§ 32.
Reading edition
De oorlog van Engeland en Nederland.—De geschillen der Republiek met Jozef II.—De binnenlandsche oneenigheden en de komst der Pruisen.
Zoo was dan de Republiek met gebonden handen en voeten aan Engelands willekeur overgelaten. Volgens zijn gewoonte richtte Engeland zijn wraak terstond tegen de Nederlandsche schepen, die, van niets wetende, rustig naar het vaderland stevenden. Op het einde van Januari 1781 waren reeds 200 koopvaardijschepen, met een waarde van 15 millioen beladen, in de Engelsche havens opgebracht. Van Nederlands bezittingen viel o. a. St. Eustatius, alsmede de kust van Guinēa in handen der Engelschen, terwijl Berbice, Demerary en Essequībo zich vrijwillig onder hun hoede stelden. St. Eustatius werd nog in ’t zelfde jaar, 1781, door de Franschen hernomen en aan de Staten-Generaal teruggegeven. Eveneens heroverden de Franschen in 1782 Berbice, Demerary en Essequībo en namen deze streken voor Nederland in bewaring. In Oost-Indië bemachtigde Engeland Negapatnam (in Voor-Indië, ten z. van Madras).
Engelands overmacht ter zee was zoo groot, dat aan ’t leveren van slagen eigenlijk niet viel te denken. Maar in 1781 verleenden de Staten-Generaal een konvooi of gewapende geleide van oorlogschepen aan een aantal koopvaarders, naar Petersbrug, Riga en Narva bestemd. De oorlogschepen, ten getale van vijftien, stonden onder ’t bevel van den schout-bij-nacht Johan Arnold Zoutman. Op den 5den Augustus ontmoetten zij bij Doggersbank (in de Noordzee, ten o. van Engeland) een Engelsch konvooi, eveneens een aantal koopvaardijschepen uit de Oostzee begeleidende. Over deze vloot, slechts twaalf, maar zwaardere en beter gewapende schepen tellende, voerde de vice-admiraal Hyde Parker het bevel. Weldra geraakte het grootste gedeelte der wederzijdsche vloten, aan elke zijde zeven, met elkander slaags. Dat de Engelschen, hoewel de slag onbeslist bleef, het eerst afdeinsden, verhoogde in Nederland het nationaal gevoel. In Januari 1783 sloot Engeland den vrede van Versailles (Overzicht, blz. 170). In Mei 1784 volgde de vrede van Parijs met Nederland, waarbij de Republiek Negapatnam aan Engeland afstond, maar zijn overige bezittingen terugkreeg.
Te midden van den oorlog met Engeland, in 1781, liet keizer Jozef II (Overzicht, blz. 168) de Staten-Generaal weten, dat hij verlangde, dat de barrière-steden door het krijgsvolk der Republiek werden ontruimd. Ofschoon de staten het vreemd vonden, dat hiertoe alleen zou worden overgegaan, omdat de keizer het wenschte, voldeden zij nog in ’t zelfde jaar aan zijn verlangen. In 1783 rezen er op nieuw geschillen tusschen de Staten-Generaal en Jozef II, die, behalve meer, de vrije vaart op de Schelde eischte. De Staten-Generaal achtten ’s keizers vorderingen overdreven en riepen het hof van Frankrijk als middelaar of scheidsrechter in. Nog eer de afgevaardigden hun beraadslagingen hadden geopend, trachtte een oorlogschip, onder Oostenrijksche vlag uit Antwerpen de Schelde afvarende, in 1784 zich aan het onderzoek van den uitlegger, die bij Lillo lag (zie blz. 97), te onttrekken. Het schip kreeg echter van een Nederlandsch oorlogschip de volle laag, draaide toen bij en werd in bewaring genomen, maar kort daarna weder ontslagen.
De keizer, dit schieten op zijn vlag als een oorlogsverklaring aanmerkende, vaardigde het bevel uit, een aanzienlijk leger naar de grenzen der Republiek te doen oprukken. Van hunnen kant rustten ook de Staten-Generaal zich ten oorlog. Inmiddels werden de onderhandelingen voortgezet en in 1785 door den vrede te Fontainebleau tot zulk een einde gebracht, dat de oorlog achterwege bleef. De hoofdvoorwaarden waren, dat Jozef van zijn eischen afzag, mits hem de forten Lillo en Liefkenshoek afgestaan en een som van 91⁄2 millioen uitgekeerd werd. Van deze 91⁄2 millioen nam Frankrijk 41⁄2 voor zijn rekening. Ook deze zwarigheden kwam ’s lands regeering alzoo te boven, al was het dan niet zonder opofferingen.
Moeielijker was het, de binnenlandsche geschillen, die bij de rampen, welke den staat van buiten troffen, steeds heviger werden, bij te leggen. Met den aanvang van den oorlog tegen Engeland begon de ontevredenheid zich weder te openbaren. Evenals vroeger de gouvernante, werd de stadhouder eerst beschuldigd van Engelschgezindheid, omdat hij had getracht de vredebreuk tegen te houden. Vervolgens verweet men, hoewel Willem V jaren achtereen vruchteloos voorstellen tot uitbreiding der zee- en der landmacht had gedaan, hem en den hertog van Brunswijk den weerloozen toestand des lands. Zoo gezien de hertog gedurende het tijdvak van zijn regentschap was geweest, evenzeer werd hij van 1766 af hoe langer hoe meer gehaat. Vele leden der regeering betuigden, dat zij het voor wenschelijk hielden, dat hij zich geheel aan het bewind onttrok. En toen in 1784 het geheim van ’t bestaan der akte van consulentschap (zie blz. 153, 154) werd verbroken en de inhoud van dit geschrift alom bekend werd, rustte men niet, eer men van den gehaten vreemdeling, van den „dikken herto”, was ontslagen. Daarom nam hijzelf zijn ontslag en vertrok in ’t zelfde jaar uit den lande.
Het werd intusschen weldra duidelijk, dat zij, die meenden in den hertog den oorsprong aller oneenigheden te moeten zoeken, dwaalden. Het getal van hen, die aan het volk meer invloed op de regeering wilden toekennen, groeide aan. Sedert het begin van ’t jaar 1783 nam de gisting der gemoederen in de Republiek steeds toe. In vele steden richtte men, met goedvinden der vroedschappen, exercitie-genootschappen of vrijkorpsen op, uit burgers, de staatsgezinde partij toegedaan, bestaande, die zich vlijtig in den wapenhandel oefenden. In Februari 1785 verboden de staten van Holland het dragen van Oranjelinten en kokardes, alsmede het roepen van „Oranje boven” In September van dat jaar hadden er te ’s Gravenhage eenige tooneelen van openlijke opschudding plaats, waarbij een burger dezer stad door een lid van een exercitie-genootschap licht werd gewond. Hiervan in kennis gesteld, beperkten de staten van Holland het gezag van den kapitein-generaal van dit gewest, als bevelhebber van de bezetting dezer stad.
Nu was, in ’t oog van den prins, de maat volgemeten. Nog vóór het einde van ’t jaar 1785 verliet hij met zijn gezin ’s Gravenhage en vestigde zich vooreerst op het Loo, later te Nijmegen. In 1786 waren Elburg en Hattem het tooneel eener andere gebeurtenis. In deze beide steden kwam de gemeente, door een deel der leden van de regeering gesteund, in verzet tegen de staten van Gelderland. Alzoo gelastten die staten den stadhouder, krijgsvolk naar Hattem en Elburg te doen oprukken en bezetting in die steden te leggen. Het geschiedde, en vele regeeringsleden en inwoners dezer steden vluchtten naar Kampen of elders. Kort daarna werden tegen de hoofdpersonen der beweging zware vonnissen geveld. Geweldig was de indruk, dien hetgeen in Gelderland gebeurde op de regenten en op de bevolking der overige gewesten maakte. Op de tijding van het binnenrukken der troepen te Elburg en te Hattem schorsten de staten van Holland den kapitein-generaal van hun gewest in dit ambt en onthieven den raadpensionaris van de verplichting, in gemeenschappelijk overleg met den stadhouder te handelen (zie blz. 133, 134).
Jammerlijk was voorwaar de toestand des vaderlands. Thans zag men het tegendeel van de macht, die de eendracht gaf. Alle gewesten leverden overvloedige voorbeelden van de meest ingewikkelde en netelige burgerschillen op. Zij waren het tooneel van de schromelijkste verwarring. Er was oneenigheid tusschen de Staten-Generaal en de staten van Holland, oneenigheid tusschen deze staten en die van Gelderland. Onbeschrijfelijk waren de haat en de partijschap, die in het anders zoo rustige Nederland alom blaakten. Men wendde zich tegen de personen, in plaats van in de zaken te wraken, hetgeen verkeerd was. Talloos waren de schot- en lasterschriften, de spotprenten en blauwboekjes. Men vergeleek den stadhouder met een Nero en Alva en stelde Philips II boven hem.
Bij alle partijen scheen het een uitgemaakte zaak te zijn, dat de redding van elders moest komen. De patriotten rekenden op Frankrijk; de stadhouderlijke partij wendde haar oogen naar Engeland of Pruisen. Inmiddels droegen de staten van Holland, bezorgd voor de veiligheid van hun gewest, de verdediging hiervan aan vijf regenten uit verschillende steden op, commissie van defensie geheeten, die zich te Woerden vestigde en over het krijgsvolk beschikte. Zij werd in haar bedoelingen ondersteund door een gewapend korps, vliegend legertje genoemd, hetwelk de gansche provincie doortrok, om de stadhoudersgezinde landlieden in toom te houden.
Zoo was dan alles rijp voor een uitbarsting. De lont ontbrak niet, die het kruit zou doen ontvlammen. In Juni 1787 begaf de prinses zich met een klein gevolg uit Nijmegen op reis naar ’s Gravenhage. Haar oogmerk was, door haar verschijning te midden van de bevolking dier stad de volksmenigte in geestdrift te doen ontvlammen en ’s prinsen vijanden ontzag in te boezemen, ten einde alzoo een omwenteling teweeg te brengen. Ten o. van Gouda lag een sluis, de Goejanverwellesluis genoemd. Bij die sluis gekomen, werd de prinses tegengehouden door eenige manschappen van het vrijkorps van Gouda, dáár op wacht staande. Vervolgens verzocht de commissie van defensie, zich terstond hierheen spoedende, haar, niet dieper in Holland door te dringen. Het geval, op zichzelf van weinig beteekenis, werd door de prinses hoog opgenomen. De koning van Pruisen, Frederik Willem II, liet terstond een schitterende voldoening eischen voor de beleediging, zijn zuster (zie blz. 154), en dus hem, aangedaan. Zij werd niet gegeven. Hierom rukte, op zijn last, Karel Willem Ferdinand, regeerend hertog van Brunswijk-Wolfenbuttel, een neef van Lodewijk Ernst (zie blz. 151), de Nederlanden met een leger van ongeveer 20,000 man binnen. Deze troepen trokken door Gelderland op Utrecht af en bezetteden deze stad. Na korten tegenstand gaf ook Amsterdam zich op zekere voorwaarden over.
In een oogwenk was de omwenteling voltrokken. Binnen den kortst mogelijken tijd gaf men aan alles de vorige gedaante terug. De stadhouder werd door de staten der verschillende gewesten verzocht, zooals bij de vorige omwenteling steeds het geval was geweest, in de steden de wet te verzetten. Raadpensionaris werd in 1787 Laurens Pieter van de Spiegel. Hij was een groot staatsman, die een uitstekende kennis bezat van staatsrecht en geschiedenis, tevens zeer ervaren in het financiewezen. Fel was de wraak, welke de zegevierende partij zich op vele plaatsen tegen de patriotten veroorloofde. In menige stad waren de Pruisen bereidvaardige dienaars dier wraakoefeningen. De patriotten werden in hun persoon aangerand, in hun goederen en bezittingen benadeeld. Niets was er evenwel, dat een volkomen verzoening meer in den weg stond, dan de wijze, waarop een amnestie, d. i. algemeene vergetelheid en vergiffenis, werd uitgevaardigd. In sommige provinciën kondigde men er een af, maar met zoovele uitzonderingen, dat zij dien naam niet verdiende. Hiervan was het gevolg, dat de reeks der reeds uitgeweken patriotten nog werd vermeerderd met een groot getal van hen, die door een rechterlijk vonnis werden getroffen of die zich, ook zonder dat, niet veilig rekenden. Duizenden bedroeg het cijfer van hen, die het vaderland verlieten en zich, voor een goed deel, in de Zuidelijke Nederlanden en in Frankrijk vestigden.