§ 34.
Reading edition
De Bataafsche Republiek en het koninkrijk Holland.
Zoo was dan de oude Republiek bezweken, om plaats te maken voor een nieuwen staat. Nauwelijks hadden zich de Fransche bajonetten vertoond, of de oude, afgeleefde vormen bezweken vanzelven. Terwijl een deel van ’s lands bevolking, door te dansen rondom de vrijheidsboomen, zijn vreugde aan den dag legde, had er terstond een volledige omkeering in het bewind plaats. In plaats van het voormalige bestuur der Oost-Indische compagnie benoemde een vernieuwde vergadering der Staten-Generaal een comité (raad of afdeeling) tot de zaken van den Oost-Indischen handel en bezittingen. Eveneens kwam het beheer van de West-Indiën aan een comité tot de zaken van de koloniën en bezittingen in Afrika en Amerika. Verder hadden de Staten-Generaal in de eerste plaats ’s lands betrekking tot Frankrijk te regelen. Den 16den Mei 1795 kwam het Haagsche verdrag tot stand. Met 100,000,000 gl., den afstand van Maastricht, Venlo en Staats-Vlaanderen en het toelaten van Fransche bezetting in Vlissingen moest het vaderland den schijn van onafhankelijkheid van Frankrijk en de erkenning als zelfstandige mogendheid, als Bataafsche Republiek, betalen. Een der geheime artikels, aan het verdrag toegevoegd, behelsde, dat het Fransche leger, hetwelk van nu aan de bezetting dier Republiek zou uitmaken en dat niet grooter mocht zijn dan 25,000 man, door deze Republiek zou worden bezoldigd, gekleed en gevoed. Zoodra deze troepen in goeden toestand verkeerden, werden zij gedurig door andere vervangen, die slecht waren uitgerust en aan al het noodige gebrek hadden.
Dit verdrag was een duidelijke verklaring der afhankelijkheid van de Bataafsche Republiek ten opzichte van Frankrijk. Een tweede gevolg van de nauwe betrekking tot Frankrijk waren de assignaten (Overzicht, negende druk, blz. 175), die weldra alle waarde verloren. Bovendien erfde de nieuwe Republiek dadelijk de vijandschap, die Engeland tegen Frankrijk, haar bondgenoot, voedde. Reeds vóór den 16den Mei, terstond na het binnenrukken der Franschen, legde Groot-Britannië embargo of beslag op Nederlands schepen, om ze later prijs te verklaren. In September verklaarde het aan de Bataafsche Republiek den oorlog. Van dit oogenblik af viel de eene der buitenlandsche bezittingen na de andere in handen der Engelschen, tegen wier meesterschap ter zee niemand was opgewassen. Reeds in 1801 was Java de eenige zijner bezittingen, die Nederland had behouden. Bij al die rampen zijn de gedwongen geldheffingen te voegen, welke de regeerende lichamen der Bataafsche Republiek achtereenvolgens uitschreven.
Het spreekt vanzelf, dat, na de schikking met Frankrijk, de regeling van den regeeringsvorm de eerste taak was, hier te lande te verrichten. Te dien einde hield, den 1sten Maart 1796, een nationale vergadering haar eerste bijeenkomst. Zoodra zij te ’s Gravenhage was bijeengekomen, werden de Staten-Generaal ontbonden. De leden der vergadering waren tot twee partijen te brengen, die der unitarissen, voorstanders eener volstrekte eenheid, en die der foederalisten, welke tot op zekere hoogte een bondgenootschap van zelfstandige staten wilden. Foederalist was o. a. Vitringa. Tot de hevigste unitarissen behoorden Pieter Vreede en Gogel, tot de gematigden onder hen Schimmelpenninck. Deze eerste nationale vergadering slaagde niet in haar plan, weshalve, den 1sten September 1797, een tweede werd geopend. Deze gelukte het evenmin, het werk tot stand te brengen, want den 22sten Januari 1798 waagden de hevigste unitarissen, met name Daendels, een coup d’état of aanslag op hun meest gematigde medeleden. Een aantal van hen lieten zij in hechtenis nemen. De op die wijze gezuiverde vergadering noemde zich constitueerende vergadering, representeerende het Bataafsche volk. In Maart had zij het ontwerp eener grondwet afgewerkt. In April had de stemming van ’t Bataafsche volk over het ontwerp plaats, dat met een overgroote meerderheid van stemmen werd aangenomen.
De hoofdinhoud dezer staatsregeling, den 1sten Mei 1798 afgekondigd, komt hierop neer. De oppermacht berust, in naam van het Bataafsche volk, bij het vertegenwoordigend lichaam, waarvan de leden door het volk worden gekozen. Het bestaat uit twee kamers. Het draagt de uitvoerende macht op aan vijf directeuren, door zijn leden te kiezen, het uitvoerend bewind, en behoudt zelf de wetgevende macht. Het grondgebied der Republiek wordt in acht departementen verdeeld. De grenzen van geen dier departementen kwamen overeen met den omtrek eener voormalige provincie. Een daarvan b. v., hetwelk het departement van de Eems heette, bestond uit gedeelten van Friesland, Groningen en Drente. De geldmiddelen van den staat staan onder één beheer en komen in één algemeene kas. Eveneens heeft er een samensmelting der schulden plaats, amalgame geheeten. De kerk wordt van den staat gescheiden. Voorloopig zullen slechts de leeraren en dienaars der hervormde kerk uit ’s lands kas worden bezoldigd.
Niemand, die den inhoud dezer constitutie onbevooroordeeld gadeslaat, kan ontkennen, dat men het goede, hetwelk uit den druk der tijden werd geboren, grootendeels aan haar was verschuldigd. Vooreerst werd de pijnbank afgeschaft. Dan werd het Gemeenebest één en ondeelbaar verklaard, zoodat de zeven souvereine gewesten, benevens de Generaliteitslanden en het bondgenootschappelijke Drente van nu af maar één staat vormden. De provinciale naijver en tegenkanting weken langzamerhand voor één toenemende nationale eenheid. Insgelijks hield de druk op der stedelijke aristocratie. Volkomen gelijkstelling van allen voor de wet werd een vaste regel, en alle heerlijke rechten en wat verder van het leenstelsel afkomstig was werden vernietigd.
Intusschen leverde de oorlog zelf, waarin de Bataafsche Republiek, als bondgenoot van Frankrijk, werd medegesleept, niets dan nadeelen op. Gedurende den tweeden coalitie-krijg (Overzicht, negende druk, blz. 181) werd Nederland zelf het tooneel der vijandelijkheden. Daar Engeland en Rusland een poging wilden wagen, om de Bataafsche Republiek aan ’t oppergezag van Frankrijk te onttrekken, landde in Augustus 1799 een geduchte Engelsch-Russische krijgsmacht onder ’t opperbevel van Frederik, hertog van York, nabij de Helder. Daendels, bevelhebber der Bataafsche krijgsmacht, moest wijken. Maar de Fransche generaal Brune, zich met een aanzienlijk leger bij Daendels voegende, bracht den vijand den 19den September bij Bergen (ten n.w. van Alkmaar) en den 6den October bij Castricum (ten z.w. van Alkmaar) een nederlaag toe. Dit noodzaakte de Engelschen en de Russen, die bovendien in deze streken geen voldoende huisvesting en levensmiddelen konden vinden en hier te lande weinig blijken van deelneming bespeurden, terug te trekken. Dus keerde ook de erfprins van Oranje, die eenigen tijd te Alkmaar had vertoefd, naar Engeland terug, vanwaar hij zich in ’t begin van 1800 met zijn vader naar Brunswijk metterwoon begaf.
Zelfs al zag men deze en andere nadeelige gevolgen van den oorlog voorbij, dan nog had het vaderland geen redenen tot blijdschap. De koophandel, de nijverheid en het vertier beteekenden schier niets; de schuldenlast was ondragelijk. Daarenboven was de vreugde over de staatsregeling van korten duur. De eenheid, die erin heerschte, diende slechts om het uitvoerend bewind met zooveel bezigheden te overladen, dat alles zeer langzaam of in ’t geheel niet werd afgedaan. Dit deed wederom aan de noodzakelijkheid van ’t vervaardigen eener nieuwe grondwet denken. Middelerwijl zag de eerste consul Napoleon (Overzicht, negende druk, blz. 181) met weerzin de oppermacht des volks, die hij in Frankrijk aan ketenen had gelegd, in het kleine gemeenebest gehuldigd. De Bataafsche Republiek, van ’t oogenblik harer wording af gedwongen Frankrijk steeds uit de verte te volgen, kon dit ook thans niet nalaten. Met de meerderheid der vijf leden van ’t uitvoerend bewind knoopte Napoleon in ’t geheim onderhandelingen aan. Wetende, dat zij op den steun van hem kon rekenen, die alreede de machtigste man van geheel Europa begon te worden, liet de meerderheid van ’t uitvoerend bewind zich door niets terughouden van de voltrekking van haar voornemen. Den 1sten October 1801 werd het volk een ontwerp ter stemming voorgelegd. De uitslag der stemming was, dat de staatsregeling werd aangenomen. Tot dien uitslag geraakte men door te bepalen, dat het groote aantal van hen, die niet waren opgekomen, moest worden geacht te hebben toegestemd.
De staatsregeling van 1801 naderde meer, dan die haar voorafging, de beginselen van het foederalisme. Zij behield de eenheid, maar gunde meer vrijheid aan de besturen der departementen en der gemeenten. Aan ’t hoofd der Republiek stond thans een staatsbewind van twaalf personen met een wetgevend lichaam. Groot was het gezag, aan het staatsbewind opgedragen, terwijl de invloed van het wetgevend lichaam werd beperkt. Ook ten opzichte van de verdeeling van het grondgebied kwam deze constitutie terug op de andere. Zij herstelde èn de namen èn de grenzen der voormalige gewesten, waarvan men toen, om het provincialisme te fnuiken, was afgeweken. Het getal der departementen bleef hetzelfde. Zij heetten nu: Holland, Zeeland, Brabant, Overijsel (waartoe Drente tevens grootendeels behoorde), enz. De constitutie, in haar geheel, is een bewijs, dat men tot gematigder gevoelens terugkeerde.
In 1802 werd de Republiek één oogenblik verademing geschonken. Het was na het sluiten van den algemeenen vrede te Amiëns (Overzicht, negende druk, blz. 181) in Maart van dat jaar, waar Rutger Jan Schimmelpenninck de Republiek vertegenwoordigde. Van de verschillende artikels had dat de meeste betrekking op de Republiek, waarin werd bepaald, dat, met uitzondering van Ceylon, Engeland haar al hare volkplantingen teruggaf. Tevens werd, overeenkomstig vroegere bepalingen, vastgesteld, dat de schadeloosstelling voor het huis van Oranje-Nassau niet ten laste zou komen der Republiek. De schadeloosstelling werd weldra gevonden ten koste van Duitschland en bestond uit het voormalige bisdom Fulda (in ’t vroegere keurvorstendom Hessen, thans tot Pruisen behoorende) en eenige andere streken. Nimmer heeft echter Willem V het bewind over deze landen aanvaard. Hij bleef als ambteloos burger in Brunswijk, waarheen hij zich bij zijn vertrek uit Engeland (zie blz 164 en 171) had begeven. Zijn oudste zoon, wien hij de genoemde landen afstond, bleef ze ook na den dood zijns vaders, die in 1806 plaats had, besturen. Maar in 1807, bij den vrede van Tilsit, ontnam Napoleon hem, omdat hij voor Pruisen had gestreden, zoowel deze staten, als die, welke hij in Nassau van zijn vader had geërfd.
Op den gesloten vrede vertrouwende, begonnen handel en vertier in 1802 in Nederland weder te herleven; doch wederom was de verademing kort van duur. In Mei 1803 verklaarde Napoleon Groot-Britannië op nieuw den oorlog. Dit rijk legde zich nu dadelijk weder op de herovering toe der pas teruggegeven buitenlandsche bezittingen, die het allengs alle, behalve Java en een paar andere, in zijn macht kreeg. Thans werd geheele uitputting het lot van het fel geteisterde land. Het moest den consul voor de door hem beraamde verovering van Engeland troepen, schepen en millioenen leveren. Hoezeer alle krachten werden ingespannen en de laatste penningen bijeengezocht, wat opgebracht werd voldeed niet. Aan den vorm van ’t bestuur weet Napoleon dat, waarvan de oorzaak in het onvermogen was gelegen. Te midden dier nimmer eindigende eischen werd Napoleon keizer (Overzicht, negende druk, blz. 181). Nu moest alom, waar Frankrijks stem gold, ook de schaduw van volksregeering voor het eenhoofdig beginsel wijken. In ’t begin van 1805 verkreeg Schimmelpenninck, de gezant der Republiek te Parijs, van Napoleon bevel, een nieuwe grondwet op het papier te brengen, waaraan het monarchale beginsel ten grondslag lag. Schimmelpenninck kweet zich van den last. Het ontwerp behaagde Napoleon en werd in April door het volk goedgekeurd. Wederom werden de zwijgenden gerekend het ontwerp te hebben aangenomen.
Deze derde staatsregeling, waarvoor die van 1801 plaats maakte, stelde Rutger Jan Schimmelpenninck, onder den naam raadpensionaris, met een meer dan vorstelijk gezag bekleed, aan ’t hoofd van het Bataafsche gemeenebest. De wetgevende macht werd aan een wetgevend lichaam van 19 leden opgedragen. Den raadpensionaris stond een staatsraad van zeven leden ter zijde. Ten opzichte van de verdeeling van ’t grondgebied was de eenige wijziging, in ’t jaar 1805 ingevoerd, dat Drente van Overijsel werd afgescheiden en als landschap aan de acht departementen toegevoegd. Zooveel hij vermocht, wendde Schimmelpenninck zijn macht eenig ten algemeenen nutte aan, zooals dan ook de daadwerkelijke regeling van het lager-onderwijs bij de wet van den 3den April 1806 en het invoeren van algemeene in plaats van de vroegere provinciale belastingen gunstig voor zijn bewind getuigen. De invoering dier algemeene belastingen was een zeer gewichtige financiëele omwenteling. Zij waren reeds door de unie (zie blz. 61) voorgeschreven, maar nimmer in ’t leven getreden. Groot zijn bovenal Schimmelpennincks verdiensten omtrent het lager-onderwijs. Het algemeene volksonderwijs was een der vruchten van de hervorming. Hierom was het opzicht over de scholen bij de kerk, waaraan het nu werd onttrokken. Eerst door deze wet werd alom de verbetering der scholen en van ’t onderwijs krachtdadiger ter hand genomen en doorgezet.
Maar de machtige en alles beheerschende geest van Napoleon duldde ook deze zwakke schaduw van een onafhankelijke republiek maar kort. Een aanleiding tot verandering werd spoedig gevonden. Zij werd gezocht in een verzwakking van ’t gezicht van den raadpensionaris. Wat de keizer van Frankrijk wilde was weldra geen geheim meer. Zijn broeder Lodewijk moest koning van Holland worden. Een plechtig gezantschap werd verplicht, den keizer te Parijs te komen verzoeken om datgeen, wat hijzelf, als zijn wil, aan Nederland opdrong. Alzoo volgde in Juni 1806 een vierde constitutie. lodewijk napoleon werd koning van Holland tegen erkenning van de oppermacht zijns broeders als hoofd van ’t geslacht. Hem werd een wetgevend lichaam van 39, alsmede een staatsraad van 13 leden toegevoegd. Lodewijks streven was in de eerste plaats, een Nederlander te worden. Waar hij als koning zijn eigen weg kon bewandelen, poogde hij het goede tot stand te brengen.
Aan den derden coalitie-krijg, die inmiddels was uitgebarsten (Overzicht, negende druk, blz. 182 en boven blz. 172), namen de Nederlandsche krijgslieden in 1806 en 1807 deel. De vrede van Tilsit (Overzicht, negende druk, blz. 183), welke aan dien oorlog, voorzoover hij te land werd gevoerd, een einde maakte, vergrootte het grondgebied van den staat, doordien Jever (thans in ’t n.w. van ’t groothertogdom Oldenburg) en Oost-Friesland, tegen den vollen afstand van Vlissingen en zijn tafel, hetwelk aan Frankrijk kwam, met Holland werden vereenigd. Kort vóór het sluiten van dien vrede, nog in ’t zelfde jaar 1807, werd het koninkrijk in tien departementen verdeeld, waarbij Oost-Friesland thans als elfde kwam. Hoewel de derde coalitie-oorlog niet op den bodem van het koninkrijk Holland werd gevoerd, was hij de aanleidende oorzaak van een noodlottig voorval, waardoor de stad Leiden werd getroffen. Op den 12den Januari 1807 sprong een schip, met veel kruit geladen, dat op zijn doorvaart naar Delft de stad aandeed. Na de uitbarsting lag een van de fraaiste gedeelten van Leiden, het Rapenburg, in puinhoopen. Meer dan twee honderd huizen werden omvergeworpen, honderden bovendien beschadigd. Te midden der algemeene ontzetting, eenige uren nadat men den schok te ’s Gravenhage had gevoeld, kwam de koning op de plaats zelve van ’t ongeluk, om in persoon op alles orde te stellen. Vele bleven door de tijdig aangebrachte hulp behouden, ofschoon het getal van hen, die het leven verloren, nog 152 beliep.
Hoe erg ook, het ongeluk van ’t jaar 1807 was tijdelijk. Anders was het gelegen met die rampen, welke een gevolg waren van de onverbreekbare keten, welke het koninkrijk Holland aan Frankrijk verbond. Wrevelig over de nederlaag bij Trafalgar (Overzicht, negende druk, blz. 183), verordende Napoleon in 1806 het continentaal-stelsel, d. i. de uitsluiting der Engelschen van het vasteland, waardoor hij allen handel met Groot-Britannië verbood en al wat Engelsch was voor goeden buit verklaarde. Het besluit werd in de eerstvolgende jaren nog verscherpt door andere verordeningen, waarin de keizer o. a. het openlijk verbranden van alle Engelsche waren in de van hem afhankelijke staten gelastte. Voor Nederlands handel, in zoover er nog eenige handel was, werd het continentaal-stelsel de doodsteek.
Het was, alsof het Nederland was voorbehouden, de maat te zien volgemeten van alle soorten van onheilen, die een land kunnen treffen. Er ontbrak nog maar een inval aan op het grondgebied van ’t koninkrijk, en die inval kwam. Ten einde de heerschappij ter zee te beter te kunnen handhaven, achtte Engeland het geraden, Walcheren in bezit te nemen en Vlissingens alsmede Antwerpens werven en arsenalen te verwoesten. Tegen ’t eind van Juli 1809 stak een vloot in zee, de grootste, die Engelands havens immer had verlaten. Binnen weinige dagen waren Walcheren, Schouwen en Duiveland in handen van den vijand. Inmiddels verzuimden de Engelschen Antwerpen aan te tasten, terwijl een talrijk Fransch leger, zich bij het Nederlandsche voegende, niet ophield de Engelschen te bestoken. Meer nadeel nog brachten hun de Zeeuwsche koortsen toe. In ’t kort, het doel der landing, aanvankelijk geslaagd, werd niet bereikt, zoodat de vijand op het einde van ’t jaar Zeeland weder ontruimde. De onderneming, met zooveel ophef aangekondigd, liep teniet, evenals in 1799.
Reeds sinds lang was Napoleon verbitterd op zijn broeder Lodewijk. Hij, het maaksel zijner hand, matigde zich aan, als zelfstandig vorst te willen regeeren. Dit streed geheelenal met de bedoeling zijn broeders, die Holland alleen een eigen bestaan veroorloofde, onder voorwaarde dat het zich metterdaad als een Fransch wingewest liet behandelen. Voorloopig liet Napoleon zich in Maart 1810 nog tevreden stellen met een verdrag, bij hetwelk geheel Zeeland, Brabant, een gedeelte van Gelderland en een klein deel van Holland aan Frankrijk kwamen, zoodat de Waal de grens van ’t koninkrijk in ’t z.o. werd. Maar Lodewijk bleef van een onafhankelijk koningschap droomen en den sluikhandel met Engeland gedoogen. Van zijn kant toonde Napoleon duidelijk, wat hij in het schild voerde, door nieuwe troepen te zenden, die in last hadden, de hoofdstad te bezetten, en tolbeambten (douaniers), ten einde den sluikhandel te weren. De koning sprak ervan, Amsterdam tot het uiterste te verdedigen. De gansche natie wilde hij te wapen roepen. Doch zijn ministers beweerden, dat zoodanige kamp onmogelijk was. Zoo bleef hem niets anders over, dan afstand te doen van de kroon ten behoeve van zijn tweeden, toen oudsten zoon, Lodewijk Napoleon, onder regentschap der koningin Hortensia. Uit vrees van door de handlangers des keizers te worden belemmerd, verliet Lodewijk in den nacht van den 1sten Juli 1810 heimelijk het paviljoen bij Haarlem, waar hij toen vertoefde, en begaf zich naar Bohemen. Het land, waarover hij vier jaren had geregeerd, zag hij nimmer weder, ofschoon hij nog tot het jaar 1846 leefde. Op zware sommen was zijn bewind het volk te staan gekomen. Daarentegen was voor alles, wat den waterstaat betreft, voor dijken en wegen veel gedaan. Onder de ministers, van wier diensten de koning een tijdlang gebruik maakte, waren mannen van erkende bekwaamheid, b. v. de admiraal Karel Hendrik Verhuell voor de marine, van Maanen voor de justitie.
Het laatste punt, waarop, als op een voorwerp der werkdadige belangstelling van koning Lodewijk, de aandacht moet worden gevestigd, zijn de koloniën (zie blz. 165, 166, 168). Bij de grondwet van 1798 was bepaald, dat de Bataafsche Republiek alle bezittingen der gewezen Oost-Indische compagnie en haar schulden tot zich nam. Het oppergezag kwam aan het uitvoerend bewind (zie blz. 169), in 1801 aan het staatsbewind (zie blz. 171). Het bestuur werd in handen gesteld van den raad der Aziatische bezittingen. Terzelfdertijd werd dat van West-Indië opgedragen aan den raad der Amerikaansche koloniën. Lodewijk, den troon hebbende beklommen, was van oordeel, dat in de Oost-Indische bezittingen een doortastende hervorming moest plaats grijpen. Te dien einde benoemde hij in Januari 1807 Daendels (zie blz. 164, 170) tot gouverneur-generaal van Indië. Als een tweede Napoleon bracht hij in het bestuur der volkplantingen een geheele omkeering teweeg, weshalve hij door den een als een ware hervormer, door den ander als een willekeurig man en een vriend van harde maatregelen wordt voorgesteld. Het laatste is voorzeker niet volstrekt te loochenen. Maar onbetwistbaar is het, dat onder zijn bewind meer dan één wezenlijke verbetering tot stand kwam.