§ 31.
Reading edition
Het regentschap van de gouvernante Anna, de voogdij van den hertog van Brunswijk en het stadhouderschap van Willem V tot het begin van den oorlog tusschen Engeland en Nederland.
Op den dag zelven van ’t overlijden van Willem IV werd anna als gouvernante en voogdes erkend van Willems eenigen zoon, willem V (1751-1795, overl. 1806), die in 1748 was geboren. De hertog van Brunswijk werd tot vertegenwoordiger van den kapitein-generaal benoemd. Tevens bleef hij de raadsman der gouvernante en hield een wakend oog op ’s prinsen opvoeding. Vele waren de vakken, waarin de jonge vorst uitmuntte. Maar weldra bleek het, dat men in hem de voortvarendheid, de veerkracht en de vastheid miste, die, zooals beneden zal blijken, juist in die dagen onontbeerlijke eigenschappen in ’t karakter van den stadhouder en kapitein-generaal der Republiek waren. Ook ontbrak hem het rechte doorzicht, om de gebreken, die er waren, naar eisch te doorgronden. In plaats van die hoedanigheden had hij de zucht, om, terwijl hij de gewichtigste en dringendste aangelegenheden verzuimde, zich met nietsbeteekenende zaken te bemoeien.
De eenige gebeurtenis van eenig gewicht, die in de eerste jaren van Anna’s regentschap voorviel, was de schikking, die in 1754 met den koning van Pruisen, Frederik II, werd getroffen nopens de goederen van het huis van Oranje-Nassau, hem vroeger toegedeeld (zie blz. 147). Bij deze overeenkomst stond de koning die goederen voor een groote som aan Willem V af. De zeeoorlog, die in 1756 tusschen Frankrijk en Engeland (Overzicht, blz. 167) losbarstte, bracht Nederlands regenten in groote moeielijkheden. Zoowel van den kant van Engeland, als van dien van Frankrijk werden pogingen gedaan, om Nederland aan zijn zijde te doen medestrijden. Desniettegenstaande wenschten de Staten-Generaal een onzijdige houding aan te nemen, en de schranderheid en de gematigdheid van de raadslieden der gouvernante wisten deze staatkunde, welke het welzijn van ’t vaderland vereischte, te handhaven. Zij zegevierde in weerwil van de thans herlevende, nimmer geheel verdwenen staatspartijen, waartoe een goed deel van Nederlands ingezetenen behoorde.
Welhaast leerde de tijd, hoeveel nadeel ook een oorlog, waaraan de Republiek geen deel nam, aan haar bewoners kon toebrengen. Een menigte Nederlandsche koopvaardijschepen, die scheepsbehoeften of andere goederen naar Frankrijks havens voerden en vandaar kwamen, werden, in strijd met vroeger gesloten verdragen, door de Engelschen als goede prijzen opgebracht. Daarenboven beroofden de Britsche kapers ook die Nederlandsche vaartuigen, welke noch naar Frankrijk waren bestemd, noch de havens van dit rijk hadden aangedaan. Bij de nadeelen, die de handel op deze wijze leed, kwamen nog die, welke hij van Algiers en Marokko had te lijden. Het bleek, dat de zeemacht van de Republiek zelfs niet tegen die van deze roofstaten bestand was. Dit alles berokkende de gouvernante menigen vijand. Men verweet haar, dat zij, van geboorte een Engelsche prinses, de belangen van Nederland ter wille van Groot-Britannië verwaarloosde. Elders verwekte de manier, waarop zij openstaande plaatsen in de vroedschap vervulde, haar menigen tegenstander. Toen zij in 1759 was gestorven, nam de hertog van Brunswijk de taak der voogdij op zich. In Friesland beschouwde men de prinses-grootmoeder Maria Louise (zie blz. 139), door de Friezen Maike-Moei genoemd, als regentes en regeerde op haren naam.
Eerst in 1763 kregen Nederlands handel en zeevaart rust, toen de vrede van Parijs een einde aan den zevenjarigen oorlog maakte (Overzicht, blz. 167). Drie jaren later, in 1766, aanvaardde de erfstadhouder, thans den leeftijd van achttien jaren hebbende bereikt, de hooge ambten, voorheen door zijn vader bekleed. Tevens werden hem die bedieningen, welke niet erfelijk waren verklaard, als het opperdirecteur-gouverneurschap over de compagnieën (zie blz. 149), gelijk vroeger aan Willem IV, opgedragen. De hertog van Brunswijk werd door Zijn Hoogheid en door de staten der verschillende gewesten met een som van ruim 600,000 gl. begiftigd. De staten van Holland en de Staten-Generaal gaven hem terzelfder tijd te kennen, dat zij zeer wenschten, dat hij voortging, den staat voortdurend ten dienste te staan. Niets kon hem, die reeds vreesde, met het einde zijner voogdij, al zijn invloed op den loop der zaken te zullen verliezen, aangenamer zijn, dan dergelijke betuiging. Hiervoor behoefde echter niet de minste vrees te bestaan, want reeds vóór het einde der voogdij, den 3den Mei 1766, had de prins den hertog verzocht, met hem een geschrift te onderteekenen, waarin hij zich verbond, hem, den stadhouder en kapitein-generaal-admiraal, in alle aangelegenheden van ’t bewind met raad en daad ter zijde te zullen staan. In dit geschrift, de akte van consulentschap geheeten, beloofde de prins hem plechtig, dat hij te dier zake van alle verantwoordelijkheid zou zijn ontslagen. Het stuk zelf bleef in de dagen, toen het werd opgesteld en geteekend, voor ieder, behalve voor zeer weinige personen, een geheim. Thans was de hoogste staatsdienaar, wiens ambten hem, krachtens de erfelijkverklaring, van rechtswege toekwamen, niets dan een onmondige, onder een voortdurende voogdij verkeerende.
Het is zeer waarschijnlijk, dat ’s prinsen volgzaamheid jegens den hertog zich al dadelijk in de keuze eener gemalin betoonde. Niet een Engelsche prinses werd dit, maar Frederika Sophia Wilhelmina, een dochter van prins August Willem, een broeder van Frederik II, koning van Pruisen. Uit Willems huwelijk sproten drie kinderen: Frederika Louisa Wilhelmina, later gehuwd met Karel George August, erfprins van Brunswijk, en twee zonen, Willem Frederik, geboren in 1772, en Willem George Frederik, geboren in 1774. De tweede dier zonen werd later, gedurende den tweeden coalitie-oorlog (Overzicht, blz. 180, 181), generaal in dienst van Frans II, keizer van Duitschland, en overleed in 1799 aan een ziekte. Het gezin des stadhouders bewoonde ’s Gravenhage, gelijk ook Willem IV sedert 1747 had gedaan. Over ’t geheel waren de eerste jaren van het stadhouderschap van Willem V, nadat hij meerderjarig was geworden, een gelukkig tijdperk, voor hem en voor den staat. Het was vrede in ’t Westen en Zuiden van Europa. Een ongestoord handelsvertier gaf welvaart en overvloed tot bij den geringsten burger. De vrij lange reeks van jaren, gedurende welke de Zeven Gewesten den vrede hadden genoten, hadden zij zich te nutte gemaakt, om den toestand der geldmiddelen op een beteren voet te brengen. Stein (zie blz. 150) maakte dit tot het voorwerp van zijn aanhoudend streven.
Nogtans waren er gronden, om de toekomst met bezorgdheid tegemoet te zien. Had Willem IV langer geleefd, misschien ware het hem gelukt, de partijschappen langzamerhand te doen verdwijnen, of althans haar kracht te doen verliezen. Met veel beleid had hij dit doel in de hand gewerkt. Doch de ineensmelting der partijen mocht geenszins plaats grijpen. Reeds de zeeoorlog (zie blz. 152) riep de voormalige verdeeldheid weder in ’t leven. Het waren de staatsgezinden, die de deelneming aan dien oorlog ten gunste van Frankrijk voorstonden, terwijl de aanhangers des stadhouders voor Engelands belangen streden. En licht kon men in de eerste jaren van het stadhouderschap van Willem V voorzien, dat slechts één of meer aanleidende oorzaken noodig waren, om de partijen in vijandschap tegenover elkander te doen staan. Bij de oude namen (zie blz. 89 en 112) kregen de partijen in deze dagen nieuwe. Zij, die tot de staatsgezinden behoorden, werden ook patriotten of keezen genoemd. Met de jaren veranderden, sinds de partij meer leden aanwon, ook de begrippen. In plaats van alleen te streven naar beperking van ’t stadhouderlijk gezag, zooals weleer, ten behoeve der regenten, waren er vele onder de staatsgezinden, die, naar volkomen gelijkstelling aller burgers staande, de leer der volkssouvereiniteit huldigden. De andere partij werd die der Oranjemannen of Oranjeklanten genoemd. Een andere reden tot bezorgdheid was hierin gelegen, dat de landprovinciën het geld, hetwelk Holland, Zeeland en Utrecht voor de vloot verlangden te besteden, aan het leger wenschten te koste te hebben gelegd. Terwijl dan de eene reeks gewesten niet voor de andere wilde wijken, werd doorgaans niets gedaan.
Alles intusschen tezamengenomen, was er veel, dat, tegen het begin van het laatste vierde gedeelte der 18de eeuw, aan de Republiek grond gaf, zich gelukkig te achten. Doch op dat tijdstip brak de oorlog van Engeland met zijn volkplantingen in Noord-Amerika (Overzicht, blz. 168 vlg.) los. Deze oorlog gaf het sein tot een overmaat van rampen, die zich over het vaderland uitstortten. Nauwelijks waren de Noord-Amerikanen in verzet gekomen, of de gezant van Engeland, Yorke, beklaagde zich bij de Staten-Generaal over den handel in wapenen en krijgsvoorraad, dien Nederlanders uit de bezittingen der West-Indische compagnie met de opgestane bewoners der volkplantingen dreven. Vooral was de aandacht van Engelands regeering gevallen op het eiland St. Eustatius (zie blz. 92). Hierheen deden de Nederlanders vervoeren, wat zij maar wilden, en het vandaar den Amerikanen te doen toekomen viel zeer gemakkelijk. Onmiddellijk na Yorke’s mededeeling verboden de Staten-Generaal in 1775 den toevoer van krijgsbehoeften naar de Amerikaansche volkplantingen ten scherpste. Maar de bevelen der Staten-Generaal werden voortdurend òf openlijk overtreden, òf ontdoken. De sluikhandel gaf te veel winsten, dan dat men er aan dacht, dien te staken. Met de klachten van den Engelschen gezant hielden die der Nederlandsche kooplieden gelijken tred, welke luide riepen over het onderzoeken, opbrengen en voor goeden prijs verklaren hunner vaartuigen of waren door Engelsche oorlogschepen.
Dan dit alles was nog van weinig beteekenis in vergelijking met hetgeen verder plaats greep. Ernstiger werd de verstandhouding van Nederland met Engeland bedreigd, toen de vrede tusschen dezen staat en Frankrijk (Overzicht, blz. 169) werd verbroken. De Engelsche regeering, thans meer dan ooit vreezende, dat haar vijanden door de Nederlandsche kooplieden werden voorzien van hetgeen zij voor den oorlog behoefden, verdubbelde haar nauwlettend toezicht. Meer en meer scheen het duidelijk te worden, dat Engeland tot een openbare breuk met de Republiek zocht te komen. Genoegzamen grond hiervoor had het nog niet; doch deze deed zich, naar de meening van de Engelsche regeering, weldra op. In 1778 sloot Frankrijk een handelsverdrag en verbond met de Vereenigde Staten van Noord-Amerika. Een gemachtigde dier staten, William Lee, gaf te Aken aan een aanzienlijk Amsterdamsche koopman, Jan de Neufville, te kennen, dat Amerika wel geneigd was, een dergelijk verdrag of althans een handelsverbintenis met de Republiek aan te gaan. De Neufville maakte dit aan de burgemeesters van Amsterdam bekend, die aan Lee deden weten, dat zij gezind waren, naar hun vermogen het hierheen te leiden, dat tusschen de Vereenigde Staten en deze Republiek een verdrag van vriendschap en handel werd gesloten, zoodra Engeland de onafhankelijkheid der staten zou hebben erkend. Na deze betuiging van bereidvaardigheid kwam nog in ’t zelfde jaar, 1778, een schets of ontwerp op het papier, opgesteld door de Neufville en Lee, van een verdrag, dat tusschen de Vereenigde Staten van Noord-Amerika en de Staten-Generaal zou kunnen worden gesloten.
Twee jaren lang bleef deze onderhandeling bedekt. Toen kwam zij aan het licht. In 1780 vertrok Henry Laurens, die in 1777 president van ’t congres was geweest, aan boord van een pakketboot van Philadelphia naar Nederland. Den 10den September van dat jaar werd het schip op de hoogte van New-Foundland door een Engelsch fregat genomen en naar Londen opgebracht. Even vóór de vermeestering der pakketboot wierp Laurens een doos, het ontwerpsverdrag bevattende, in zee. Doch daar het lood, aan de doos gehecht, niet zwaar genoeg was, om ze te doen zinken, vischten de Engelschen ze op. De gezant Yorke diende, uit naam van George III, over deze zaak bezwaren in. Gelijktijdig hiermede was de ontwikkeling eener andere aangelegenheid, die eindelijk het hangend onweder deed losbarsten. Door toedoen van Katharina II, keizerin van Rusland, sloten de Noordsche mogendheden, Rusland, Zweden en Denemarken, in 1780, onder den naam van het stelsel eener gewapende onzijdigheid, onderling een verdrag, ten einde het vrije verkeer ter zee te handhaven. Op uitnoodiging van Rusland besloten de Staten-Generaal eveneens toe te treden, waarop Nederlands afgevaardigden te Petersburg het verdrag onderteekenden. Maar ter zelfder tijd, als de Republiek haar aansluiting aan de Noordsche mogendheden aan Europa’s hoven mededeelde, in ’t laatst van 1780, verklaarde Engeland aan de Zeven Gewesten den oorlog.