← Table of contents
Beknopte geschiedenis van het vaderland

§ 30.

Reading edition

Het stadhouderschap van Willem IV.

In de beide laatste oorlogen had Nederland een overspannen rol gespeeld. Als kampvechter voor Europa’s algemeene belangen had het meer gedaan, dan een kleine Republiek op den duur kon volhouden. Van nu aan namen vele regenten in de Zeven Gewesten zich voor, een anderen weg te bewandelen. De overweging, dat men tot dusver te veel had gedaan, voerde thans dikwerf tot het te weinig doen. Het werd van lieverlede het hoofdstreven der Republiek, zich veilig wanende achter haar barrière, zooveel mogelijk het deelnemen aan oorlogen te vermijden. Vanhier, dat de Europeesche mogendheden, geheel anders dan in vroegere tijden, weldra zonder Nederland onderhandelden en bij de samenkomsten harer gezanten niet zelden besluiten namen ten nadeele van Nederlands belangen. In plaats van te hechten aan een rechtmatigen invloed, was men er in ’t vervolg in de Republiek op uit, zich binnen een zoo nauw mogelijken kring te beperken. Voor land- en zeemacht droeg de regeering de noodige zorg niet langer, geenszins gedachtig aan het spreekwoord: „zoo gij den vrede wilt, bereid u ten oorlog” Millioenen verloren de Nederlandsche kooplieden door de kaapvaart der Algerijnen, met wier dey de Republiek eerst in 1726 vrede sloot.

Het kon niet anders, of de Republiek moest, in weerwil van haar zoo even aangeduid streven, van tijd tot tijd worden gemengd in vele der verwikkelingen, welke Europa’s staatsmannen in de eerste helft der 18de eeuw hadden op te lossen. Zoo teekende zij in 1731 de pragmatieke sanctie (Overzicht, negende druk, blz. 164), en wel niet dan onder voorwaarde, dat keizer Karel VI de Oost-Indische maatschappij, die hij te Ostende had opgericht, ophief. De Staten-Generaal toch beweerden, dat deze maatschappij geen recht van bestaan had, omdat de keizer de Zuidelijke Nederlanden bezat op den voet, vastgesteld bij den vrede van Munster. Onder de voorwaarden nu van dien vrede was er een (zie blz. 96), waaruit, volgens hen, voortvloeide, dat, vermits de Zuidelijke Nederlanden op het tijdstip van het sluiten van dien vrede niet op de Indiën voeren, zij thans evenmin aan die vaart mochten deel nemen.

In 1720 overleed de raadpensionaris Heinsius. Een zijner opvolgers was, sedert 1727, Simon van Slingelandt. Deze schrandere man schonk eenigermate den ouden duister terug aan het gewichtige ambt, hetwelk, voor een goed deel, zijn glans ontleende aan voorgangers, als Oldenbarnevelt en de Witt. Gedurende de negen jaren, waarin hij de leidsman der staten van Holland was en dit gewest ter Staten-Generaal mede vertegenwoordigde, deed hij vele pogingen, om de gebreken, die zijn heldere blik had doorzien, uit den weg te ruimen. Maar het was hem niet gegeven, zijn denkbeelden tot daden te zien rijpen. De stem der vaderlandsliefde en van het doordringend verstand stiet af op den muur der zelfzucht en eigenbaat. Toen hij in 1736 stierf, zeide de gezant van Portugal te ’s Gravenhage: „Nu heeft de Republiek haar hoofd verloren.”

Inmiddels was langzamerhand het getal toegenomen der waardigheden, opgedragen aan den spruit uit het huis van Nassau, den zoon van Johan Willem Friso (zie blz. 139), Willem Karel Hendrik Friso. Dadelijk bij zijn geboorte als erfstadhouder van Friesland erkend, werd hij in 1718 stadhouder van Groningen, in 1722 van Drente en van Gelderland. In 1732 werd de zaak der erfenis van Willem III (zie blz. 140) beslecht. Met uitzondering van eenige bezittingen, die aan Frederik Willem I, koning van Pruisen, werden toegewezen, erlangde Willem Karel Hendrik Friso alle heerlijkheden, op Nederlands bodem gelegen. Bij hetzelfde verdrag, hetwelk dit vaststelde, stond de prins het prinsdom Oranje aan den koning van Pruisen af, dat deze vorst trouwens, als zich gerechtigd achtende, reeds in 1713 (zie t. a. p.) aan de Fransche kroon had overgegeven. Den titel behield Willem Karel Hendrik Friso zich echter voor. Kort na deze beschikking, in 1734, trad de stadhouder van Friesland, Groningen, Drente en Gelderland in het huwelijk met Anna, de oudste dochter van George II, koning van Engeland. Eenige jaren later verkreeg hij bij erfenis en verdrag eenige streken van Nassau in Duitschland, Dillenburg en andere.

In weerwil van het streven der Staten-Generaal om zich in de geschillen, die nu en dan tusschen de hoven van Europa opkwamen, onzijdig te houden, was het hun niet mogelijk, zich te onttrekken aan een der Europeesche oorlogen, die in 1740 losbarstte. Nauwelijks was de keizer van Duitschland, Karel VI, gestorven, of zijn dochter, Maria Theresia, had een groot aantal vijanden het hoofd te bieden (Overzicht, blz. 164). Onmiddellijk zocht zij hulp bij de mogendheden, die zich hadden verbonden tot het handhaven der pragmatieke sanctie. De Staten-Generaal begonnen met, evenals Engeland, hulpgelden te geven. Vervolgens ondersteunden zij de koningin van Hongarije met krijgsvolk. De koning van Frankrijk, Lodewijk XV, nam dit zeer euvel op en deed in 1747, na de slag van Fontenai (Overzicht, blz. 165) te hebben gewonnen, een inval op ’t grondgebied der Republiek, allereerst in Staats-Vlaanderen.

Sinds de oorlog was uitgebroken en met vrij ongunstigen uitslag werd gevoerd, kon men overal onder het volk toenemende blijken van ontevredenheid met de regeering bespeuren. Naar gelang de barrière-steden bezweken en de oorlog de grenzen naderde, groeiden de ongerustheid en het misnoegen aan. Het gebulder van ’t Fransche geschut voor Sluis (in Staats-Vlaanderen) herinnerde den burgers van ’t naburige Veere, dat de prinsen uit het huis van Oranje-Nassau in netelige omstandigheden meermalen de redders van ’t land waren geweest. Vanhier een herhaling van het jaar 1672: wederom ging de beweging van Veere uit. Nadat de schutterij dezer stad in April 1747 haren wensch had te kennen gegeven, dat de vroedschap den prins tot stadhouder mocht verkiezen, nam dit lichaam een besluit in dien zin. Eveneens ging het in de overige steden van Zeeland, in de eene met, in de andere zonder opschudding. Den 28sten April werd de prins door de staten van Zeeland als stadhouder aangesteld.

Van Zeeland sloeg—wederom zooals in 1672—de beweging tot Holland over. Het eerst geraakte het volk te Rotterdam en te Delft op de been, ’s prinsen bevordering van de vroedschap verlangende. De andere steden volgden, en den 3den Mei 1747 had ’s prinsen benoeming door de staten van Holland plaats. Op denzelfden dag, als in Holland, geschiedde de verheffing van den prins te Utrecht. Den 4den Mei droegen de Staten-Generaal hem het kapitein-generaal-admiraalschap over de krijgsmacht van den staat op. Den 10den Mei volgden de staten van Overijsel het voorbeeld van die der andere gewesten. ’t Spreekt vanzelf, dat de prins nu tevens zitting nam in den raad van state.

Het scheen, dat er geen einde kwam aan het getal eerbewijzen en blijken van genegenheid, waarmede de stadhouder werd overstelpt. De Staten-Generaal vereerden den prins, van nu aan gewoonlijk willem IV (1747-1751) geheeten, met het stadhouder- en kapitein-generaalschap over de landen van Overmaas (zie blz. 96) en voegden er welhaast dat over de andere Generaliteitslanden bij. Nog verklaarden de gewesten het stadhouderschap, waarmede de prins was bekleed, erfelijk in zijn nakomelingschap, ook in de vrouwelijke linie. De Staten-Generaal verklaarden het kapitein-generaal-admiraalschap erfelijk in de beide liniën. Bij de tallooze onderscheidingen kwam nog het opper-directeur-gouverneurschap van O. en W. Indië, dat den prins in 1749 door de bewindhebbers der beide compagnieën werd opgedragen. Verre, zeer verre ging het gezag, hetwelk in de handen van Willem IV werd gelegd, dat zijner voorgangers te boven. Zonder den titel werd hij metterdaad souverein. Zien wij, hoe hij die macht aanwendde.

De misbruiken, ten opzichte van de pachterijen bestaande, gaven in den tijd van Willems verheffing van de zijde der bevolking van de steden van Holland aanleiding tot hevige opschuddingen. Het volk was zeer gebeten op de pachters, d. i. op hen, aan wie, als aan de meestbiedenden, de staten der gewesten zekere belastingen voor een aantal maanden verpachtten. De menigte, hier en daar door knevelarijen dier pachters gekweld, stak de groote en vaak binnen korten tijd verkregen rijkdom dezer lieden in ’t oog. Het eerste barstte ’t misnoegen in Friesland los. Het volk stak de kleine opzichtershuizen in brand of haalde ze omver, plunderde de woningen der pachters, in ’t kort beging allerlei baldadigheden. In Groningen en in de overige gewesten zag men weldra dezelfde tooneelen, vooral te Amsterdam. Met goedvinden en op raad van Willem IV schafte men in 1748 in Friesland, in Groningen, in Utrecht en in Holland de pachterijen af. In deze provinciën werden de pachterijen vervangen door de invordering bij wijze van collecte of inzameling. Aan de collecteurs of gaarders, thans ambtenaren, werden matige jaarwedden toegelegd. In Overijsel hield men zich deels aan de pachterijen, deels aan de collecte. Gelderland en Zeeland bleven bij het verpachten.

Inmiddels veroverden de Franschen de eene plaats na de andere in Staats-Vlaanderen en namen in 1747 zelfs de vesting Bergen op Zoom bij verrassing in. Het was inderdaad tot heil, van het land, dat de oorlog in ’t volgende jaar met den vrede van Aken (Overzicht, blz. 166) een einde nam. Voor de Republiek bevatte die vrede geen andere hoofdvoorwaarden, dan dat zij alles, wat de Franschen op haar hadden veroverd, terugkreeg, benevens de barrière-steden, maar deze grootendeels geslecht.

Gedurende den korten levenstijd, die Willem IV na dien vrede van Aken werd gegund, wijdde hij zich, voor zoover zijn zwakke lichaamskrachten het gedoogden, zorgvuldig aan de belangen van Nederland. Wakker stond hem, sedert 1749, de raadpensionaris Pieter Stein ter zijde. De stadhouder kon evenwel niet dadelijk al zijn aandacht vestigen op hetgeen hem toescheen voorziening te behoeven. Immers, in vele steden werd, reeds sedert eenigen tijd, gewezen op het wenschelijke eener geheele verandering der regeeringspersonen, hoedanige verandering met elken grooten schok in ’s lands binnenlandsche historie, b. v. in 1672 en in 1702, gepaard was gegaan. De meerderheid van ’t volk achtte dit evenzeer noodig of was licht tot dergelijke bewering te bewegen. Alzoo begon de prins in 1748 met zoodanige verandering te Amsterdam. Gelijke verzetting der wet had in de meeste overige steden van Holland plaats, verder in Gelderland, in Overijsel, in Friesland en in Groningen. Zoo doortastend, als vroeger bij dergelijke omwentelingen, was intusschen deze regeeringsverandering niet.

Te midden der verschillende bewegingen werd Willem IV in 1749 op het verval der zijde- en andere weverijen opmerkzaam gemaakt. Ten einde dit, voorzooveel hij vermocht, tegen te gaan, verklaarde hij aan de staten van Holland, dat hij had besloten, voor zich en zijn hof van nu af geen zijden of andere stoffen te bezigen, dan inlandsche. Het voorbeeld vond navolging bij de staten van Holland. Zij verzochten de heeren van de ridderschap en de burgemeesters der stemmende steden, hetzelfde te doen, als de prins. Aan de regenten van de niet-stemmende steden werd dit besluit der staten als gebod medegedeeld.

Op deze en andere wijzen trachtte de prins ’s lands welvaart te bevorderen. Hierbij gedachtig aan de belangen van zijn huis, bewoog hij in 1750, uit hoofde van den zwakken toestand zijner gezondheid, de Staten-Generaal, hertog Lodewijk Ernst van Brunswijk-Wolfenbuttel, een verwant der prinses, die tot dus ver in dienst was van den keizer van Duitschland, als veldmaarschalk aan te stellen over het leger der Republiek. Willems gezondheid toch nam steeds af, en in October 1751 stierf hij. Die dood was een zware slag voor het vaderland. Weinig is dat, wat hem wordt verweten, in tegenstelling met het vele goede, dat men van hem getuigt. Onder het eerste mag evenwel niet worden verzwegen, dat hij vaak te spoedig het oor schijnt te hebben geleend aan plannenmakers. Willem IV, door vele kundigheden uitmuntende, had tevens de gaven om aan ’t roer van den staat te staan. Geen der vorige stadhouders van de Vereenigde Gewesten was gematigder dan hij; geen hunner vereenigde met vastheid van daad meer zachtheid van vorm. Te hooger rijst de waarde dezer zelfbeheersching, omdat hij in aanzien en macht al zijn voorgangers overtrof. In de zaken hervormende, hetgeen hij noodig achtte, ontzag hij de personen, zooveel het welbegrepen belang der Republiek het veroorloofde. In de weinige jaren van zijn stadhouderschap heeft hij althans iets tot stand gebracht, meer nog willen doen.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings