§ 24.
Reading edition
De groote vergadering.—De eerste Engelsche zeeoorlog.
De mare van ’s prinsen dood verwekte, toen zij door ’t gansche land weerklonk, naarmate van ieders gezindheid, verschillende aandoeningen van droefheid of blijdschap. Den 14den November, acht dagen na ’s prinsen dood, werd Willem Hendrik, de zoon van Willem II, geboren. De staten van Holland, intusschen bijeengekomen, deden een bezending aan hun medeleden in de unie, om hun voor te stellen, de staten der bijzondere gewesten te ’s Gravenhage te beschrijven, ten einde op de unie, de religie en de militie te besluiten. Dit duidt aan, dat de staten van Holland zich onwrikbaar hadden voorgenomen, de regeering op een vasten voet te brengen, ten welken einde zij de toestemming der andere gewesten behoefden en wenschten, dat de staten dier provinciën een aanmerkelijk getal afgevaardigden naar den Haag zouden zenden. Thans immers, nu de tachtigjarige oorlog voor goed was geëindigd, scheen het noodzakelijk, een vasten regeeringsvorm aan de Republiek te geven. Middelerwijl werd de voogdij over den jongen prins opgedragen, ter ééne zijde, aan de prinses-weduwe (zie blz. 95), en ter andere aan de prinses-grootmoeder (zie blz. 89) en aan den keurvorst van Brandenburg gezamenlijk. Deze keurvorst was Frederik Willem, getrouwd met de oudste dochter van Frederik Hendrik, Louise Henriëtte. Terwijl vervolgens de staten van de meeste gewesten de rechten, die de stadhouder tot dusver had gehad, aan zichzelven trokken of aan de steden toekenden, benoemden Groningen en Drente Willem Frederik (zie blz. 94) in 1650 tot stadhouder.
Den 18den Januari 1651 opende de raadpensionaris Cats de groote vergadering of die der Algemeene Staten, alwaar ruim 300 personen tegenwoordig waren. Hoofdzakelijk kwam de rede van den raadpensionaris hierop neer, dat, vermits de Republiek, door ’t overlijden van Willem II en bij ontstentenis van een prins uit het huis van Oranje-Nassau, in staat om stadhouder en kapitein-generaal te zijn, zich in een toestand bevond, hoedanigen zij nimmer had gekend, er moest worden beraadslaagd over de unie, de religie en de militie. Ten aanzien van de religie verklaarde men zich te houden aan den hervormden godsdienst, zooals hij was vastgesteld op de synode van Dordrecht, en de andere sekten oogluikend te willen toelaten. De vaststelling van het punt der unie leverde groote bezwaren op. De grootste moeilijkheid bestond hierin, een geschikt middel te vinden, ten einde de geschillen van één gewest of tusschen onderscheiden gewesten bij te leggen. De verscheidenheid der meeningen over dit punt liep hierop uit, dat er niets werd vastgesteld. Het spreekt vanzelf, dat het derde punt, dat over de militie, waaromtrent in de beide laatste jaren zooveel was voorgevallen, inzonderheid de aandacht der vergadering bezig hield. Men kwam tot deze uitkomst, dat, naast den Staten-Generaal, aan de staten der gewesten meer gezag en grooter bevoegdheid op het stuk van ’t krijgswezen werd toegekend, dan tot hiertoe het geval was geweest. Alles, wat op de groote vergadering was besloten, werd aangemerkt als een grondwet van den staat. Hetgeen omtrent de beide eerste punten was beslist bracht de regeering op zoodanigen voet, dat Holland veel meer invloed kreeg op de Vereenigde Nederlanden, dan het tevoren had gehad. Kort nadat de groote vergadering was uiteengegaan, legde Cats het ambt van raadpensionaris neer. In zijn plaats benoemden de staten van Holland nog in 1651 ten tweeden male (zie blz. 90) Adriaan Pauw.
Hetgeen in 1649 hier te lande ten opzichte van de gezanten der Engelsche Republiek (zie blz. 103) was voorgevallen werd door het parlement zeer euvel opgenomen. De dood van den prins gaf het parlement grond om te meenen, dat er in de denkwijze der zeven gewesten ten aanzien van Engeland een omkeering had plaats gegrepen. Het zond dus in 1651 een plechtig gezantschap naar dezen staat, hetwelk terstond gehoor verwierf in de groote vergadering. De bezending had in last, een verbond met de Staten-Generaal te sluiten, nauwer dan immer tusschen de beide staten had bestaan. Hoe de aard van dit verbond zou zijn, werd voorshands niet nader verklaard. De Staten-Generaal toonden weinig geneigdheid, aan den voorslag te voldoen. Alzoo riep het parlement nog in den zomer van ’t zelfde jaar zijn gezantschap terug. Wat Holland had gevreesd en van den beginne af had trachten te voorkomen gebeurde. In Oct. 1651 vaardigde de Engelsche Republiek de akte van navigatie uit, die een zwaren slag toebracht aan de vrachtvaart en aan den tusschenhandel der Nederlanders (zie blz. 98). Deze akte toch bepaalde, dat de vaartuigen van vreemde natiën geen andere voortbrengsels dan die van hun eigen land in de Britsche havens mochten invoeren. Groot was het nadeel, door deze akte aan Nederlands vrachtvaart, haringvangst en visscherij in ’t algemeen toegebracht. Nog grooter werd het, daar ook andere natiën, even ijverzuchtig op den bloei der Republiek als de Engelsche, het voorbeeld van dit volk gingen navolgen. Toen voorzeker moest het getal der Nederlandsche vrachtschepen, hetwelk in 1651 meer dan elf duizend bedroeg, wel dalen.
Bij de onderhandelingen, vervolgens aangeknoopt tusschen de Britsche en de Nederlandsche Republiek over een verbond van vriendschap en koophandel, kwamen de Engelschen met hooge eischen voor den dag, b. v. met dien van ’t recht eener volstrekte heerschappij over de zeeën van Groot-Britannië, verlangende, dat ieder dit door het strijken der vlag voor de Engelsche oorlogschepen erkende. Ook werd hetgeen ongeveer dertig jaren geleden op Amboina (zie blz. 79, 80) was voorgevallen op nieuw opgehaald. Intusschen waren de Engelsche oorlogschepen zelfs begonnen, eenige vaartuigen der Nederlanders te nemen. Uit dien hoofde werd de luitenant-admiraal Maarten Harpertsz. Tromp in 1652 met een groote vloot in zee gezonden. Den 29sten Mei stiet hij op den Engelschen admiraal Blake, die op de hoogte van Dover kruiste. Hier werden zijn schepen handgemeen met de vloot van Blake, die, omdat Tromp hem niet spoedig genoeg groette, het sein gaf tot het gevecht. De nacht scheidde de kampenden, en de beide admiralen verweten elkander de vredebreuk. De onderhandelingen, nogmaals aangeknoopt, leidden tot niets, en de eerste zeeoorlog met Engeland was metterdaad verklaard.
Michiel Adriaansz. de Ruiter sloeg den Engelschen vice-admiraal Askue in 1652 bij Plymouth (in ’t z.w. van Engeland). Niet minder krachtig handhaafde Tromp, toen op het toppunt van zijn roem, de eer der Nederlandsche vlag, zoowel in den onbeslisten driedaagschen zeeslag bij Portland (een schiereiland in ’t z. van Engeland, ten w. van Dorchester) in Febr. 1653 tegen Blake en bij ter Heijde (ten z. van Scheveningen), waar hijzelf sneuvelde (10 Aug.) en waar de zege eveneens twijfelachtig was, tegen Monk (zie Overzicht, 9de druk, blz. 148), als in vele andere ontmoetingen. De oorlog met Engeland kwam de schatkist der Republiek op zulke zware offers te staan en de handel verliep zoozeer, dat de rampen van den tachtigjarigen oorlog geringer schenen dan die van dezen krijg. Amsterdam kwijnde. De Republiek was geenszins opgewassen tegen Engeland. Niet minder dan in Nederland gevoelde men in Engeland de gevolgen der stremming van handel en zeevaart, en Cromwell zag in, dat zijn gezag licht aan ’t wankelen kon worden gebracht, zoo hem de fortuin eens tegenliep. Bovendien duchtte hij, dat, indien de oorlog den prins van Oranje in Nederland op het kussen mocht brengen, deze verheffing die van Karel II in de hand kon werken.
Hier te lande wenschte Holland, hetwelk, naar gewoonte, de zwaarste lasten voor den oorlog droeg en voor de achterlijk blijvende gewesten de penningen wederom moest voorschieten, bovenal den vrede. De staten van dit gewest droegen, na den dood van Pauw (zie blz. 109), in 1653 het raadpensionarisschap op aan johan de witt. Hij was de tweede zoon van Jakob de Witt, twee jaren jonger dan zijn broeder Cornelis. Zonder de andere provinciën te hebben geraadpleegd, wendde Holland zich, in Maart 1653, tot het parlement, om te pogen eenig uitzicht op den vrede te verkrijgen. Het gevolg was, dat een paar maanden later een gezantschap der Staten-Generaal naar Londen vertrok. Een of twee dezer gezanten hielden geheime briefwisseling met de Witt. Dit gaf aanleiding tot het vermoeden, dat de Witt en zij, die in Holland met hem eenstemmig dachten, van zins waren, met Engeland een verdrag te doen tot stand komen, nadeelig voor de belangen van het huis van Oranje-Nassau.
In November 1653 werden de Nederlandsche gezanten in kennis gesteld van een ontwerp van vrede, uitgaande van de Engelsche Republiek. Het ontwerp bevatte o. a. de vordering, dat de Staten-Generaal, noch de staten der gewesten den prins van Oranje of een zijner nakomelingen immer zouden aanstellen tot kapitein-generaal en admiraal of stadhouder. Tegen dit punt kwamen de afgevaardigden terstond in verzet. Doch in ’t zelfde jaar werd Cromwell protector van Groot-Britannië. Hij stond vast op het stuk der uitsluiting van den prins, zeggende van oordeel te zijn, dat, indien de zoon van Willem II tot hooge waardigheden mocht komen, hieruit geschillen zouden voortspruiten tusschen Engeland en Nederland en alzoo de vrede zou worden verstoord. De Staten-Generaal waren hiervan ten eenen male afkeerig. Van zijn kant gaf Cromwell te verstaan, dat hij er genoegen in zoude nemen, indien slechts de staten van Holland hem omtrent die uitsluiting den noodigen waarborg gaven. Dit werd nu de aangelegenheid, waarover een paar gezanten der Republiek met de Witt in ’t geheim brieven wisselden en die aan de Staten-Generaal en aan ’t meerendeel der staten van Holland onbekend bleef.
Den 23sten April 1654 werd het vredesverdrag door de Staten-Generaal bekrachtigd, den 30sten door Cromwell. Zóó kwam de vrede van Westminster tot stand. Hij bepaalde hoofdzakelijk, dat de Nederlanders, in de Britsche wateren één of meer Engelsche oorlogschepen ontmoetende, steeds de vlag zouden strijken en dat recht zou worden gedaan wegens het op Amboina gebeurde. Overeenkomstig dit laatste punt betaalde men een aanzienlijke som aan de erfgenamen der op Amboina terecht gestelden. Den 3den April koesterde de Witt nog de hoop, dat Cromwell ten aanzien van de uitsluiting van inzicht mocht veranderen. Niet alsof hij de verheffing van den prins wenschte. Het tegendeel staat vast. Een diepen indruk had ’s vaders gevangenneming op den zoon gemaakt. En dat de tijd bij hem en bij zijn partij dien indruk niet wegnam, dit belette, zoo het voor ’t overige mogelijk ware geweest, reeds de naam Loevesteinsche factie, welken de staatsgezinde partij (zie blz. 89) sedert dien tijd bij haar tegenstanders droeg. In weerwil hiervan heeft men in familiewrok niet in de eerste plaats het beginsel te zoeken van de Witts vooringenomenheid tegen het huis van Oranje-Nassau. Die vooringenomenheid stond bij hem in verband met de vaste overtuiging, dat de souvereiniteit der staten in aanhoudend gevaar was, indien de Republiek steeds een dienaar in naam, een meester in ’t wezen der zaak had, die het opperbevel voerde over een staand leger en als stadhouder veler gewesten een zoo veelzijdigen invloed kon uitoefenen. De raadpensionaris was van meening, dat slechts in tijd van oorlog een kapitein-generaal een onmisbaar dienaar der Republiek was.
Maar al was de Witt geen voorstander van de belangen van ’t huis van Oranje-Nassau, het kon hem niet anders dan onaangenaam zijn, dat het besluit der tegenwerking van den prins door een vreemde mogendheid, als volstrekte voorwaarde voor ’t behoud des vredes, aan Holland werd afgeperst. Vermits intusschen Cromwells onherroepelijke wil was, een verklaring der staten van Holland over de uitsluiting, met zijn wensch overeenstemmende, onmiddellijk na het teekenen van het vredesverdrag in handen te hebben en hij de instandhouding van den nauwelijks gesloten vrede hiervan afhankelijk stelde, werd de zaak den 28sten April en in de eerste dagen van Mei in de vergadering der staten van Holland overwogen. Veertien leden stemden er ten slotte voor. Alzoo werd de akte van seclusie of uitsluiting naar Engeland gezonden. Zij behelsde, dat de staten van Holland den prins van Oranje of een zijner nakomelingen nimmer tot stadhouder verkiezen, noch, zooveel hun stem aanging, gedoogen zouden, dat hij ooit tot kapitein-generaal der unie werd aangesteld. Ongeveer terzelfder tijd dat de akte aan Cromwell werd ter hand gesteld, lekte het geheim in de Republiek uit en ontstond te dier zake van alle zijden in ’t land een groote verbolgenheid. Daarom schreef de Witt een meesterlijk vertoog, een uitvoerige verdediging der akte en van de wijze, waarop zij was verleend, die, met goedvinden van de meeste leden, op naam der staten van Holland werd uitgegeven.