§ 13.
Reading edition
De Nederlanden gedurende het bewind van Requēsens en van Don Jan van Oostenrijk.—De unie van Utrecht.
Alva’s opvolger was Don Louis de Requēsens. Hij was gematigd en van een geheel anderen aard dan zijn voorganger, zonder echter in de hoofdpunten een tegenovergesteld gevoelen te zijn toegedaan. Het eerste nadeel, dat hij ondervond, was dat Middelburg werd genoodzaakt zich in 1574 aan den prins over te geven. Hierop volgde echter de voor Nederland noodlottige slag op de Mookerheide of bij Mook (ten z. van Nijmegen), waar Lodewijk van Nassau met zijn broeder Hendrik omkwam. De eenige gunstige uitwerking, die Lodewijks inval teweeg bracht, was deze, dat de Spaansche troepen, die het beleg voor Leiden hadden geslagen, vandaar trokken, om bij Mook mede te strijden. Doch onmiddellijk na den slag werd het beleg hervat. In weerwil van de tegenwerking veler flauwhartigen werd de stad wakker verdedigd door Jan van der Does, den standvastigen burgemeester Pieter Adriaansz. van de Werff en anderen. Toch was de hongersnood reeds op ’t hoogst geklommen en zou de stad zijn bezweken, indien men niet de dijken had doorgestoken en de sluizen opengezet. In de eerste dagen van October 1574 blies de wind uit het n.w. en vervolgens uit het z.w. Nu drongen de wateren van den oceaan met onweerstaanbaar geweld landwaarts in en dreven de belegeraars op de vlucht. De 3de October was de dag van ’t ontzet. Een vloot met levensmiddelen voer Leiden binnen en verzadigde de hongerenden. Tot belooning voor haar volharding verwierf de stad o. a. in ’t volgende jaar een hoogeschool, die de prins en de staten haar uit naam van Philips schonken, want men hield zich nog steeds aan den ouden vorm en bestreed Philips’ benden in naam van hemzelf.
Inmiddels sloeg Requēsens het beleg voor Zierikzee, doch mocht het einde dier onderneming niet beleven. Hij stierf in 1576. Bij gebrek aan eenige beschikking aanvaardde de raad van state, na Requēsens’ dood, het bewind over de getrouw gebleven staten. Omtrent terzelfder tijd hield de raad van beroerte, die gedurende de regeering van Requēsens meer gekwijnd dan geleefd had, geheel op te bestaan, Weldra had de raad van state met onoverkomelijke bezwaren te worstelen. Zierikzee ging bij verdrag in handen der Spanjaarden over; maar onmiddellijk daarna stonden de Spaansche troepen, die op Schouwen lagen, op en eischten betaling van de sedert lang achterstallige soldij. Dicht ineengesloten, rukten zij met die officieren, welke het met hen eens waren, uit Zeeland naar Brabant. Waar zij kwamen, plunderden zij de kleine steden en stroopten het platteland af. Terwijl de staten der Zuidelijke Nederlanden nu begrepen, op niemand dan op zichzelven te moeten rekenen, was de muiterij der soldaten voor Willem een hefboom van onberekenbaar gewicht. Op zijn aanvraag kwamen de afgevaardigden uit het meerendeel der Zuidelijke gewesten te Gent bijeen, ten einde een verbond te sluiten met Holland en Zeeland. Te midden van het raadplegen dezer gemachtigden of der Algemeene Staten richtten de Spaansche soldaten, van alle kanten te Antwerpen bijeengeschoold, in deze stad een tooneel van moord en plundering aan, gruwelijker dan nog ergens was aanschouwd. De daad zelve, als het toppunt aller gruwelen, door dat krijgsvolk aangericht, noemt men de Spaansche furie. Zij oefende een krachtigen invloed op de beraadslagingen der staten. Den 8sten November was het stuk gereed, bekend onder den naam pacificatie of bevrediging van Gent. Het stelde een vereeniging vast tusschen de Noordelijke en de Zuidelijke Nederlanden, waarbij men overeenkwam, om de Spaansche soldaten den lande uit te drijven en zich later op het stuk van godsdienst onderling te verstaan.
Vier dagen vóór de afkondiging van het Gentsche verdrag overschreed de man, dien Philips II tot opvolger van Requēsens had benoemd, de grenzen van Nederland en kwam te Luxemburg aan. Het was Philips’ bastaardbroeder, Don Jan van Oostenrijk (zie blz. 48). Reeds had hij, hoe jong ook, schitterende lauweren behaald in de oorlogen tegen de Mooren en de Turken (Overzicht, 9de druk, blz. 140) en spiegelde zich van de toekomst een nog luisterrijker tijdperk voor. De aanvang beantwoordde niet aan die verwachting. Want de Algemeene Staten gaven hem welhaast te kennen, dat zij, niet dan op zekere voorwaarden, hem als landvoogd konden erkennen. De gestelde eischen willigde Don Jan in bij een verdrag, gesloten in Februari 1577 en het eeuwig edict geheeten. Hierbij werd de pacificatie bekrachtigd en de wegzending der vreemde troepen beloofd.
Van een bewind van den nieuwen landvoogd, in den eigenlijken zin, kan geen sprake zijn. Tevergeefs trachtte hij ook Willem, die volstrekt geen vertrouwen in hem stelde en zich, met Holland en Zeeland, zorgvuldig hoedde het eeuwig edict te onderteekenen, voor de zaak des konings te winnen. Eensklaps wierp hij in 1577 het masker der lijdelijke houding, dat hij tot dusver had gedragen, af door op zekeren dag in persoon het slot te Namen te verrassen en er zich te vestigen. Naar hij zeide, wilde hij zich beveiligen tegen de plannen, die men tegen hem smeedde. Aan de Algemeene Staten scheen het toe, dat hij hierdoor alle recht had verbeurd om met eenig gezag in de zeventien gewesten op te treden.
Terwijl Don Jan op die wijze al zijn macht verloor, of liever niet tot de oefening der macht kon geraken, groeide die van Willem steeds aan. Hij werd uitgenoodigd te Brussel te komen, en, door den invloed van den derden stand, tot ruwaard van Brabant benoemd. De reden dier benoeming was hierin gelegen, dat de zetel der regeering ledig stond. Deze toenemende invloed van den prins ook op de zaken van het Zuiden verbitterde de edelen dier landstreek. Zij waren het, die, in den waan aan Oranje een doodelijken slag toe te brengen, den jeugdigen aartshertog van Oostenrijk Matthīas (Overzicht, 9de druk, blz. 130) in het land riepen. Toen toonde Willem, hoe groot zijn meerderheid van geest was. Hij verzette er zich niet tegen, dat de Algemeene Staten Matthīas in ’t begin van 1578 tot landvoogd benoemden, maar onder zulke voorwaarden, dat hij niets vermocht. Terecht noemde het volk Matthīas ’s prinsen griffier, want zijn werkzaamheid bepaalde zich tot het onderteekenen van stukken. Intusschen hadden de Algemeene Staten uitdrukkelijk verklaard, dat zij Don Jan niet langer als landvoogd erkenden.
Bij alle wisseling van gebeurtenissen bleef Willem van Oranje verdraagzaamheid jegens andersdenkenden in ’t stuk van den godsdienst voorstaan. Zelf was hij aan ’t hof van Karel V in den Roomsch-katholieken godsdienst opgebracht. Dien bleef hij, voor het uiterlijk, getrouw tot 1573, toen hij tot de hervormde kerk, naar de begrippen van Calvijn, overging. Maar zijn geheele leven door was hij een vurig voorstander van de verdraagzaamheid. De dag was echter nog evenmin aangebroken voor het betoonen eener ware verdraagzaamheid, als voor een vereeniging van het Noorden en het Zuiden. Dit bewijzen de gebeurtenissen der jaren 1578 en 1579. Het jaar 1578 werd geopend met de aankomst van den hertog van Parma, Alexander Farnese, een zoon van Margareta (zie blz. 48). Welhaast vond hij, die een niet minder ervaren staatsman dan veldheer was, een geschikte gelegenheid om Henegouwen, Artois, Douai (ten n.o. van Atrecht) en een paar andere steden uit de Zuidelijke Nederlanden tot terugkeer onder ’s konings gezag te nopen. Reeds in Januari 1579 verklaarden zij zich hiertoe bereid en sloten een paar maanden later het verdrag van Atrecht, waarbij zij zich op nieuw aan de Spaansche heerschappij onderwierpen. Dien gunstigen keer der Spaansche zaak beleefde Don Jan niet meer. Hij stierf in October 1578. Terstond bij zijn verscheiden rees er argwaan van vergiftiging en vermoedde men, dat de misdaad op last van Philips was bedreven. Echter is het feit nimmer bewezen. Alexander Farnese trad onmiddellijk als Don Jans opvolger op.
Hoe langer hoe meer werd het zichtbaar, dat de kracht van den opstand hoofdzakelijk of bij uitsluiting in het Noorden moest worden gezocht. Geheel deze streek stond tegenover Spanje in de wapens. Er ontbrak slechts een verbond, om dezen toestand duurzaam te maken. Maanden lang werd hierover onderhandeld. In Januari 1579 kwam er een einde aan de overwegingen. Den 22sten en den 23sten dier maand werd de beroemde unie van Utrecht gesloten en geteekend, de grondslag van dezen staat, een vereeniging ten eeuwigen dage tusschen de Noordelijke gewesten, als waren zij maar één landschap, tot onderlingen bijstand tegen alle geweld en den gemeenen vijand. Zij werd geteekend door Willems broeder Jan, haren ontwerper, Holland, Zeeland (met uitzondering van Middelburg), Utrecht, de Ommelanden en een deel van Gelderland. In Mei teekende Willem; de overige deelen van Gelderland volgden in 1579 en 1580. Drente voegde zich, ofschoon het er slechts kort bij bleef, in April 1580 bij de unie, Overijsel in 1591. Friesland sloot zich, van 1579 tot 1598, bij gedeelten bij de unie aan. De stad Groningen, die niet toetrad, werd in 1594 door Maurits tot de unie gebracht. Eindelijk voegden zich nog eenige Zuid-Nederlandsche steden, als Antwerpen, Gent, Brugge, bij de unie.
De unie van Utrecht werd de hoeksteen van de Nederlandsche Republiek. Hoewel zij het geenszins was, werd zij later, toen de onafhankelijkheid van den staat was verzekerd, aangemerkt als de grondwet van het bondgenootschappelijk staatsgebouw, echter niet zonder afwijking en onuitgevoerde bepalingen. De hoofdinhoud der unie komt op het volgende neer. Elk gewest zal zijn voorrechten behouden; zijn onafhankelijkheid blijft ongeschonden. Ter bestrijding van de kosten van ’s lands verdediging zullen op eenparigen voet belastingen worden geheven. Over zaken, de Generaliteit betreffende, mag geen bestand of vrede gesloten, noch oorlog begonnen, verder geen belasting over alle gewesten uitgeschreven worden, dan met eenstemmig goedvinden der gewesten. Kunnen de leden het over deze punten niet eens worden, dan zal de zaak worden onderworpen aan de uitspraak van de stadhouders der gewesten. In andere stukken zal de meerderheid beslissen. Uit de mannelijke ingezetenen dezer landen, tusschen de achttien en de zestig jaren oud, zal een krijgsmacht worden samengesteld.—Op verre na niet alle artikels der unie werden evenwel nageleefd, b. v. dat omtrent de belastingen, de krijgsmacht, enz.