbaarder schrijver heeft Nederland niet aan te wijzen. Het hoogst staat hij als dichter. Alle dichtsoorten beoefende hij, buiten het blijspel, en in alle bracht hij meesterstukken voort. In het heldendicht leverde hij den Ondergang der eerste wereld, een grootsch maar onvoltooid gewrocht; in het leerdicht de ziekte der geleerden; in den lierzang de ode aan Napoleon. Op het gebied der taal schreef hij een Spraakleer. Op het veld van de geschiedenis van ’t Vaderland leverde hij een werk, waarvan de hoofdstrekking een doorloopende bestrijding is van Wagenaar (zie blz. 167). Tot heden toe is het aan dit geschrift niet gelukt, den ouden Wagenaar te verdringen.
In menig vers heeft Bilderdijk de herstelling van Nederlands nationaliteit bezongen. In ’t jaar dier herstelling stierf een andere dichter, wiens naam voorzeker bij geen Nederlander onbekend is, welke op die nationaliteit prijs stelt. Dit is Jan Frederik Helmers, die in zijn Hollandsche natie, een middelsoort tusschen het helden- en het lierdicht, den roem verheerlijkt, door het Nederlandsche volk behaald, zoowel te land als ter zee, op het veld der wetenschappen en op dat der fraaie kunsten.
Een Nederlander, die zijn vaderland lief had, was Helmers. Niet minder deed dit Hendrik Tollens Cz., in 1780 geboren te Rotterdam, overleden te Rijswijk in 1856. Was Cats de eerste Nederlandsche volksdichter geweest, de eerenaam van de tweede te zijn geweest komt Tollens toe. Immers behalve zoo menige andere zang op onderwerpen van Nederlandsche historie, die dit mede bevestigt, getuigt hiervoor het door hem vervaardigde volkslied: „Wien Neêrlands bloed door de adren vloeit” Een groot aantal van ’s dichters verzen zijn gewijd aan den huiselijken haard. De meest bekende zijner gedichten zijn: het tafereel van den vierdaagschen zeeslag, Beilink, het turfschip van Breda, enz. en op het gebied der beschrijvende poëzie: het tafereel van de overwintering der Hollanders op Nova-Zembla.
Van de prozaschrijvers uit de eerste helft dezer eeuw behoort bovenal Jan Hendrik van der Palm te worden aangehaald, hoogleeraar in de Oostersche talen te Leiden. Hij was de eerste prozaschrijver van zijn tijd. Onder zijn geschriften bekleeden de Bijbelvertaling met aanteekeningen, de Bijbel voor de jeugd en de Salomo, een uitbreiding van de spreuken, een eerste plaats. In deze en andere zijner werken vindt men, bij diepte van gedachten, een krachtigen en rijk geschakeerden, doch ook helderen en lossen stijl. Onder al die werken staat geheel op zichzelf het Geschied- en Redekunstig gedenkschrift van Nederlands herstelling, dat heden ten dage meer om den vorm, dan om den inhoud, de aandacht trekt. Van der Palm, die hoogbejaard in 1841 overleed, leefde te midden van een aantal uitstekende mannen op het gebied der letterkunde, als Kinker, Borger, Da Costa.
Zullen de wijsgeerige, de dichterlijke en de taalkundige geschriften van Johannes Kinker zijn naam lang voor de vergetelheid bewaren, alleen de Ode aan den Rijn zal dien van Elīas Annes Borger doen voortleven. Izaäk da Costa is de voortreffelijkste van Bilderdijks leerlingen. Hij streed, als Bilderdijk, voor de rechtzinnige gereformeerde leer. Welk een gloed hij als dichter had, ziet men in zijn Wachter, wat is er van den nacht?, waarin hij de omkeeringen op staatkundig gebied van ’t jaar 1848 voorspelt, in zijn Slag bij Nieuwpoort en andere verzen. In 1860 overleden, was Da Costa een tijdgenoot van Bogaers, de Génestet, van Lennep en Beets, die, waar men van de hedendaagsche Nederlandsche letterkunde gewaagt, in de eerste rijen staan. Als bewijs van het keurige dichttalent van Bogaers wordt, onder meer, doorgaans De tocht van Heemskerk naar Gibraltar aangehaald. De Génestets Leekedichtjes zijn bij jong en oud bekend, evenzeer als de Camera obscura van Hildebrand, d. i. Beets. Van het genoemde viertal is Beets de eenige, die nog leeft. Bogaers werd in 1870, de Génestet in 1861, van Lennep in 1868 door den dood weggerukt. Van Lenneps werken zijn vooral gedichten en romans in proza. De laatste hebben hem gemaakt tot den gevierden schrijver, van wien elk iets heeft gelezen. Voor den beste dier romans houdt men Ferdinand Huyck.