← Table of contents
Beknopte geschiedenis van het vaderland

§ 26.

Reading edition

De triple alliantie en de vrede van Aken.—Het begin van den oorlog van 1672.

Gedurende het laatste gedeelte van den zeeoorlog waren de onderhandelingen met Frankrijk (zie blz. 115) slepend gebleven. Intusschen gebeurde, wat men lang had gevreesd. De koning van Frankrijk, meenende, dat de oorlog met Engeland de Republiek zoozeer bezig hield, dat hij haar niet langer behoefde te ontzien, sloeg een anderen weg in, om tot zijn doel te geraken. Philips IV, de koning van Spanje, was in 1665 overleden, een minderjarigen zoon, Karel II, nalatende, die hem opvolgde. Hem wilde Lodewijk thans de Spaansche Nederlanden, als een erfenis zijner gemalin, Maria Theresia, een dochter van Philips IV, ontrukken. In Mei 1667 viel hij plotseling in de Zuidelijke Nederlanden. Binnen eenige weken vermeesterden de Franschen Charleroi, Doornik en vele andere steden. De Nederlanden geraakten door Lodewijks gewelddadige handelwijze in een neteligen toestand. Desniettemin hield de raadpensionaris het roer van den staat met vaste hand. Eerst wist hij tegen ’t einde van 1667 een wapenstilstand tusschen de oorlogvoerende partijen tot stand te brengen.

Middelerwijl leidden de overwegingen over de binnenlandsche aangelegenheden tot een uitkomst, die wederom zeer verschillend werd beoordeeld. Bij de beraadslagingen der Staten-Generaal over de versterking der landmacht kwam de vraag op, wien men zou stellen aan ’t hoofd der troepen van den staat. De staten van Holland, inziende, dat men er eerlang toe zou moeten komen, den prins van Oranje het kapitein-generaal-admiraalschap op te dragen, inzonderheid indien de Republiek in een oorlog te land mocht worden gewikkeld, en vreezende, dat de vereeniging dier waardigheid met het stadhouderschap op den ouden voet aan den persoon, die ermede werd bekleed, te veel overwicht gaf in den staat, stelden den 5den Augustus 1667 een overeenkomst op, die ongeveer dezelfde bepalingen inhield als de thans vervallen akte van seclusie. Bij deze overeenkomst, met eenparig goedvinden opgemaakt, het eeuwig edict, dat Hollands regenten, benevens de raadpensionaris, onderling bezwoeren, werd het stadhouderschap in Holland afgeschaft en verklaard, dat Hollands streven steeds zou zijn, dat het in de overige provinciën werd afgescheiden van het kapitein-generaalschap der unie.

Gedurende den genoemden wapenstilstand begon Karel II, duchtende dat Nederland en Frankrijk ten aanzien der Zuidelijke Nederlanden eendrachtig zouden te werk gaan, te neigen tot krachtdadige tusschenkomst. Te dien einde gaf de koning van Engeland aan William Temple, zijn afgevaardigde te Brussel, last, zich, onder den schijn, alsof hij over Holland naar Londen reisde, te ’s Gravenhage op te houden en zich met de Witt te verstaan over een verdrag ter wering van Lodewijk uit de Zuidelijke Nederlanden. Na korte voorloopige beraadslagingen stelden de beide staatslieden binnen vier dagen het verdrag op, bekend onder den naam triple alliantie of drievoudig verbond, hetwelk Engeland en de Nederlanden in Januari 1668 met elkander sloten. Tot dit verdrag trad Zwedens rijksraad, die destijds het bewind voerde voor den minderjarigen Karel XI en hiertoe was omgekocht door Hollands geld, terstond toe, en Spanje in 1669. Dit verdrag, het schrandere gewrocht van Temple’s en de Witts broederlijk overleg, bevatte hoofdzakelijk een wederkeerige verbintenis der drie staten, om den vrede tusschen Frankrijk en Spanje indiervoege tot stand te brengen, dat het eerstgenoemde rijk zijn veroveringen of een deel hiervan behield. Lodewijk XIV gaf aan den wensch der drie verbonden staten toe en sloot den vrede van Aken (Overzicht, 9e druk, blz. 150).

Hoezeer zijn toorn voor ’t oogenblik wetende te bedwingen, was Lodewijk diep gekrenkt door den stouten greep, die zijn overmoed voor een wijl had bedwongen. Zichzelf als den beschermer der Nederlanden, zooals nog kort tevoren tegen den bisschop van Munster, aanmerkende, kon hij de betoonde ondankbaarheid niet vergeven. Met onverbiddelijke wraakgierigheid zwoer hij het verderf dier kramers en visschers, die hem, den grooten koning, in zijn vaart hadden gestuit. Alle stappen, die hij van dit oogenblik af deed, doelden op den val der Republiek. De rijksraad van Zweden, wederom geld noodig hebbende, leende het oor aan Frankrijks voorslagen en beloofde bij een verdrag, in ’t begin van 1672 gesloten, tegen betaling eener groote geldsom, een leger op de been te zullen houden, ten einde iederen Duitschen vorst, die de Nederlanden te hulp mocht komen, aan te tasten. Alreede in 1670 sloot Karel II van Engeland, steeds goud behoevende voor zijn verkwistende handelwijze, met Lodewijk het geheime verdrag van Dover, waarin hij zich verplichtte, Frankrijk tegen Nederland bij te staan.

Terwijl de Staten-Generaal op die wijze in ’t onbepaalde voorgevoel van naderende rampen verkeerden, stelden zij in 1670 eenparig een stuk vast, volgens hetwelk, in overeenstemming met Hollands besluit (zie blz. 120, 121), het kapitein-generaal-admiraalschap voor altijd gescheiden bleef van het stadhouderschap. Dit stuk heet de harmonie of overeenstemming. Vervolgens ging men in December 1671 een verdedigend verbond met Spanje aan. In Februari 1672 benoemden de Staten-Generaal den prins tot kapitein-generaal voor één veldtocht. Door ’s prinsen toedoen kwam de keurvorst van Brandenburg (zie blz. 108) er nu eerlang toe, een verdrag met de Republiek te sluiten, waarin hij zich tot het geven van hulp verplichtte. Met den keizer van Duitschland kwam in den loop van hetzelfde jaar een dergelijk verbond tot stand.

Den 7den April verscheen de oorlogsverklaring der beide koningen op één dag. Aan bondgenooten had Frankrijk geen gebrek. Den 18den Mei 1672 verklaarde de bisschop van Munster (zie blz. 117) den Staten-Generaal den oorlog. Fransch geld en Fransche invloed bewogen hem hiertoe, gelijk mede zijn nabuur Maximiliaan Hendrik, keurvorst van Keulen en prins van Luik (zie blz. 96). Den 11den Mei brak Lodewijk ten strijde op. Maastricht werd voorbijgetrokken. Maar Wezel, Emmerik en andere steden, tot het Kleefsche gebied behoorende, waarin de Staten-Generaal bezettingen hadden liggen, vielen, binnen weinige dagen, in Lodewijks handen. Zij bezweken, omdat de vestingwerken waren verwaarloosd, of de bezetting te zwak was, of de noodige voorraad ontbrak, of de burgerij Nederlands regeering niet was toegedaan, of het verraad zijn rol speelde.

Men meende, dat de koning vervolgens zou trachten, den Ysel over te trekken. Doch in plaats hiervan maakte hij een zuidelijke beweging en richtte zich op den Rijn. Bij den Ysel lag het Nederlandsche leger, ruim 14,000 man voetvolk, 7000 ruiters en eenige duizenden gewapende landlieden, ongeschikt tot krijgsdienst. De rivieren waren uitgedroogd. Tegenover die Nederlandsche troepen stond een Frans leger van 118,000 man met 200 stukken geschut; bovendien meer dan 2000 adellijke vrijwilligers, die als gemeenen dienden, in afzonderlijke ruiterbenden ingedeeld. Allen bezielde de tegenwoordheid van hun koning, die het opperbevel aan Turenne en Condé had opgedragen. Den 12den Juni 1672 begon het overtrekken bij het tolhuis te Lobith. Tevergeefs beproefde men, de Franschen tot staan te krijgen. De overmacht was te groot, hoewel menig schot der Nederlanders zijn man trof. Vruchteloos hebben lage vleiers het overtrekken van den Rijn tot een schitterend wapenfeit willen verheffen. Evenmin als het nemen der vele kleine sterkten, kan die daad het Fransche leger tot eenigen roem verstrekken.

Wanhopig werd thans ’s lands toestand, nu de deur der Vereenigde Nederlanden was geopend en het leger der Republiek op Utrecht terugtrok, om ook hier slechts een paar dagen te toeven en dan nog verder te wijken. Binnen een tiental dagen bezweken de meeste steden van Gelderland en geheel Utrecht. Den 23sten Juni ging de stad Utrecht bij verdrag over. Dan gaf zich nog Naarden over. Eerst Muiden stuitte den zegevierenden marsch des vijands. Gedurenden denzelfden tijd, dien Frankrijk in zijn eigen belang zoo wel besteedde, veroverden de bisschop van Munster en de keurvorst van Keulen een gedeelte van Gelderland, waaruit hen evenwel de Franschen weder verdreven. Hun weg voortzettende, onderwierpen zij vervolgens Overijsel en namen Koevorden in. Een gelukkige tegenstelling tegen dit tafereel van vernedering was Aardenburg (in Staats-Vlaanderen), van welke stad de Franschen werden genoodzaakt met een zwaar verlies af te deinzen. Alleen ter zee bleek Neêrlands meerderheid boven zijn vijanden, want den 7den Juni leverde de Ruiter bij Solebay (een inham op de Oostkust van Engeland, ten z. van Soutwold) een slag aan de Fransch-Engelsche vloot, die onder ’t bevel stond van den hertog van York en d’Estrées. Een beslissende zege behaalde geen der beide partijen; maar het voordeel was aan den kant van de Ruiter. De Franschen namen weinig deel aan den strijd, niet ongaarne ziende, dat de beide zeemogendheden elkander zooveel mogelijk afbreuk deden.

In Holland en in Zeeland brachten de ongehoorde voorspoed en de nadering des vijands een buitengewone verslagenheid teweeg. De regenten der Republiek helden tot onderhandelingen met Frankrijk over en zonden te dien einde gezanten tot den koning. Lodewijk deed verregaande eischen. Eer deze voorwaarden nog bekend waren, hadden Amsterdam en Zeeland hun afkeer van ’t onderhandelen aan den dag gelegd. Niet minder buitensporig dan de vorderingen van Frankrijk, waren die, welke de koning van Engeland omstreeks denzelfden tijd, op ’t einde van Juni, deed.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings