§ 20.
Reading edition
De hernieuwing van den oorlog na het bestand.—De oprichting der West-Indische compagnie.—De aanslag op het leven van Maurits en zijn dood.
Nadat Hogerbeets en de Groot met hun vonnis waren bekend gemaakt, werden zij in Juni 1619 naar het slot Loevestein (bij de samenvloeiing van Maas en Waal, in ’t z.w. van Gelderland) overgebracht. Hogerbeets bleef hier tot Maurits’ dood. Toen vergunde men hem, zijn verdere levensdagen onder toezicht te slijten in een buitenhuis nabij Wassenaar (niet ver van Leiden). Hugo de Groot wijdde zich op Loevestein aan de studiën en aan de vervaardiging van eenige dier werken, welke zijn naam onsterfelijk hebben gemaakt. Zoodra echter Maria van Reigersbergen, zijn echtgenoote, die zijn gevangenis deelde, bijgestaan door zijn dienstmaagd Elsje van Houwingen, hem de gelegenheid verschafte, in Maart 1621 in een kist, schijnbaar met boeken gevuld, naar Gorinchem te ontvluchten, maakte de Groot er volvaardig gebruik van en begaf zich naar Frankrijk.
Het is licht te begrijpen, dat de macht van Maurits na den dood van Oldenbarnevelt zeer toenam. Nog rees zijn aanzien bij den dood zijns broeders Philips Willem, die in 1618 stierf en hem al zijn bezittingen, ook het prinsdom Oranje, naliet. Hoeveel Maurits’ aanhangers thans vermochten, ondervonden bovenal de Remonstranten. Al degenen, die eenig ambt, hoe gering ook, bekleedden, werden afgezet. Tot ongeveer tweehonderd klom het getal hunner predikanten, die hun ontslag bekwamen en van welke vele, ten minste tachtig, het brood der ballingschap moesten gaan eten. Op aandrang van Maurits werden ook Oldenbarnevelts zonen van hun ambten ontzet. De oudste dier zonen heette Reinier van Groeneveld (nabij Wassenaar), de andere Willem van Stoutenburg (nabij Amersfoort).
Nog voordat het twaalfjarig bestand ten einde liep, overleed de stadhouder van Friesland, Groningen en Drente, Willem Lodewijk, 1620, en werd voor ’t eerste gewest opgevolgd door zijn broeder Ernst Kasĭmir (1620-1632), terwijl de beide andere Maurits kozen. Het jaar van de hernieuwing der vijandelijkheden, 1621, werd gekenmerkt door een belangrijke gebeurtenis, door de oprichting der West-Indische compagnie. Den 3den Juni 1621 verleenden de Staten-Generaal een vergunning voor vier-en-twintig jaren aan de West-Indische compagnie. Het 1ste artikel kende aan de compagnie, met uitsluiting van iedereen, den alleenhandel toe op Afrika, van den kreeftskeerkring of 231⁄2 graad Noorderbreedte tot te Kaap de Goede Hoop, welke tot het gebied der Oost-Indische compagnie behoorde, alsmede op geheel Amerika. De eerste inleg was ƒ 7,200,000. Er waren vijf kamers. Aan aandeelen had die van Amsterdam 4⁄9, die van Zeeland 2⁄9, die van de Maas, d. i. Rotterdam, die van Noord-Holland en die van Friesland met Groningen elke 1⁄9. Het getal der bewindhebbers was vier-en-zeventig. Het uitvoerend bewind of de generale vergadering, uit die vier-en-zeventig gekozen, bestond uit 19 leden. De compagnie kreeg, als staat, dezelfde rechten als de Oost-Indische. Tot hetgeen de West-Indische compagnie, terstond bij haar oprichting, onder haar beheer kreeg, behoorde o. a. een landstreek in Noord-Amerika, n.l. Nieuw-Nederland, waarin later allengs de stad Nieuw-Amsterdam ontstond.
Met het einde van het bestand werden in Europa de vijandelijkheden tusschen Nederland en Spanje hervat. In ’t zelfde jaar, 1621, overleed Albert. Nu werd Isabella landvoogdes der Zuidelijke Nederlanden, die aan Spanje, waarover Philips IV regeerde, terugvielen. Zijzelve overleed in 1633. Veel voordeel leverde de oorlog voor de Republiek niet op. In 1625 veroverde Spinŏla Breda, terwijl de stadhouder in ’t vorige jaar zijn aanslag op Antwerpen zag mislukken. Gaf de oorlog Maurits alzoo weinig stof tot vreugde, wat de binnenlandsche aangelegenheden betreft gebeurde er iets, hetwelk aanduidde, dat de rust, welke men sedert den staatsgreep van de jaren 1618 en 1619 genoot, niet uit algemeene tevredenheid voortsproot. In 1623 kwam het aan ’t licht, dat Oldenbarnevelts jongste zoon met verscheidene Remonstranten en Roomsch-katholieken een samenzwering smeedde tegen het leven van den prins. Het voornemen was, hem in de nabijheid van zijn buitenverblijf, bij Rijswijk, te overvallen en te dooden. Het hoofd van den aanslag, de heer van Stoutenburg, vluchtte naar het Zuiden, nam dienst bij den vijand en vatte de wapenen op tegen zijn vaderland. Het getal van hen, die onthoofd werden, beliep vijftien. De aanzienlijkste was Reinier van Groenevelt, wiens moeder en gemalin Maurits tevergeefs om genade vroegen, hoewel zijn misdrijf alleen hierop neerkwam, dat hij zijn krediet had verleend tot het opnemen der benoodigde gelden.
Sedert geruimen tijd leed Maurits aan een ziekte, die zijn krachten meer en meer sloopte, totdat hij den 23sten April 1625 in den ouderdom van 58 jaren bezweek. Kort vóór zijn dood had hij, die nimmer getrouwd was geweest, zijn broeder Frederik Hendrik genoopt, een huwelijk aan te gaan met de gravin Amalia van Solms (ten n.o. van Maints), die in ’t gevolg der koningin van Bohemen (Overzicht, 9de druk, blz. 130) in Holland was gekomen.