← Table of contents
Beknopte geschiedenis van het vaderland

§ 28.

Reading edition

Willem III.—De negenjarige oorlog.—De Spaansche erfopvolgingsoorlog.

Zóó bereikte Lodewijk XIV, trots al zijn vijanden, zoowel door de wapens als door de kunst van ’t onderhandelen, althans ten deele, zijn doel. De vrede van Nijmegen versterkte den koning in zijn overmoed. Niets achtte hij, in ’t gevoel zijner overmacht, in staat, om hem te beletten, nu ook met vreemde staten even willekeurig te werk te gaan, als hij in zijn rijk zelf jegens zijn onderdanen placht te doen. De reunionskamers (Overzicht, 9e druk, blz. 152) toonden dit maar al te zeer. Na de herroeping van ’t edict van Nantes vreesde al wat protestant was voor ’t overwicht van den vervolger hunner geloofsgenooten. Dit verstrekte keizer Leopold I, het grootste gedeelte van ’t Duitsche rijk, Spanje en de Nederlanden tot een krachtigen prikkel, om in 1686 onder elkander verschillende verbonden te sluiten.

Hij, die deze verbonden tot stand bracht en er de ziel van was, was Willem III, van dit oogenblik af de rustelooze bestrijder van den heerschzuchtigen vorst. Gelijk Lodewijk de vertegenwoordiger was van ’t volstrekte gezag en van een algeheele staatseenheid, die het katholicisme als middel aanwendde, zoo was hij de vertegenwoordiger en de voorvechter van het staatkundig evenwicht van Europa, die het protestantisme als werktuig bezigde. Voor die taak was de prins van Oranje-Nassau ten volle berekend. Zwak en tenger was hij van lichaam, maar krachtig van geest. Zijn karakter, van nature standvastig, was door den tegenspoed zijner jeugd gestaald. Doorgaans was hij stil en in zichzelf gekeerd. Slechts op den dag van een veldslag was hij levendig en vol vuur: terwijl hij anders steeds langzaam sprak, vlogen hem dan de woorden van de lippen. Als staatsman stond Willem III boven al zijn tijdgenooten. Hij was volkomen bekend met de gesteldheid van Europa’s kabinetten, met de roersels en drijfveeren der machthebbers. De taak, die hij als zijn levenstaak aanmerkte, was een volhardend tegenstreven van Frankrijks pogingen, om de heerschappij over Europa te bemachtigen. Al beleefde Willem het geenszins, zijn doel werd mettertijd bereikt. Daarentegen kostte het stelsel van Europeesche staatkunde, dat de plaats innam van de Witts stelsel, hetwelk Neêrlands belangen tot punt van uitgang had, aan de Republiek den eersten rang onder de zeemogendheden. Van Willems tijd af moest zij zich met den tweeden rang tevreden stellen.

Even onvermoeid, als op het gebied der staatkunde, bestreed Willem III zijn vijand op het slagveld. Persoonlijke moed was een zijner gaven; doch onder de groote veldheeren verdient hij, gelijk zijn overgrootvader, niet de plaats, die hem onder de groote staatsmannen toekomt. Intusschen is het onwedersprekelijk, dat hij een aantal bekwame generaals heeft gevormd, die in den Spaanschen erfopvolgingsoorlog menige zege behaalden. Veldslagen gewonnen heeft hij bijna niet. Zijn talenten kwamen vooral uit, wanneer hij, òf op zijn meesterlijke aftochten, òf na de nederlaag onwrikbaar stand houdende, den vijand zooveel ontzag wist in te boezemen, dat hij hem niet verder durfde aantasten.

Het groote gezag, dat Willem in de Nederlanden had, heeft hij gebruikt, ten einde de hinderpalen, die hij nu en dan in de leiding der Republiek op zijn weg ontmoette, op zoodanige wijze uit den weg te ruimen, dat hij de regenten zoo goed als afhankelijk van zich maakte. Onwrikbaar stond hem in zijn pogen de raadpensionaris Fagel ter zijde, wien, evenals aan de latere opvolgers van Johan de Witt, gemeen overleg met den stadhouder tot plicht was gesteld. Vanhier, dat men thans een samenwerking aanschouwde van stadhouder en raadpensionaris, zooals men nimmer had beleefd. In vele opzichten strookte het streven des stadhouders weinig met den aard eener republiek. Vele bewijzen zijn aanwezig, om het verwijt te staven, dat Willem III zich niet ontzag, op willekeurige wijze in te grijpen, wanneer dit met zijn plannen overeenkwam. Vele steden moesten ondervinden, dat de stadhouder zich niet te stipt aan haar voorrechten hield. Hier stelde hij nieuwe leden in de vroedschap, elders zette hij er leden uit.

Onder alles, dat Lodewijk XIV zich zoo ten aanzien van Europa, als van hemzelf veroorloofde, was er niets, dat Willem dieper krenkte, dan het wederrechtelijk in bezit nemen van het prinsdom Oranje (zie blz. 50). ’s Prinsen haat tegen Lodewijk deelde de meerderheid der natie, hoog ingenomen met de hervormde leer, vooral sinds haar uit Frankrijk vluchtende broeders, in de naaste jaren vóór 1685 en inzonderheid sedert dit jaar, hier te lande een veilige schuilplaats kwamen zoeken. Zeer edelmoedig ontving men deze vluchtelingen, réfugiés, in Nederland.

Lodewijk XIV was destijds niet de eenige vorst, die gevaarlijk werd geacht voor de hervormde kerk. Vele maatregelen van Jakob II, Engelands koning, hadden dezelfde strekking (Overzicht, 9e druk, blz. 157). Van ’t oogenblik af, dat hij den troon besteeg, hield Willem den blik onafgebroken gevestigd op den toestand van dit rijk. Met vele aanzienlijke Engelschen stond hij in briefwisseling. De vroedschappen der steden van de verschillende provinciën stemden erin toe, den prins met ’s lands zee- en landmacht te ondersteunen. Middelerwijl had d’Avaux, Lodewijks gezant in de Nederland, zijn vorst bekend gemaakt met de groote toerustingen der Republiek en hem medegedeeld, dat zij, naar hij vermoedde, op Engeland doelden. Lodewijk draalde niet, Jakob II er een wenk van te geven; maar deze vorst sloeg de waarschuwing in den wind. Toen het ten laatste onwedersprekelijk was, dat de prins Engeland op ’t oog had, was het te laat en moest Jakob zijn lot afwachten. In November 1688 legde de vloot, ten aanschouwen eener groote menigte volks, welke zich op de kusten van Engeland en Frankrijk verdrong, in de haven van Torbay (aan de z. kust, ten o. van Plymouth) aan. Onmiddellijk trok Willem naar Londen. Jakob vluchtte naar Frankrijk, en in 1689 werden Willem en Maria als koning en koningin van Groot-Britannië uitgeroepen. Nog voordat Willem de kroon op zijn hoofd zette, verloor hij zijn vriend, den raadpensionaris Fagel, die veel had gedaan, om ’s lands regenten gunstig voor het ondersteunen des stadhouders te stemmen. In plaats van Fagel kwam in 1689 Antonie Heinsius.

Tot het welslagen der onderneming droeg dit veel bij, dat Lodewijk in 1688 en 1689 achtereenvolgens aan de boven genoemde bondgenooten (zie blz. 132), alzoo ook aan Nederland, den oorlog verklaarde. Zóó begon de negenjarige oorlog. Tegen zijn verwachting had Lodewijk thans nog één vijand meer te bestrijden, n.l. Engeland. De mogendheden bekrachtigden hun vereeniging in 1690 door het Weener verbond. Het leger der Republiek streed met het krijgsvolk der bondgenooten in de Zuidelijke Nederlanden. Hier won Luxembourg in 1692 op Willem III, opperbevelhebber van de gezamenlijke troepen der bondgenooten, den slag bij Steenkerken (in ’t n. van Henegouwen, ten n.w. van Senef), in 1693 dien bij Landen en Neerwinden (in ’t n.w. van Luik). Deze nadeelen werden eenigermate vergoed door de schitterende zege, die de Nederlandsch-Engelsche vloot onder Almonde en Russel in 1692 bij la Hogue (in ’t n.w. van Normandië, aan ’t Kanaal) op den Franschen admiraal Tourville behaalde. Hoewel de koning van Frankrijk over ’t geheel met geluk streed, deden de uitputting zijns lands en nieuwe ontwerpen bij hem begeerte naar rust ontstaan. Zoo sloot hij in 1697 den vrede van Rijswijk (tusschen den Haag en Delft). Lodewijk erkende Willem III als koning van Engeland en stond hem het prinsdom Oranje weer af.

Aan de Republiek bracht het geen voordeel, dat hij, die stadhouder van de meeste harer gewesten was, de eer verwierf, een kroon te mogen dragen, die weldra bleek voor hemzelf een doornenkroon te zijn. Zij ging gebukt onder den druk van ’t verbond met Engeland en was binnen kort te vergelijken bij een sloep, voortgesleept door een linieschip. Haar handel leed op nieuw een grooten schok. Dadelijk, in ’t begin van den oorlog, werden vele Nederlandsche koopvaardijschepen, die men wegens de geheimhouding, waarmede de toeleg op Engeland werd behandeld, niet had kunnen waarschuwen, in Frankrijk aangehouden. Tevergeefs vleide men zich met de hoop, dat Willem iets zou doen tot intrekking of verzachting van de akte van navigatie. De nadeelen, den handel toegebracht, werden niet vergoed door de ruim zeven millioenen, die Engeland in 1689 en volgende jaren, als schadeloosstelling voor de kosten van den overtocht, aan Nederland betaalde.

Even vóór het einde van den negenjarigen oorlog, in 1696, stierf een van de veldmaarschalken der Republiek, die in den slag bij Landen en Neerwinden wakker had medegestreden, de stadhouder van Groningen, Friesland en Drente, Hendrik Kasimir II (zie blz. 131). Zijn zoon Johan Willem Friso (1696-1711) volgde hem in Groningen en in Friesland op onder regentschap zijner moeder Amalia van Anhalt-Dessau, een kleindochter van Frederik Hendrik en dochter van Johan George II, vorst van Anhalt-Dessau, terwijl Drente aan Willem III het stadhouderschap opdroeg. Voor ’t overige werd de betrekking, waarin Nederland reeds sedert lang tot Rusland stond, in dezen tijd nauwer door een persoonlijk bezoek van Peter, den keizer aller Russen en eersten hervormer zijner natie op groote schaal (Overzicht, 9e druk, blz. 160, 161). Eenige dagen hield hij zich in 1697 te Zaandam op en timmerde te Amsterdam op de werf een geheel schip af. Later hervatte de alleenheerscher van het groote rijk het bezoek in 1717. Zonder overdrijving mocht Nederland zich beroemen, op die wijze een gunstigen invloed te oefenen op Ruslands ontkiemende beschaving.

Het werd weldra duidelijk, dat Lodewijk juist geen duurzamen vrede beoogde en welke bedoelingen hij nog in ’t schild voerde. Hij wendde zich tot Engeland en tot de Nederlanden, hun voorslaande, zonder den keizer (Overzicht, 9e druk, blz. 151) erin te kennen, met hem een verdrag te sluiten, waarin zou worden vastgesteld, op welke wijze de landen der Spaansche kroon te verdeelen bij den dood van den koning van dit rijk, Karel II, die elk oogenblik tegemoet werd gezien. Metterdaad kwamen er achtereenvolgens twee dergelijke verdragen tot stand. Leopold echter sloot zich er niet bij aan, en nog veel minder Karel II zelf, bij wiens dood (den 1sten Nov. 1700) men een testament vond, dat Philips van Anjou, den tweeden zoon van den dauphin, tot eenigen erfgenaam der kroon van Spanje verklaarde. Bij de gewichtige vraag, die deze verdragen trachtten te beslissen, had Willem III, de voorvechter van Europa’s vrijheid, alleen het evenwicht der staten en ’t behoud der rust van dit werelddeel op het oog. Als hoofd der zeemogendheden, Engeland en de Nederlanden, meende hij, dat het deze staten, bij de groote macht, die èn het huis Habsburg, èn Bourbon bezat, niet onverschillig kon zijn, wie de bezitter der Spaansche monarchie werd. Intusschen begaf zich Philips van Anjou, als koning Philips V, in 1701 naar zijn koninkrijk Spanje.

Keizer Leopold, die den nieuwen koning niet wilde erkennen, rustte zich dadelijk ten oorlog. Weldra vond hij steun bij het groote of Haagsche verbond in 1701, dat hij met Engeland en de Nederlanden sloot en bij hetwelk zich ook Frederik I van Pruisen, het Duitsche rijk, Portugal en Savoye voegden. Willem III was niet bestemd, zelf den oorlog mede te voeren. Eer die krijg nog recht was uitgebroken, leden de bondgenooten in Maart 1702 door zijn overlijden het zwaarste verlies, dat hen kon treffen. Vóór zijn dood had Willem III pogingen aangewend, om den stadhouder van Friesland, Johan Willem Friso, te doen verkiezen tot opvolger in de waardigheden, die hij hier te lande bekleedde. Maar ziende, dat de staten der gewesten hiertoe niet overhelden, had hij zijn bemoeiingen gestaakt. Terstond na Willems dood gaven de staten van Holland in de vergadering der Staten-Generaal te kennen, dat zij het voornemen hadden, de aangelegenheden te laten, zooals zij waren, en de staten der vier overige gewesten, alsmede die van Drente, volgden hun voorbeeld. Men liet de hooge ambten onvervuld, en de zaken der regeering werden in de vijf provinciën teruggebracht op den voet van 1651.

De oorlog, door Lodewijks toedoen ontbrand, werd gevoerd in Italië, Duitschland, de Zuidelijke Nederlanden en Spanje. Het getal van ’s konings uitstekende veldheeren was zeer afgenomen. Daarentegen stond aan den kant der bondgenooten een rij van groote mannen: John Churchill, graaf, daarna hertog van Marlborough (in Devonshire, in ’t z. van Engeland); Eugenius van Savoye, Leopolds veldheer, en Antonie Heinsius. Deze mannen noemt men, wegens hun gemeenschappelijke leiding der zaken, het driemanschap in dezen oorlog. Het aandeel, dat de Nederlanders aan den oorlog namen, bepaalde zich tot de verrichtingen ter zee en in de Spaansche Nederlanden. In 1704 nam de Engelsche admiraal Rooke, bijgestaan door de vloot der Nederlanden onder den luitenant-admiraal Callenburgh, bijna zonder slag of stoot het onneembare, maar toen slecht bewaakte Gibraltar in. Koningin Anna (Overzicht, 9e druk, blz. 157) verklaarde, over deze verovering te willen beschikken in gemeenschappelijk overleg met de Staten-Generaal; doch in strijd met deze uitdrukkelijke belofte en in weerwil dat de stad was genomen in naam van aartshertog Karel, Leopolds tweeden zoon, eigende Engeland zich haar stilzwijgend toe.

Wat den oorlog te lande betreft, voegden zich de Nederlandsche troepen bij het leger, dat in de Zuidelijke Nederlanden stond en waarover Marlborough het bevel voerde. Aan ’t hoofd van de krijgsbenden der Republiek stond o. a. Johan Willem Friso. Schitterend was de reeks der veldslagen. Marlborough versloeg in 1706 Villeroi bij Ramillies (in ’t z.o. van Zuid Brabant). Marlborough en Eugenius wonnen in 1708 den slag bij Oudenaarde (in Oost-Vlaanderen aan de Schelde) op Vendôme en op den jongen hertog van Bourgondië, den oudsten zoon van den dauphin, en in 1709 dien bij Malplaquet (nabij Mons) op Villars. Hierop werden de Spaansche Nederlanden allengs geheel veroverd.

Intusschen had Lodewijk XIV, Marlborough en Eugenius terecht voor afkeerig van den vrede houdende, zich reeds eenige malen in dien zin tot Heinsius gewend, maar vruchteloos. In 1709 geschiedde de aanvraag om vrede van Lodewijks kant met meer aandrang dan ooit. Doch toen de overwinnaars hun eischen al hooger stelden, werden de onderhandelingen afgebroken. Hierop volgde de slag bij Malplaquet. De onderhandelingen, in 1710 nogmaals te Geertruidenberg hervat, voerden wederom tot niets. Zij werden gestaakt, omdat de bondgenooten hun eischen nog in zoo verre verzwaarden, dat zij vorderden, dat de grijze Lodewijk zelf zijn kleinzoon, des noods met geweld, zou onttronen en dwingen, Spanje te verlaten. Maar plotseling kwam er een wending in den loop der gebeurtenissen. Juist toen de gezichteinder voor Lodewijk met steeds dreigender wolken betrok, brachten twee onverwachte gebeurtenissen hem redding aan. De eene was de vroegtijdige dood van Jozef I, keizer van Duitschland, Leopolds zoon en opvolger, wien zijn eenige broeder, Karel VI, in 1711 opvolgde. Nu drongen de zeemogendheden er niet langer op aan, dat men den beheerscher van zoovele landen nog de Spaansche monarchie zou toevoegen. De andere was de terugroeping van Marlborough en de val van het whig-ministerie, waarvan hij de ziel was. Het voor de whigs in de plaats komende tory-ministerie hield den oorlog voor strijdig met Engelands belangen en knoopte dus onderhandelingen met Frankrijk aan.

Intusschen verloren de Nederlanden nog vóór het einde van den oorlog een hunner veldheeren. Johan Willem Friso, in 1711 uit de legerplaats naar ’s Gravenhage willende gaan, om, ter zake van de erfenis van Willem III, een bijeenkomst te houden met zijn mede-erfgenaam, den koning van Pruisen, verdronk in Juli van dat jaar door ’t omslaan der schouw of pont aan den Moerdijk (tusschen Willemstad en Geertruidenberg), nog slechts vier-en-twintig jaren oud zijnde. Zijn gemalin, Maria Louise, een dochter van Karel, landgraaf van Hessen-Kassel, bracht kort daarna een zoon ter wereld, Willem Karel Hendrik Friso. In 1712 kwamen de gezanten der oorlogvoerende mogendheden te Utrecht bijeen, om te pogen tot een vrede te geraken. In April 1713 werd de vrede onderteekend, behalve door de gezanten van Karel VI, die eerst in ’t volgende jaar (Overzicht, 9e druk, blz. 155) een einde maakte aan den oorlog. Philips V behield Spanje en zijn bezittingen buiten Europa. De Nederlanden verwierven een voordeelig verdrag van handel en inkomende rechten. Ook dit moet als een voordeel voor de Republiek worden aangemerkt, dat het groote doel, waarom zij aan den oorlog had deel genomen, bij den vrede werd bereikt, daar de Zuid-Nederlandsche gewesten niet aan Frankrijk, maar aan Oostenrijk kwamen. Alsof dit evenwel niet genoeg ware tegen Frankrijks gevreesde nabijheid, verkreeg zij, om haar tot voormuur tegen de aanvallen van dit rijk te dienen, de barrière, die haar het recht gaf, in Namen, Doornik, Meenen, Warneton, Yperen, Veurne en het fort Knokke bezetting te leggen, terwijl mede werd bepaald, dat in de stad Dendermonde gemengd garnizoen, d. i. half Oostenrijksch, half Staatsch, zou liggen. Het verdrag over de barrière kwam den 16den November 1715 tot stand. Het prinsdom Oranje, hetwelk de Staten-Generaal uit de nalatenschap van Willem III aan Frederik Willem I, koning van Pruisen (Overzicht, 9e druk, blz. 163), hadden toegekend, ging, tegen schadeloosstelling vanwege den koning van Frankrijk, aan dit rijk over.

§29.

Blik op den toestand des lands in de laatste helft der 17de en in ’t begin der 18de eeuw.

Verbazend was de inspanning, die een staat van zulk een beperkt grondgebied als de Vereenigde Gewesten zich in den nu geëindigden oorlog had getroost ter wille eener zaak, die meer geheel Europa, dan de Nederlanden betrof. Die oorlog vermeerderde de schuld der Republiek met 350 millioen. Aan de dure offers waren de voordeelen, die de vrede schonk, niet geëvenredigd. Maar de wil van Willem III alleen had de buitenlandsche staatkunde der Republiek bestuurd. Voor de leidende gedachte zijns levens, de man te moeten zijn, die zich tegenover Lodewijk XIV stelde, moesten de belangen der Republiek achterstaan. Zoolang Willem III leefde, had antonie heinsius (zie blz. 135) hem getrouw ter zijde gestaan. Hij was een man van een welwikkend oordeel, onverdroten ijver en bezadigde handelwijze, wiens blik tot de kern der zaken doordrong. Doch nauwelijks had Willem de oogen voor goed gesloten, of Heinsius, zijn denkbeelden naar de omstandigheden wijzigende, voegde zich naar de regeering, gelijk zij toen werd geregeld, en was in allen opzichte een wakker dienaar en voorganger der staten van Holland. Hij werd in den vollen zin des woords de zuil van ’t bewind, de hoofdpersoon der Republiek.

Niettegenstaande de schaduwzijde, zoo even aangevoerd, bekleedde de Republiek na den vrede van Utrecht steeds een eervolle plaats onder Europa’s aanzienlijke mogendheden. Zij bezat nog een uitgestrekten handel en aanmerkelijke volkplantingen. Nogtans was de handel niet meer, wat hij was geweest. Sinds 1672 was hij gedaald van het hooge standpunt, dat hij vroeger had bestegen. De navigatie-akte van het lange parlement (zie blz. 109 en 119) had hem den eersten knak gegeven. Inzonderheid brachten de oorlogen, geëindigd met de vredes van Nijmegen, Rijswijk en Utrecht, den handel groot nadeel toe. Behalve dat zij den staat tot groote uitgaven dwongen ter bestrijding der krijgskosten, legden zij een zwaren schuldenlast op de schouders der Nederlanders. Het gevolg was de instelling van vele nieuwe belastingen. Een andere oorzaak van het dalen van den Nederlandschen handel is, dat hij de oogen van de meeste der Europeesche volkeren opende, die, de rijkdommen ziende, welke hij aanvoerde, zich op haar beurt op dien tak van bestaan toelegden en allengs op die baan voortschreden. En hoewel nu de handel van Nederland zeer wel naast dien van andere landen kan bestaan, is het van den anderen kant zeker, dat geen natie den haren destijds uitbreidde, dan ten koste van dien der Republiek.

Gelijk de handel, begon ook de haringvisscherij sedert den aanvang der 18de eeuw af te nemen. De walvischvangst was reeds vroeger in verval gekomen. De Noordsche compagnie (zie blz. 43) hield in 1645 op te bestaan. Vele schepen waren in ’t ijs blijven steken of hadden zonder gunstig gevolg gevaren. Van het genoemde jaar af werd de walvischvangst door de ontbinding der Noordsche compagnie vrij en leefde, thans door kooplieden, ieder op zichzelf, gaande gehouden, weder eenigermate op. Zeer in ’t oog vallend was, sedert den vrede van Munster, de achteruitgang der fabrieken en manufacturen. Zooals bij den handel, was een hoofdoorzaak van dien achteruitgang te zoeken in de zich meer en meer onder de Europeesche volkeren verbreidende zucht, om door eigen fabrieken in hun behoeften te voorzien en de voortbrengselen van die van anderen te kunnen ontberen.

Voor de Oost-Indische compagnie opende zich met den vrede van Munster (zie blz. 99) een tijdperk van verhoogden luister. De eer hiervan komt, voor een goed deel, aan den gouverneur-generaal Johan Maatsuiker (1653-1678) toe, die langer dan iemand, voor of na hem, over de bezittingen der compagnie het bewind voerde. Op Ceylon eindigde de strijd, onder van Diemen (zie t. a. p.) aangevangen, met de geheele verdrijving der Portugeezen. Ook Negapatnam (op de kust van Coromandel, tegenover Ceylon) werd veroverd. Op Sumātra werd Palembang (op de z.o. kust) schatplichtig. Bovenal werd Makassar (in ’t z.w. van Celēbes) het tooneel van een roemrijken kamp voor de Nederlandsche compagnie, welker hulp door een der elkander op dat eiland bestrijdende vorsten werd ingeroepen. Cornelis Speelman stond aan ’t hoofd van de scheepsmacht der compagnie, die er, eenige jaren achtereen, oorlog voerde. Hij dwong den vorst van Makassar tot een verdrag, waarbij deze vorst zich verplichtte, de Portugeezen en de Engelschen uit zijn gebied te verwijderen en de compagnie den alleenhandel, vrij van tollen, toe te staan.

Één jaar voordat Maatsuiker het bewind aanvaardde, had zich een volkplanting der Nederlanders aan de Kaap de goede hoop gevestigd. De streek zelve was dit volk sedert langer dan een halve eeuw bekend. Menig Nederlandsch schip was de Tafelbaai binnengeloopen, om er ververschingen in te nemen; doch aan een blijvende vestiging had niemand gedacht. Het eerst kwam dit denkbeeld op bij Jan van Riebeek, een scheepsheelmeester, toen hij in 1648 met een vloot uit Indië naar het vaderland terugkeerde. De kamer van zeventienen (zie blz. 79) keurde het ontwerp goed, en in April 1652 stichtte van Riebeek er een volkplanting. Slechts één donkere partij is er in het schitterend tijdperk van Maatsuikers landvoogdij op te merken: zij is het verlies van Formōsa (zie blz. 80). In ’t midden der 17de eeuw werd de keizerlijke dynastie, die in Sina regeerde, van den troon gestooten. De Mantsjoe-Tartaren, een volk, ten n.o. van Sina wonende, overstroomden het groote rijk, en hun opperhoofd trok het bewind aan zich. Een der vele Sineezen, die zich tegen hem verklaarden en van het vasteland moesten wijken, was de zeeroover Coxinga, die met een groote vloot de zee onveilig maakte. Weldra zette hij koers naar Formōsa, ten einde dit eiland te veroveren. De Nederlandsche gouverneur van Formōsa, Coyet, verdedigde wakker de sterkte Zelandia met de weinige troepen, die hij had. Den predikant Hambroek, in ’s vijands macht gevallen, zond Coxinga erheen, om op een spoedige overgave aan te dringen. Hij ried het tegendeel, weshalve hij, naar Coxinga teruggekeerd, kort daarna, onder voorwendsel dat hij de Formosanen had opgeruid, werd gedood. Eindelijk gaf Coyet, na een langdurig beleg, in 1662 het kasteel op eervolle voorwaarden over.

In Maatsuikers tijd was nog maar een klein deel van Java in ’t bezit der Oost-Indische compagnie: Batavia met den naasten omtrek. Van de inheemsche vorsten van dit eiland waren die van Matāram (in ’t midden van Java) en van Bantam (zie blz. 78) de voornaamste. Een zijner opvolgers was Cornelis Speelman. Voortdurend won, sedert de eerste vestiging (zie blz. 79), het gezag der compagnie veld op Ternate, Tidor en de overige Molukken. In ’t laatst der 17de eeuw werd het Noorden van Celēbes geheelenal afhankelijk van de compagnie, in 1704 de Preanger landen, in 1741 het oostelijk gedeelte van Java, o. a. Soerabaya. In 1755 verdween de naam „Matāra” uit de geschiedenis. Hij werd vervangen door die der vorstenlanden, Soerakarta en Djokjokarta, beide onder ’t oppergezag der compagnie staande. Ruim twintig jaren later, in 1778, stond de sultan van Bantam de rechten van opperhoogheid, die hij op de westkust van Borneo had, aan de compagnie af. In al die onderworpen landstreken behielden de inlandsche vorsten, doorgaans onder den titel regenten, zoowel als hun stamhuizen, onder de opperheerschappij der compagnie hun rang en recht van opvolging. Hun werd, als leidsman en voogd, een Nederlandsch ambtenaar ter zijde gesteld, die den titel resident voerde. Tevens werd hun, ten bewijze hunner afhankelijkheid, de verplichte levering van deze of gene voortbrengselen van den grond opgelegd.

Het vermeesteren van landen en het bemachtigen van volkeren waren evenwel niet de grootste voordeelen, die de compagnie uit haar ondernemingen trok. Meer waarde hadden de winsten, welke haar de koophandel verschafte. In 1671 verheugde zij haar deelhebbers door een uitdeeling van 65 ten honderd. Bij de waren, welke de Oost-Indische vloten, retourvloten geheeten, Nederland toevoerden, kwam sinds den aanvang der 18de eeuw de Java-koffie, een vrucht, oorspronkelijk in Arabië te huis behoorende.

Al was het niet op groote schaal, toch breidde ook de West-Indische compagnie haar bezittingen langzamerhand uit. Zoo voegde zij bij hetgeen zij had (zie blz. 88) Berbice (in ’t n. van Zuid-Amerika, ten w. van Suriname). Hoewel tot de West-Indische compagnie gerekend, was Berbice het bijzonder eigendom van eenige Amsterdamsche kooplieden en stond onder hun beheer. Gelijk Berbice en Suriname, was Essequībo (ten w. van Berbice) haar ontstaan aan Zeeuwen verschuldigd. Reeds in het begin der 17de eeuw hadden zij er een volkplanting. Van haar ging de kolonie Demerary (tusschen Berbice en Essequībo) uit. Beide stonden alleen onder de kamer Zeeland der West-Indische compagnie. Van Suriname’s (zie blz. 119) eigendom stond deze compagnie een deel af aan Amsterdam. In weerwil van deze aanwinsten bleek het, sinds het verlies van Brazilië (zie blz. 92, 93), dat het lot der West-Indische compagnie moest zijn, even spoedig te vervallen, als zij zich had verheven. Weldra was zij niet meer in staat, eenige uitdeeling te doen of slechts eenige p. c. rente te betalen, weshalve de Staten-Generaal ze in 1674 ontbonden. Reeds in 1675 verrees een nieuwe compagnie, waaraan de Staten-Generaal octrooi verleenden. Het getal der bewindhebbers werd op 53 gebracht, de generale vergadering tot op 10 leden verminderd en daarom de vergadering van tienen geheeten. Het ging de nieuwe maatschappij nog ongelukkiger, dan de vorige. Haar uitdeelingen, die schier nimmer het cijfer van 5 ten honderd overschreden, bleven doorgaans lager.

Van de compagnieën keeren wij tot den staat zelf terug. Reeds meermalen is gebleken, dat de soort van eenheid van den gevestigden staat, welke er nog bestond, dikwerf dreigde teniet te gaan door den strijd, dien de staten der gewesten bij herhaling tegen den band der unie voerden. Naast dien strijd ontstond allengs een tweede tusschen de staten der gewesten zelven en de leden, waaruit zij waren samengesteld. Van die leden waren de vroedschappen der steden de talrijkste en de voornaamste. Groot was de macht dezer vroedschappen. De groote macht, waarover de stedelijke overheidspersonen beschikten, deed de begeerte bij hen opkomen haar te behouden en ze op hun verwanten te doen overgaan. Zoo zag men de waardigheid van lid der vroedschap van lieverlede zoo goed als erfelijk worden en onder de hand van die raden uitsluiten al wie niet tot de regeerende familiën behoorde. De gewoonte van ’t aangaan van dergelijke overeenkomsten, waarbij de leden van zulke familiën zich verbonden, om elkander, hun verwanten en vrienden op het kussen te helpen, was in ’t midden der 18de eeuw vrij algemeen. De overeenkomsten zelven noemde men veelal correspondentiën. Naar men meent, zal het eerste verdrag van dien aard reeds in 1652 te Zierikzee zijn gesloten.

De kracht en de oorspronkelijkheid van Nederland verzwakten. Dit zag men ook op het veld der letterkunde en op het gebied der schoone kunsten. Vermaarde schilders kwamen minder voor. Wat de letteren aangaat, er waren schrijvers, verdienstelijke schrijvers zelfs; doch het waren meerendeels navolgers van de grootsche gestalten, waarop vroeger (zie blz. 101 vlg.) werd gewezen. Vondel werd b. v. nagestreefd door Antonides van der Goes, afkomstig uit Goes en in 1684 overleden, die in zijn Ystroom de reeks der Nederlandsche stroomdichters opende. Dit gedicht, dat tot de beschrijvende soort behoort, bezingt den lof van het Y en heeft alzoo den roem van Amsterdam tot onderwerp. Meer en meer oefende de Fransche letterkunde een doodenden invloed op de oorspronkelijkheid der Nederlanders, al verruimde zij van den anderen kant hun denkbeelden. Slechts Justus van Effen (overleden in 1735) handhaafde in zijn Hollandsche spectator de eischen van een zuiveren en lossen Nederlandschen stijl, tevens de nationale ondeugden en gebreken van zijn tijd bestrijdende.

Zin voor wetenschap bleef den Nederlanders evenwel eigen. In de natuurkunde verwierf o. a. Christiaan Huygens, Constantijns (zie blz. 102) zoon, de uitvinder der slingeruurwerken (overleden in 1695), grooten roem. Een Europeeschen naam had Herman Boerhaave, hoogleeraar in de geneeskunde te Leiden (overleden in 1738), tot wiens lessen honderden studenten uit verschillende landen toestroomden.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings