← Table of contents
Beknopte geschiedenis van het vaderland

§ 18.

Reading edition

Het twaalfjarig bestand.—De oprichting der Oost-Indische compagnie.

In 1603 overleed koningin Elizabeth. Haar opvolger, Jakob I, sloot een jaar later vrede met Spanje. Uit spijt hierover versperden de Staten-Generaal de Schelde voor de Engelsche schepen. Zóó bleven zij, als oorlogvoerende mogendheid, alleen staan tegenover Spanje en de Zuidelijke Nederlanden. De oorlog te land leverde in de eerste jaren der nieuwe eeuw geen bijzonder gunstige uitkomsten op. De ingezetenen zuchtten onder zulke zware belastingen, dat zij voor geen verhooging vatbaar waren. Wel was het nog waar, dat de oorlog den handel voedde; maar toch kostte die oorlog aanzienlijke sommen. In zes gewesten werd de behoefte aan vrede vrij algemeen erkend. Slechts eenige steden in Holland en de provincie Zeeland waren ertegen. De reden was niet ver te zoeken. Philips II had, ofschoon wel eens beslag leggende op de Nederlandsche schepen, die in de havens van Spanje en Portugal lagen, de vaart op zijn rijk over ’t geheel oogluikend toegelaten, omdat hij de waren, welke die vaartuigen hem aanbrachten, niet konde ontberen. Anders deed Philips III. Nauwelijks den troon hebbende beklommen, verbood hij voor goed allen handel van Nederland op zijn staten. Dit versterkte de Nederlanders in hun plan om zelven naar de Indiën te varen, met welke tochten zij vóór 1598 niet meer dan een begin hadden gemaakt, gelijk beneden nader zal blijken. Deze tochten, zoo rijke winsten opleverende, vreesden die kooplieden thans, bij een vrede of bestand, te moeten staken.

Met klimmende bezorgdheid den achteruitgang der geldmiddelen gadeslaande, achtte Oldenbarnevelt het in ’t belang van ’t land, dat de oorlog ophield, die zooveel kostte. Ook Maurits was in den beginne niet tegen het ten einde brengen van den oorlog. Doch toen er weldra niet langer van een duurzamen vrede, maar van een bestand sprake was, kantte hij zich met kracht tegen dit voornemen aan. Inmiddels viel ook den aartshertogen de krijg zeer zwaar. Albert wenschte den vrede. Zijn huwelijk bleef kinderloos, en bij zijn dood moesten de landen weder aan de Spaansche kroon vervallen. Eveneens kon Spanje geen andere gezindheid hebben. De schatkist van dit rijk was ledig ten gevolge van de zware offers, welke Spinŏla’s krijgstochten hadden vereischt. Hierdoor wordt het verklaarbaar, hoe de aartshertogen er in 1607 toe konden overgaan, onderhandelingen aan te knoopen met de Republiek, als met een „onafhankelijke mogendheid.” Maar weldra bleek het, dat er aan geen vrede viel te denken. De vijand eischte afstand van de vaart op Indië en vrijheid van godsdienst voor de Roomsch-katholieken. Deze beide vorderingen achtte men dezerzijds ongehoord.

Bij zoo tegenstrijdige inzichten besloot men zich te vergenoegen met het trachten naar een wapenschorsing voor een aantal jaren. Nog was er een derde mogendheid, die, uit hoofde van de betrekking, waarin zij steeds tot de oorlogvoerende staten had gestaan, meende een woord mede te moeten spreken. Het was Frankrijk. Daarom zond ook Hendrik IV een aantal gezanten, ten einde de onderhandelingen bij te wonen, waarbij ook Engelsche en Duitsche afgevaardigden tegenwoordig waren. In April 1609 werd de wapenstilstand te Antwerpen gesloten. De hoofdbepalingen waren: de aartshertogen verklaren, ook uit naam van den koning van Spanje, de Vereenigde Gewesten voor onafhankelijke landen te houden; het bestand zal twaalf jaren duren; ieder zal behouden, wat hij heeft. Dit punt werd evenwel niet nader omschreven.

Deze laatste bepaling was van des te meer gewicht, vermits de Nederlanders zich sinds eenige jaren in de Oost-Indiën hadden gevestigd en er belangrijke vorderingen maakten. Zoolang Lissabon de Oost-Indische waren voor Neêrlands kooplieden veil had, was hier te lande geen behoefte gevoeld aan een rechtstreeksche vaart op de Indiën. Maar sedert Philips van tijd tot tijd beslag legde op de ladingen, gingen Nederlands handelaars op middelen peinzen, om zelven de waren uit andere werelddeelen te halen. De vaart naar Indië toch, hoe bezwaarlijk in ’t oog der menschen, was geen geheim. Zij was in vele geschriften van Portugeezen beschreven, en er waren Nederlanders, die op Portugeesche schepen de reis naar Indië mede hadden gedaan.

Ten einde evenwel de dreigende gevaren van kapers, Spaansche vloot en Kaapsche stormen te ontgaan, namen de Hollanders zich voor, op ’t voorbeeld der Engelschen, een eigen weg te zoeken, niet zuidwaarts, maar door het Noorden. In 1594 werden te dien einde eenige schepen uitgezonden, in 1595 een tweede tocht gewaagd. De uitslag was niet gunstig. Sneeuw en ijs versperden den weg om het Noorden. Nogmaals wendde de Amsterdamsche regeering een poging aan. Zij rustte in 1596 een paar schepen uit, waarover de stuurman Willem Barentsz. en Heemskerk (zie blz. 75) het bevel voerden. Maar ook nu was de inspanning vruchteloos. Na den winter op Nova Zembla te hebben doorgebracht, aanvaardde de volhardende bemanning den terugtocht, doch verloor onder weg den wakkeren Barentsz., die van vermoeienis bezweek.

Inmiddels had men de fortuin zuidwaarts beproefd. Eenige kooplieden te Amsterdam hadden een maatschappij van verre (landen) opgericht en zonden iemand, waarschijnlijk Cornelis Houtman, naar Lissabon, om er de bijzonderheden der vaart naar Oost-Indië uit te vorschen. Verder rustte de vereeniging vier schepen uit, om den tocht langs de Kaap de goede hoop te doen. Den 2den April 1595 lichtten Pieter Dirksz. Keyser, de opperstuurman, en Cornelis Houtman, de opperkommies, d. i. de vertegenwoordiger der handelsbelangen, te Texel het anker en landden in Juni 1596 te Bantam (in ’t n.w. van Java). Nu werden er talrijke maatschappijen van verre opgericht, zoowel in verschillende steden van Holland, als in Zeeland. In 1598 zeilde Olivier van Noort uit, de eerste Nederlander, die den aardbol omstevende. Zoo werd er vloot op vloot uitgerust, en niets kon de zucht naar winst doen afnemen, noch de verliezen, die men nu en dan leed, noch de tegenwerking der inlandsche vorsten, opgezet door de Portugeezen. Maar nog een grooter kwaad scheen de pas ontkiemde plant in hare ontwikkeling te zullen verstikken. Het was de wedstrijd tusschen de onderscheiden maatschappijen, die, de een de ander, de loef trachtten af te steken en elkander tegenwerkten. Dat er een samensmelting der maatschappijen noodig was, zagen vooral de Staten-Generaal en Oldenbarnevelt in.

Eindelijk gelukte het den advocaat, de zaak in 1602 tot een voldoend einde te brengen. Dus kwam de Vereenigde Oost-Indische compagnie tot stand, waaraan de Staten-Generaal het recht van alleenhandel (monopolie) voor een-en-twintig jaren verleenden. Later werd de vergunning bij herhaling vernieuwd. De maatschappij begon te handelen met een kapitaal van ongeveer 61⁄2 millioen en had zes afdeelingen of kamers, hebbende Amsterdam 1⁄2, Zeeland (gevestigd te Middelburg) 1⁄4, Delft, Rotterdam, Enkhuizen en Hoorne elk 1⁄16 van den inleg. Ruime uitdeelingen beloonden weldra het vertrouwen der inleggers. De deelgenooten behoefden natuurlijk niet juist in een der zes steden, die zetels van de kamers waren, te wonen. Aan alle inwoners der Vereenigde Nederlanden werd vergund, binnen vijf maanden na de oprichting te verklaren, of zij wenschten deel te nemen. De zes kamers, waarin de compagnie was gesplitst, werden bestuurd door 73 bewindhebbers, wier getal, bij versterf, niet lager zou dalen dan tot 60. De hoofdleiding en het dagelijksch bestuur der zaken kwamen aan de vergadering van zeventienen, uit de bewindhebbers gekozen.

De Oost-Indische compagnie werd een staat in een staat. Zij oefende in de Indiën een volstrekt gezag. Zij benoemde haar ambtenaren, verklaarde en voerde oorlog en sloot verbonden, op naam der Staten-Generaal. Zij bouwde sterkten en nam krijgsvolk in dienst, dat evenwel den eed van trouw aan de Staten-Generaal moest afleggen. Welhaast werd zij een bron van rijkdom niet alleen voor hen, die naar Indië gingen, maar ook voor die Nederlanders, welke zich niet verplaatsten.

Kort na de oprichting der compagnie legden onze voorouders den grondslag tot de uitgestrekte heerschappij, die hun weldra in Azië ten deel viel. In 1605 gaven de Portugeezen hun bij verdrag het kasteel op Amboina over, waarop de vorsten van dat eiland zich deels aan de compagnie onderwierpen, deels bondgenooten werden. Terzelfder tijd poogde de compagnie zich op Ternate, Tidor en de overige Molukken te vestigen. In 1610 stelde zij als eersten gouverneur-generaal Pieter Both aan, die zijn verblijf doorgaans op Ternate had. De gouverneur-generaal was het hoofd van ’t bewind over Nederlandsch Indië, opperbevelhebber van de legers en van de vloot der compagnie. Hem stond de raad van Indië ter zijde. Een der opvolgers van Both was Jan Pietersz. Coen, die in 1619 de stad Jakătra op de inboorlingen en op de Engelschen veroverde en de factorij van dien naam onder den naam Batavia tot hoofdplaats van Nederlandsch Indië verhief. In 1624 verwierf de compagnie het eiland Formōsa (ten n.o. van Kanton, in Sina), waar het fort Zelandia werd gebouwd. Inmiddels ontdekte men in 1623 op Amboina een samenzwering van Engelsche kooplieden, die ten doel hadden, de Nederlandsche ambtenaren te vermoorden en zich van ’t kasteel van dit eiland meester te maken. Zij werden gegrepen en tien van hen ter dood gebracht. Zoodra dit in Groot-Britannië bekend werd, ontstaken de Engelschen in grooten toorn en haalden deze zaak later nog menigmaal op als een zware verongelijking, hun aangedaan. Zooals men ziet, was het twaalfjarig bestand geen beletsel voor de uitbreiding van Nederlands macht in de Indiën, waar de vijandelijkheden werden voortgezet.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings