← Table of contents
Beknopte geschiedenis van het vaderland

§ 17.

Reading edition

De onoverwinnelijke vloot.—Maurits’ krijgsbedrijven.—De afstand der Nederlanden door Philips II.—De eerste zeeslagen van den tachtigjarigen oorlog.

Zóó was dan de staat der Vereenigde Nederlanden gesticht. Bij die grondvesting hadden de Nederlanders met grooter zwarigheden te kampen gehad, dan eenig volk, waarvan de geschiedenis gewaagt. Maar zij toonden, dat zij ten volle opgewassen waren tegen elke inspanning, die de drang der omstandigheden hun oplegde. Dus werd ook in hun voorbeeld de waarheid bekrachtigd, dat ieder de schepper is van zijn eigen lot.

Al dadelijk bedreigde de pas ontstane Republiek een groot gevaar. Sedert 1580, toen Philips met geweld de heerschappij over Portugal verkreeg en hierdoor zijn zeemacht meer dan verdubbeld zag, dacht hij aan een aanval op Engeland, het bolwerk van hen, die van de Roomsch-katholieke kerk waren afgevallen. Wat na dien tijd in en van wege dezen staat geschiedde, de zending van Leicester naar de Nederlanden en het ter dood brengen van Maria Stuart, bevestigde hem in zijn voornemen. In 1587 schonk paus Sixtus V Engeland, alsof het een leen van Rome ware, aan de kroon van Spanje.

Sedert een paar jaren had Philips al de middelen, die ter zijner beschikking stonden, besteed, om een groote vloot, bij voorraad de onoverwinnelijke geheeten, van stapel te kunnen doen loopen, ten einde niet alleen Engeland te veroveren, maar ook Nederland weder onder het juk te brengen. De vloot stond onder ’t opperbevel van Alonzo Perez de Guzman, hertog van Medīna-Sidonia. Op den laatsten Juli 1588 verscheen deze armāda of vloot in het Kanaal. Weldra bracht de Engelsche vloot aan de Spaansche schepen, te log schier om zich te wenden, een aanmerkelijk nadeel toe, waarop binnen kort een zege der Engelschen en der Nederlanders volgde. Vermits de wind en de vloot der bondgenooten Medīna-Sidonia den terugtocht door het Kanaal onmogelijk maakten, besloot hij om Schotland en Ierland heen te zeilen. Op dezen tocht overviel hem een geduchte storm, die de gansche vloot verstrooide en vele schepen op de kust van Ierland deed stranden, welks barbaarsche bewoners de bemanning doodden. Slechts een derde gedeelte der armāda keerde, en niet dan zeer beschadigd, in October naar Spanje terug. Men had haar te voorbarig „de onoverwinnelijke” genoemd. „Gods adem verstrooide ze”, zegt een gedenkpenning van dien tijd, door Zeeland geslagen.

Van dit oogenblik af helde de fortuin meer tot de zijde der unie over. maurits (1590-1625) werd in 1590 ook stadhouder van Utrecht en Overijsel, in 1591 van Gelderland. Zoo was hij met genoegzame macht bekleed, om de Republiek met het zwaard te verdedigen, haar bevestiger, haar tweede stichter te worden. Een staatsman was hij in ’t geheel niet. Doch in dit gemis voorzag oldenbarnevelt ruimschoots. Met vaste hand greep hij het roer der binnen- en buitenlandsche politiek en bestuurde het ruim dertig jaren lang. Gaarne liet Maurits hem deze rol, om zich des te meer aan de zaken van den oorlog te kunnen wijden. Schitterend waren de wapenfeiten, waardoor Maurits den naam van „eerste veldheer zijner eeuw” verwierf. In 1590 verraste hij Breda door middel van een turfschip. Den 30sten Mei 1591 veroverde hij Zutfen. Denzelfden avond lag zijn leger reeds voor Deventer, dat zich in de volgende maand overgaf. Hierop werd Delfzijl overrompeld en Nijmegen gedwongen over te gaan. In 1592 vielen Steenwijk (zie blz. 62), dat de Spanjaarden in 1582 bij verrassing hadden genomen, en Koevorden in handen van den jeugdigen veldheer, in 1593 Geertruidenberg. Dertien maanden later, den 24sten Juli 1594, verdween het laatste spoor van Rennenbergs verraad, toen Groningen het hoofd moest buigen voor den zegevierenden Maurits en voor Willem Lodewijk. De voornaamste voorwaarden, waarop de stad zich overgaf, waren, dat geen andere godsdienst binnen haar muren zou worden geoefend, dan de hervormde, een bepaling, die de meerderheid der ingezetenen zeer tegen de borst stuitte, en dat de stad met de Ommelanden één gewest zou uitmaken, lid der unie zijn en Willem Lodewijk als stadhouder erkennen. Ongeveer ter zelfder tijd verkoos Drente Willem Lodewijk tot stadhouder.

Dit alles had Parma zoo goed als lijdelijk moeten aanzien. Eindelijk bezweek de krachtige man voor al de wederwaardigheden, die de fortuin des oorlogs hem sedert jaren deed ondervinden, in 1592. Van zijn opvolgers, die elkander snel afwisselden, was de laatste de aartshertog Albert van Oostenrijk, een broeder des konings van Duitschland. Met hem kwam Philips Willem (zie blz. 55), na acht-en-twintig jaren in gevangenschap te hebben gesleten, in deze landen terug. Hij vestigde zich voorloopig te Breda, een baronie van zijn huis. Kort na de aankomst van Philips Willem voegde zijn broeder Maurits nieuwe schakels aan de keten zijner luisterrijke krijgsdaden toe. Dicht bij Turnhout bracht hij in 1597 binnen een half uur tijds met 1000 man, grootendeels ruiters, aan de Spanjaarden een verlies toe van 2000 dooden, terwijl hijzelf slechts 10 man verloor en nog 500 gevangen nam. Hierop rondde hij het gebied der Vereenigde Gewesten in ’t o. af.

In 1598 verwezenlijkte Philips II een ontwerp, dat hij lang had gekoesterd. Uitgaande van het denkbeeld, dat een vorst zich te midden zijner onderdanen behoort te bevinden, schonk hij de Nederlanden, als bruidschat, aan zijn oudste dochter, Isabella, die met Albert, aartshertog van Oostenrijk, in ’t huwelijk trad. Beiden aanvaardden die gift, met behoud hunner titels, dien van aartshertog voor Albert, dien van infante voor Isabella. Mocht een van hen kinderloos komen te overlijden, dan zouden de Nederlanden aan Spanje terugvallen. Naar de meening van den koning, waren ook de Noordelijke gewesten in den afstand begrepen. Albert haastte zich dan ook, deze gewesten uit te noodigen, in dien zin te handelen. Maar de Staten-Generaal volhardden in hun vroegere zienswijze. Zoo gingen dan Noord- en Zuid-Nederland voor goed uiteen.

De dood van Philips II, die in ’t zelfde jaar, 1598, plaats greep, verbrak den laatsten band, die Noord-Nederland in ’t oog van dezen of genen, wien de afzwering een gruwel was, nog aan Spanje hechtte. Aan zijn zoon en opvolger, Philips III, hadden zij geen eed gedaan. Veel was er de Nederlanden aan gelegen, dat de band met Engeland niet werd verbroken. Anders toch konden zij licht de eenige, tegen Spanje oorlog voerende mogendheid blijven, nu Hendrik IV, koning van Frankrijk, hoewel hij hun niet allen bijstand onttrok, een einde maakte aan den oorlog, dien hij eenige jaren tegen Spanje had gevoerd. Daarom sloten zij een nieuw verdrag met Engeland.

In plaats van tijd te verspillen met onderhandelingen, die schenen tot niets te kunnen leiden, rustte de Republiek zich ten oorlog tegen de nieuwe beheerschers van de Zuidelijke Nederlanden, doorgaans de aartshertogen geheeten. Men had een onderneming op het oog tegen Duinkerken, een nest van zeeroovers, waaruit de vijand den koophandel der Nederlanders gedurig bestookte. Maurits, hoewel ze vrij gewaagd achtende, voegde zich, doch met weerzin, naar den wensch der Staten-Generaal. Vergezeld van dit aanzienlijke college, scheepte hij zich in ’t jaar 1600 met een leger van ongeveer 15,000 man in. Bij Nieuwpoort gekomen, vernam hij, dat de aartshertog met zijn leger, groot omtrent 12,000 man, in aantocht was. Dit viel tegen. Men had bij het muiten der Spaansche soldaten, die in langen tijd weder geen soldij hadden getrokken, erop gerekend, dat de vijand niet genoeg strijdkrachten had kunnen bijeenbrengen. Inmiddels was goede raad duur. Maurits begon op den morgen van den 2den Juli met de schepen, die leeftocht en krijgsbehoeften hadden overgevoerd, daar zij voor ’t oogenblik van geen dienst konden zijn en gevaar liepen, door de bezetting van Nieuwpoort in brand te worden gestoken, in zee terug en naar Ostende te zenden. Hierop werden de beide legers bij Nieuwpoort (in West-Vlaanderen aan zee) slaags. Zon en wind waren in ’t voordeel der Nederlanders. En tegen den avond neigde de kans van den strijd, die van weerszijden met hardnekkigheid werd gevoerd, geheelenal ten gunste van Maurits. Albert week, een menigte zijner manschappen als gesneuvelden en gevangen achterlatende.

Bedenkende, welk gevaar zij hadden geloopen, keerden de Nederlandsche troepen binnen kort naar het vaderland terug. Dit geschiedde evenwel niet, dan nadat er, ter zake van dit punt, een woordenwisseling had plaats gegrepen tusschen Maurits en eenige leden der Staten-Generaal, inzonderheid Oldenbarnevelt. Van dit oogenblik af bestond er een niet zeer goede verstandhouding tusschen de beide hoofdpersonen van den staat. In 1601 sloeg de vijand het beleg voor Ostende. De leiding der zaak nam weldra Ambrosius Spinŏla op zich, de man, die, met het opperbevel over de troepen van den aartshertog bekleed, bestemd was zich als een waardig tegenstander van Maurits te doen kennen. Na drie jaren met volharding tegenstand te hebben geboden, gaven de Staten-Generaal in 1604 de vesting over, die niets meer was dan een steenhoop. Sedert 1607 werd de oorlog te land voorloopig gestaakt. Doch terzelfder tijd begonnen de Nederlanders hun eerste lauweren te verwerven op het element, waarover zij eens, als de eerste der mogendheden, de heerschappij zouden voeren. In 1606 greep de roemrijke daad plaats van den vice-admiraal Reinier Klaassens, die in de nabijheid van kaap St. Vincent (in ’t z.w. van Portugal) met zijn schip in de lucht vloog, een eervollen dood boven een vernederende overgave kiezende. In ’t volgende jaar behaalde Jakob van Heemskerk in de baai van Gibraltar een aanmerkelijke zege op de Spaansche vloot, waarbij hij wel zelf omkwam, doch zóó, dat de vijand zijn dood met een zwaar verlies moest boeten.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings