← Table of contents
Beknopte geschiedenis van het vaderland

§ 37.

Reading edition

De opstand van België en het koninkrijk der Nederlanden sedert 1830.

De ontevredenheid, van 1815 dagteekenende, was voortdurend in kracht toegenomen en diep in de gemoederen doorgedrongen. De mijn was geladen, slechts een kleine vonk noodig, om ze te doen springen. Sinds een paar jaren zag men in België reeds naar de uitbarsting uit en werd de aanstaande omwenteling openlijk in de straten van Brussel aangekondigd. Dat er hoofden der beweging waren, lieden van aanzienlijken rang, die de volksmenigte bestuurden, spreekt vanzelf. Doch deze personen hebben niet veel anders gedaan, dan de mijn aansteken. De mijn, die ontvlamde, was het volk zelf. Den 25sten Augustus gaf men in den schouwburg der stad de „Muette de Portic” (Overzicht, 9de druk, blz. 141), d. i. den opstand op het tooneel. Van den schouwburg tot de straat was een overgang van een paar uren. Te tien uur des avonds schoolden talrijke volkshoopen samen, die weldra verschillende huizen plunderden en verwoestten en zelfs de woning van den minister van justitie van Maanen in brand staken. Daar het opgeruide grauw toonde smaak in het plunderen te hebben gekregen, begonnen de gezeten lieden voor de openbare veiligheid beducht te worden. Uit deze overweging kwam den 27sten Augustus de oprichting eener gewapende burgermacht voort, die de Brabantsche kleuren aannam en in wier handen ’s konings troepen de teugels van ’t krijgsgezag over de oproerige stad terstond stelden. Te Luik en in de overige steden van België beleefde men dadelijk een herhaling van dezelfde tooneelen.

De Belgische opstand verraste de regeering van koning Willem I. De gewapende macht, die zich te Brussel bevond, had geen orders, hoe te handelen, en was niet krachtig genoeg. Eerst den 28sten Augustus nam de koning eenige besluiten. Hij begon met de Staten-Generaal buitengewoon te ’s Gravenhage bijeen te roepen tegen den 13den September. Een legercorps werd bijeengebracht en kreeg bevel naar Brussel op te trekken. Aan ’t hoofd dezer troepen werden ’s konings beide zonen geplaatst, de prins van Oranje en prins Frederik, destijds admiraal en generaal over ’s rijks krijgsmacht te water en te land. Groot was, bij de nadering van dit leger, de ontsteltenis onder de bevolking der stad. Binnen weinige uren was Brussel als een verschanste legerplaats. Vermits men zich desniettemin niet sterk genoeg achtte, om zich tegen geweld van wapenen te verdedigen, vaardigde men een bezending naar ’s prinsen hoofdkwartier af. Deze bezending schilderde in zulke sterke kleuren de bedenkelijke stemming van Brussels bevolking, inzonderheid van het gemeen, dat de prins van Oranje beloofde, den 31sten Augustus, slechts begeleid door zijn staf, te zullen komen.

Op het vastgestelde uur had, dien 31sten Augustus de intocht van den prins van Oranje binnen Brussel plaats. Het moet een indrukwekkend schouwspel zijn geweest, den prins, bijna onverzeld, de straten te zien doorrijden, opgevuld met duizenden manschappen der burgermacht en met een gewapende menigte, die nu eens een doodsch stilzwijgen bewaarde, dan weer in woeste kreten of bedreigingen haar gewaarwordingen lucht gaf. Bij het stadhuis, waarheen de hoofden van den opstand hem geleidden, sloeg de Arabische schimmel, dien de prins bereed, achteruit en kwetste plotseling een der omstanders. De prins, die terstond een ander paard had bestegen, aan het gewoel en getier ziende, dat de volksschare tot dadelijkheden dreigde over te gaan, zette het dier in den galop en baande zich door zijn koene sprongen over de barricaden en versperringen heen een weg naar zijn paleis.

Kort hierna keerde de prins naar ’s Gravenhage terug. Tegen de meening van den kroonprins, die op milde beloften en op het herstel der grieven aandrong, gaf de koning aan prins Frederik bevel, om de gehoorzaamheid aan het wettig gezag gewapenderhand te doen terugkeeren en een aanval op Brussel te doen. Doch het gunstige oogenblik was voorbij. Het vuur van den opstand had zich wijd en zijd verbreid. Te lang had de regeering, weifelende tusschen vredelievende gezindheid en de zucht om geweld te gebruiken, gedobberd. Hierbij kwam, dat de aanval op Brussel niet met dat beleid en die doortastende kracht geschiedde, welke de waarborgen zijn van een goeden uitslag. Men wilde de stad vermeesteren; doch men wilde ze tevens zooveel mogelijk sparen en de burgerij geen geweld aandoen. Na een vierdaagsche worsteling, die aan vele wakkere soldaten het leven kostte, trokken de koninklijke troepen den 26sten September uit de stad terug. Het oproer zegevierde.

Weinige dagen na den terugtocht van ’s konings troepen uit Brussel werd, den 29sten September, in de Tweede Kamer der Staten-Generaal het besluit genomen, het staatsbestuur te splitsen zonder scheuring van het rijk en de grondwet te herzien. Aan de voornaamste eischen der Belgen had de koning niet willen tegemoet komen. Intusschen nam de strijd meer en meer het karakter aan van een oorlog, niet tegen de kroon, maar tusschen Noord- en Zuid-Nederland. De Belgen konden niet sterker naar een geheele scheiding verlangen, dan de Noord-Nederlanders zelven. Ook in het leger vertoonde zich die verdeeldheid. Geheele afdeelingen, uit Belgen bestaande, vielen af. Terwijl de wettige vertegenwoordigers van het Belgische volk in den Haag ter Staten-Generaal beraadslaagden, bestuurden eenige volksleiders den gang der gebeurtenissen in ’t Zuiden. De Potter (zie blz. 194) kwam uit de ballingschap terug, werd met uitbundige toejuiching ontvangen en mede aan ’t hoofd van ’t voorloopig bestuur te Brussel gesteld. Maar zes weken later was men hem reeds moede en verliet hij, zich er niet veilig rekenende, zijn vaderland voor de tweede maal. Ten einde, zoo mogelijk, de regeeringloosheid tegen te gaan, welke uit dezen staat van zaken dreigde voort te komen, zond Willem I, op verzoek van vele aanzienlijke Belgen, den prins van Oranje voor de tweede maal naar de kampplaats. Hij had in last, het bestuur over de getrouw gebleven gewesten op zich te nemen en de opgestane streken naar vermogen tot rust te brengen. Terstond beloofde de prins aan de Belgen de opheffing van vele hunner grieven. En toen het voorloopig bestuur, te Brussel gevestigd, de natie had opgeroepen om een congres te doen bijeenkomen en Antwerpen er ook deel aan wilde nemen, gaf de prins aan dit verlangen toe. Zoo doende ging hij verder, dan de koning had bedoeld, en werd teruggeroepen.

Terzelfder tijd, in ’t midden van October 1830, wendde Willem I zich tot de vijf groote Europeesche mogendheden, Oostenrijk, Frankrijk, Engeland, Pruisen, Rusland, als leden van ’t Weener-congres, die zich tot de handhaving van het koninkrijk der Nederlanden hadden verbonden. De gezanten dezer mogendheden openden in ’t begin van November hun eerste conferentie (bijeenkomst) te Londen. Inmiddels was de prins van Oranje naar het vaderland teruggekeerd en er met groote koelheid ontvangen. De toegevendheid, door hem jegens de Belgen aan den dag gelegd, werd hem in ’t Noorden zeer euvel geduid. Na zijn vertrek uit Antwerpen vertoonden zich ook hier en te Maastricht, tot dusver de eenige plaatsen, waar ’s konings bewind nog werd geëerbiedigd, meer en meer onrustwekkende verschijnsels. Te Maastricht handhaafde echter de generaal Dibbets het gezag der Nederlandsche regeering. Te Antwerpen daarentegen brak de opstand openlijk uit en viel menig Nederlandsch krijgsman onder de kogels der muitende menigte. David Hendrik baron Chassé, die er het bevel voerde, had de stad wel in staat van beleg verklaard, maar verzette zich in ’t eerst niet krachtig tegen de buitensporigheden van ’t gemeen. Doch eindelijk, den 27sten October, bedwong hij, ondersteund door de vloot, die onder ’t bevel van den schout-bij-nacht Koopman op de Schelde lag, door een uren lang aangehouden bombardement der stad den overmoed des vijands. Op uitnoodiging der conferentie te Londen stuitte inmiddels een wapenstilstand den verderen gang der vijandelijkheden.

Op deze conferentie bleek het weldra, dat geen der vijf mogendheden genegen was, ten behoeve van het stamhuis van Oranje-Nassau den vrede van Europa op het spel te zetten. Alsof de koning dit had kunnen vermoeden, had hij, niet alleen op die conferentie bouwende, het volk van Noord-Nederland ter verdediging van de onafhankelijkheid des lands te wapen geroepen. De oproeping vond overvloedigen weerklank bij alle standen van ’t volk. Langzamerhand stroomden duizenden manschappen naar de zuidelijke grenzen van Noord-Nederland en wachtten er geduldig ’s konings bevelen af. Intusschen maakte de conferentie de protocollen van den 20sten en den 27sten Januari 1831 bekend, waarin de geheele scheiding van Nederland en België werd uitgesproken en vastgesteld, dat 16⁄31 der gemeenschappelijke schuld ten laste van België zou komen. Middelerwijl was het nationaal congres den 10den November 1830 te Brussel bijeengekomen en had, hoewel het zich voor ’t behoud van den constitutioneel-monarchalen regeeringsvorm verklaarde, het huis van Oranje-Nassau van den troon uitgesloten. Dit congres verwierp de protocollen van Januari, terwijl Willem I verklaarde ermede in te stemmen.

De Belgen vonden niet spoedig een koning voor den door hen ledig verklaarden troon. Daarom droeg het congres het oppergezag voorloopig op aan een regent, den baron Surlet de Chokier, een rijk grondbezitter, tot dusver president dier vergadering. Eindelijk, den 4den Juni 1831, benoemde het met groote meerderheid van stemmen prins Leopold van Saksen-Koburg-Gotha, een broeder van den regeerenden hertog van Saksen-Koburg-Gotha, tot koning der Belgen. Leopold aanvaardde de regeering den 21sten Juli van dat jaar, beloofde de zeer vrijzinnige grondwet, een van de eerste vruchten der werkzaamheid van ’t congres, te zullen eerbiedigen en sloot in 1832 een tweede huwelijk met Louise, de oudste dochter van Lodewijk Philips, koning der Franschen. Inmiddels stelde de conferentie in Juni 1831 eene nieuwe protocol, de achttien artikels, op, veel gunstiger voor België dan de vorige, waarin zij de rechten van het huis van Oranje-Nassau op Luxemburg voor twijfelachtig verklaarde, België uitzichten op het bezit van Maastricht opende en vaststelde, dat het niet verplicht was, een deel der schuld van het oude Nederland over te nemen. Èn deze wijzigingen, èn het optreden van Leopold als koning brachten Willem I, reeds lang ongeduldig over den langwijligen gang van de beraadslagingen der conferentie, tot het besluit, zijn recht met het zwaard te handhaven. Marschvaardig lag de Nederlandsche krijgsmacht op de grenzen, van geestdrift gloeiende en begeerig om, was het noodig, den heldendood voor het vaderland te sterven. Zij gedacht het voorbeeld van den wakkeren Johan Karel Jozef van Speyk, die in Februari 1831, gedurende den wapenstilstand, met zijn kanonneerboot, welke de wind bij Antwerpen naar ’s vijands wal had gedreven, in de lucht vloog, liever dan de vlag te strijken voor hen, die hij als muiters tegen hun wettigen koning aanmerkte, of, wat nog erger was, ze hun prijs te geven.

Was op het eind van 1830 Nederlands leger niet bestand geweest tegen dat van België, thans, in den zomer van 1831, was die verhouding omgekeerd. Het leger van Willem I werd aangevoerd door den prins van Oranje, wien prins Frederik ter zijde stond, en telde nog geen 36,000 man. De Belgische legers, dat van de Schelde en dat van de Maas, waren omtrent 30,000 man groot. Aan ’t hoofd van ’t eerste stond de generaal de Ticken de Terhove, het bevel over het tweede voerde Daine. Het leger van de Schelde was in de nabijheid van Antwerpen geplaatst, het andere stond in het Limburgsche. Terstond besloot de prins van Oranje tusschen de beide legers door te breken, om daarna elk van hen afzonderlijk aan te vallen. Een goed deel van dit plan werd volvoerd door den tiendaagschen veldtocht, 2-12 Augustus 1831. Den 5den Augustus was de doorbreking reeds geschied. Elke dag van dien veldtocht werd door gevechten gekenmerkt. De meestbeteekenende feiten zijn, wat men de slagen bij Hasselt (den 8sten Augustus) en bij Leuven (den 12den Augustus) noemt. De eerste dezer ontmoetingen was eigenlijk niets dan één krachtige aanval op het op Hasselt terugtrekkkende leger van Daine, dat dadelijk als een kudde schapen uiteenstoof en geheel werd verstrooid. Het had een slag in den waren zin des woords kunnen worden, indien Daine minder onbekwaam en lafhartig was geweest, en zoo niet de prins van Oranje, hoogstwaarschijnlijk België liever willende winnen dan overwinnen, zich ertoe had bepaald, den vijand van zijn minderheid te overtuigen, in plaats van hem te vernietigen. In den slag van Leuven, die van meer beteekenis was, voerde koning Leopold in persoon zijn troepen aan. De Belgen werden er geheel verslagen, weken naar Leuven en hadden zonder eenigen twijfel, wilden zij niet tot den laatsten man toe gedood of gevangen genomen worden, op smadelijke wijze de wapenen moeten nederleggen. Maar nu rukte, op verzoek van Leopold, een Fransch leger onder maarschalk Gérard België binnen en was de prins verplicht, voor de meerderheid te zwichten. Hij stond eindelijk, op herhaald verzoek van den Britschen gezant te Brussel, een wapenstilstand toe, en de veldtocht nam een einde.

Wederom hervatte de conferentie op ’t einde van Augustus 1831 hare beraadslagingen, die in ’t midden van October tot een nieuwe schikking, de vier-en-twintig artikels, voerden. Bij deze artikelen werd aan België een deel van Luxemburg toegekend, waarvoor het een deel van Limburg moest afstaan. Maastricht bleef aan Nederland voorbehouden. Ten aanzien van de schuld bepaalden zij, dat België met een jaarlijksche rente van 8,400,000 gl. zou worden belast. Reeds den 15den November onderteekende Leopold, door de nederlagen van den tiendaagschen veldtocht ontmoedigd, dit ontwerp-verdrag, hoewel minder gunstig voor de Belgen dan de achttien artikels. Daarentegen weigerde Willem I de onderteekening. Hij was van oordeel, dat nagenoeg geheel Limburg een bestanddeel van Nederland behoorde te blijven en dat, voor ’t geval dat hij afstand deed van een gedeelte van Luxemburg, hij hiervoor nog verdere schadeloosstelling moest bekomen. Ook omtrent de schikking nopens de schuld kon hij niet met de conferentie instemmen. Deze verklaring van den koning van Nederland verdroot de conferentie. Twee der vijf mogendheden, Frankrijk en Engeland, sloten den 22sten October 1832 een overeenkomst, ten einde de noodige stappen te doen, om het grondgebied van België door den vijand te doen ontruimen. Ten einde dit doel te bereiken, legden zij, terwijl Willem I daarentegen gebood, de vaartuigen der Engelsche en der Fransche natie te ontzien, embargo op de Nederlandsche schepen en trok een Fransch leger van 90,000 man onder maarschalk Gérard België ten tweeden male binnen. Het rukte tegen de citadel van Antwerpen op, welker puinhoopen Chassé, na een roemrijke verdediging van negentien dagen, bij verdrag aan den vijand overgaf. De schout-bij-nacht Koopman (zie blz. 198), van oordeel zijnde, dat zijn vloot niet in het verdrag was begrepen, haastte zich, ze te vernielen en stelde zich toen met zijn manschappen ter beschikking van Gérard. Evenals de bezetting van de citadel werd de bemanning der vloot als krijgsgevangenen naar Frankrijk gevoerd.

Ook na dit wapenfeit der Franschen bleef de eindschikking met België nog steeds hangende. Willem I volhardde in zijn verzet tegen den voorslag der overmacht. Dit veroorzaakte een langdurig en zeer kostbaar bestand (status quo), daar Nederland voortdurend een zeer talrijk leger op de been moest hebben en de onzekerheid der toekomst, ofschoon het embargo in Mei 1833 werd opgeheven, den handel van groote ondernemingen afschrikte. Eindelijk noodzaakte de uitputting des lands den koning toe te geven. Den 14den Maart 1838 gaf hij te kennen, dat hij de voorwaarden der vier-en-twintig artikels inwilligde. Maar nu beweerden de Belgen weder, vermits Nederland zoo laat toetrad en zij zelven, uit hoofde der dreigende houding van hun tegenpartij, kosten hadden gemaakt, niet gehouden te zijn tot betaling van een deel der renten van de schuld. Dit verwekte nieuwe moeilijkheden, die ten laatste door het eindverdrag van den 19den April 1839 uit den weg werden geruimd. Dit verdrag, hetwelk de vier-en-twintig artikels eenigszins wijzigde, bepaalde, dat België een afzonderlijk rijk werd; dat het aandeel van België in de rente der staatsschuld, jaarlijks van den 1sten Januari 1839 af te betalen, 5,000,000 gl. zou zijn; dat het Duitsche verbond en de groothertog de westelijke helft van Luxemburg aan België afstonden; dat België hiervoor afzag van een gedeelte van Limburg, zoodat aan Nederland dat deel bleef, hetwelk aan den rechteroever der Maas ligt, alsmede de stad Maastricht met het omliggend land en het gebied ten n. van een lijn, getrokken van de zuidelijke punt van Noord-Brabant naar de Maas, ten n. van Stevensweert. Deze streek van Limburg heette „hertogdo” en maakte—behoudens Maastricht en Venlo, die alleen tot Nederland bleven behooren,—van nu aan een deel uit, zoowel van het koninkrijk der Nederlanden, als van het Duitsche verbond.

In vele opzichten bleef de verhouding van Limburg tot Duitschland zeer vreemd. Het zond afgevaardigden naar de Staten-Generaal, maar was verplicht troepen voor het Duitsche verbond op de been te houden en werd ten deele door verordeningen van dat verbond geregeerd. Eerst in 1866 is de betrekking van Limburg met Duitschland geheel verbroken. In ’t jaar 1840 werd bepaald, dat Holland van nu aan in Zuid- en Noord-Holland zou worden gesplitst, zoodat het koninkrijk der Nederlanden thans uit tien provinciën en uit het hertogdom Limburg bestond. Één jaar vroeger was de oudste zoon van den kroonprins (zie blz. 186) getrouwd met prinses Sophia Frederika Mathilde, de jongste dochter van Willem I, koning van Wurtemberg, als koningin der Nederlanden overleden in Juni 1877. Uit dit huwelijk sproot in 1840 prins Willem, overleden Juni 1879, in 1851 prins Alexander.

Toen koning Willem I in de eerste jaren van den Belgischen opstand met moed en volharding wederstand bood zoowel aan de eischen van België, als aan die der conferentie te Londen, was er niemand, die hem meer steunde en deze houding meer toejuichte, dan de Nederlandsche natie zelve. Langzamerhand echter veranderde die stemming, toen de koning, na aan de roepstem der eer ruimschoots te hebben voldaan, steeds hopende op eenige wijziging in de staatkunde der groote mogendheden of op een omkeering van zaken in Europa, er volstrekt niet toe was te bewegen, van zijn stelsel van volharding af te wijken. En nadat het eindelijk bekend was geworden, dat een verbazend hoog cijfer van staatsschuld de uitkomst was der volhardende staatkunde, maakte de gehechtheid van ’t volk aan zijn vorst plaats voor wantrouwen en verkoeling. Thans deed het Noord-Nederlandsche volk ten deele dezelfde klachten hooren, die vroeger alleen in ’t Zuiden waren geuit. Het verlangde een duidelijke openlegging van den toestand van ’s lands financiën, waarborgen tegen misbruik van gezag, verantwoordelijkheid van ’s konings ministers, in ’t kort gewichtige hervormingen in het staatsbestuur. Bij de overige redenen van ontevredenheid kwam weldra een andere, die het misnoegen tot den hoogsten graad deed stijgen. Men vernam, dat de koning, die sinds 1837 zijn echtgenoot (zie blz. 163) door den dood had verloren, het voornemen koesterde, tot een tweede huwelijk over te gaan met de gravin d’Oultremont de Wigimont, een der dames van het huis van wijlen de koningin. Doch de gravin was een Belgische en Roomsch-katholiek. Dit was genoeg, om de meerderheid der Nederlanders tegen het huwelijk in te nemen.

Zooveel tegenstand verdroot den koning. Afgemat door den negenjarigen kamp, had hij geen geneigdheid, ook zijn laatste levensjaren in een eindelooze worsteling door te brengen. Onverwachts begaf hij zich in den herfst van ’t jaar 1840 uit ’s Gravenhage naar het Loo en ontbood er zijn zonen en kleinzonen, alsmede zijn ministers. Hun deelde hij den 7den October mede, dat hij van dat oogenblik af afstand deed van de kroon en ze overdroeg aan den zoon, hiertoe door de grondwet aangewezen. De daad, schier zonder eenige plechtigheid volbracht, werd nog denzelfden dag ter kennis van ’t volk gebracht. In ’t volgende jaar huwde Willem I, nu „graaf van Nassa” geheeten, de gravin d’Oultremont en leefde vervolgens bij afwisseling te Berlijn, op zijn goederen in Silezië en op het Loo, totdat hij den 12den December 1843 te Berlijn overleed.

Den 28sten November 1840 werd willem II in de Nieuwe kerk te Amsterdam met groote plechtigheid ingehuldigd. Het was geen gunstige tijd, om de regeering over Nederland te aanvaarden. De natie en de schatkist beide waren uitgeput, en de leiders der volksmeening wezen op een doortastende herziening der grondwet, als op het eenige middel om tot welvaart en nationale kracht te geraken. Deze meening deelde Willem II geenszins. Hetgeen echter de meeste moeielijkheden baarde was de toestand van ’s rijks financiën. Nadat de pogingen van een paar ministers van financiën ter herstelling van een geregelden toestand der geldmiddelen schipbreuk hadden geleden, droeg Willem II in September 1843 het tijdelijk bestuur van het departement van financiën aan den minister van justitie, Floris Adriaan van Hall, op. Ten einde in alles, wat voorziening behoefde, te voorzien, was het volstrekt noodzakelijk, zware offers van de natie te vergen. Hiertoe toonde het volk zich in 1844 bereid door, volgens een ontwerp van van Hall, een leening tot een bedrag van 127,000,000 gl., naar 3 pct. ’s jaars, zoo goed als vol te teekenen. Aan het verlangen naar een herziening der grondwet in vrijzinnigen geest werd voldaan in ’t jaar 1848 te midden der volksbewegingen, die de meeste staten van Europa op hun grondvesten deden schudden. Luxemburg kreeg in ’t zelfde jaar een nieuwe grondwet, waarbij het zijn afzonderlijke vertegenwoordiging, die het in 1841 had bekomen, behield.

De hoofdtrekken der Nederlandsche grondwet van 1848 zijn: De kroon is erfelijk, zoowel in de mannelijke als in de vrouwelijke linie van het huis van Oranje. De koning heeft de uitvoerende macht en deelt de wetgevende macht met de Staten-Generaal. Hij heeft het opperbevel over de land- en de zeemacht en het opperbestuur der koloniën. Hij benoemt de ministers, die voor de daden der regeering verantwoording zijn verschuldigd aan de natie. De Staten-Generaal vertegenwoordigen het geheele volk. Zij bestaan uit een Eerste en een Tweede Kamer, voor welker leden de ouderdom van dertig jaren een vereischte is. De leden der Eerste Kamer, ten getale van negen-en-dertig, worden door de provinciale staten benoemd uit de hoogst aangeslagenen in de directe belastingen. Zij hebben zitting voor negen jaren. De leden der Tweede Kamer worden rechtstreeks door de burgers gekozen, welke meerderjarig zijn en een zekere som in de directe belastingen betalen. Het aantal der leden, die voor vier jaren zitting hebben, is thans vijf-en-zeventig. Voorzitter der provinciale staten is de commissaris des konings.

Het was Willem II niet gegeven, de vruchten te aanschouwen van het werk, waartoe hij den grond had gelegd. Reeds den 17den Maart 1849 stierf hij te Tilburg, aan welke plaats hij gedurende zijn leven zeer gehecht was geweest. Het volk van Nederland betreurt hem als een held, die aan de grootsche gestalten zijner voorvaderen uit het huis van Oranje herinnerde, en als een welwillend koning, die in moeielijke dagen met beleid voor zijn belangen had gewaakt.

Een paar woorden over de regeering van ’s konings zoon en opvolger willem III mogen tot slot van dit hoofdstuk verstrekken. Onder zijn bewind werd eindelijk in 1853 het droogmaken van ’t Haarlemmermeer (zie blz. 188), een in Juni 1848 aangevangen reuzenwerk, voltooid. In 1853 werd tevens weder een bisschoppelijk bestuur der Roomsch-katholieke kerk ingevoerd, waarvan Utrecht als aartsbisdom de hoofdzetel is. Onder de vele wetten, die, als uitvloeisel van de in 1848 uitgevaardigde grondwet, zijn tot stand gekomen, verdienen de kies-, de gemeente- en de provinciale wet te worden genoemd. In 1857 verving een wet op het lager-onderwijs die van 1806. Zij werd in 1863 gevolgd door een wet op het middelbaar onderwijs, in 1876 door een op het Hooger-Onderwijs.

Zooveel wat aangaat het binnenlandsch bewind. Ten aanzien van de buitenlandsche betrekkingen behoort het verdrag van Februari 1871 te worden vermeld, bij hetwelk de Nederlandsche bezittingen op de Kust van Guinēa (in ’t w. van Afrika) voor de som van 24,000 sterling aan Groot-Britannië werden afgestaan. Twee jaar daarna, in Maart 1873, brak, ter zake van zeerooverij, een oorlog los van Nederland tegen den sultan van Atjeh (op de westkust van Sumātra), die nog steeds voortduurt. In Juni 1877 overleed de koningin (zie blz. 202), in Januari 1879 prins Hendrik, ’s konings broeder (zie blz. 186).

pond
pond
Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings