§ 15.
Reading edition
De regeeringsvorm der Republiek van de Zeven Vereenigde Gewesten.
Het spreekt vanzelf, dat eerst de onlusten, vervolgens de unie van Utrecht en de afzwering van Philips een groote verandering in den regeeringsvorm der Nederlanden teweeg brachten. Vóór dien tijd toch was de hertog, graaf of heer souverein, daar hij alle gezag, dat van rechtswege den koning der Franken, later den keizer toekwam, allengs aan zich had getrokken. Aan geregelde staatsrechtelijke beperking van de heerschappij dier vorsten door ’t volk of door eenig deel daarvan werd niet of slechts bij wijze van uitzondering gedacht. Sedert evenwel de staten meer en meer door de vorsten werden geraadpleegd, begonnen zij de medewerking tot de regeering als een recht te eischen. Van 1572 af begint de medewerking der staten tot de regeering in Holland, in 1576 die van de Algemeene Staten. En van lieverlede breidde zich hun invloed op het bewind uit, totdat de staten der verschillende gewesten, na het vertrek van Leicester, in 1588, in plaats van wederom een hoofd aan te stellen, zelven de hooge overheid in handen namen.
Daarom is het jaar 1588 het tijdstip van de vestiging van de Republiek der Vereenigde Nederlanden. Gedurende het bestaan dier Republiek berust de souvereiniteit bij elk gewest in ’t bijzonder, d. i. bij ’t lichaam van de edelen en de vroedschappen (burgemeesters en raden) der steden, die de afgevaardigden ter statenvergadering benoemen. In ieder der zeven gewesten was de vergadering der staten op een bijzondere wijze ingericht. Gelderland bestond uit drie kwartieren: dat van Nijmegen, dat van Zutfen en dat van Arnhem of van de Veluwe. In plaats van de bannerheeren (zie blz. 37), die uit hoofde van hun gehechtheid aan de Spaansche regeering niet meer als afzonderlijk lid werden gedoogd, namen nu de edelen of ridderschap als eerste lid zitting. Het tweede lid der staten waren de steden. Ieder kwartier had één stem.
De statenvergadering van Holland bestond uit negentien stemmen, waarvan de edelen één en de steden de overige hadden. De steden waren ten getale van achttien, verdeeld in zes groote en twaalf kleine steden. Elke stad had haren pensionaris, die de afgevaardigden vergezelde en voor hen het woord voerde. De advocaat van den lande, kort na Oldenbarnevelts dood raadpensionaris, bracht de stukken ter tafel en liet erover stemmen. Al wat tot het gebied der rechtszaken behoorde was de taak van ’t hof van Holland. Boven dat hof stond de hooge raad, opgericht in 1582, aan welks rechtsgebied ook Zeeland was onderworpen. Een zeer gewichtig ambt was dat van den advocaat van den lande, of, sedert 1630, raadpensionaris. Hij was de ziel van der staten raadplegingen, de hoofdleider van alle gewichtige bedrijven. Hij was belast met het houden van briefwisseling met de gezanten der Republiek aan vreemde hoven en had alzoo veel invloed op den gang der buitenlandsche aangelegenheden.
In Zeeland zonden alleen de eerste edele, die de eenige vertegenwoordiger was van den adel in die provincie, en zes steden afgevaardigden naar de staten. Er waren dus zeven stemmen. Ten gevolge van den opstand tegen Spanje was het eerste der drie leden, de abt van Middelburg, van zijn recht van zitting in de vergadering der staten verstoken geworden. Alzoo werd nu de eerste edele het voornaamste lid. De waardigheid van eersten edele droegen de staten achtereenvolgens aan alle prinsen van Oranje op, n.l. aan Maurits, Frederik Hendrik, Willem II, Willem III, Willem IV, Willem V. De staten van Utrecht waren uit drie leden samengesteld: de geëligeerden, de edelen en de stad Utrecht, benevens een paar kleinere steden. Er waren dus drie stemmen. Het eerste lid was dat der geëligeerden. Vroeger waren dit Roomsche geestelijken (zie blz. 40). Na de omwenteling der 16de eeuw waren het edelen en burgers van den hervormden godsdienst. Ongeveer dezelfde bemoeiingen als de raadpensionaris in Holland had hier de secretaris van staat.
Friesland was in vier kwartieren verdeeld, Oostergo, Westergo, Zevenwolde en de steden, ten getale van elf. Elk kwartier had op den landdag één stem. De statenvergadering of landdag van Overijsel telde twee leden, de edelen uit de drie kwartieren Salland, Twente en Vollenhoven, en de hoofdsteden Deventer, Kampen en Zwol. De wijze van stemmen was zeer eigenaardig, daar de ridderschap niet één college uitmaakte, maar hoofd voor hoofd stemde, terwijl elke stad één stem had.
Groningen bestond uit twee leden, de stad en de Ommelanden, gezamenlijk „stad en lande” genoemd. Zij deelden het oppergezag zoo met elkander, dat de burgemeesters en de raadsheeren, welke de stad zond, de eene stem hadden, en de drie kwartieren, waaruit de Ommelanden bestonden, n.l. Hunsingo, Fivelingo en ’t Westerkwartier, de andere. Zooals in Friesland, had, bij staking van stemmen, de stadhouder de beslissing. De staten van Drente waren samengesteld uit twee leden. Het eerste lid waren de ridders, ten getale van niet meer dan achttien. Het tweede lid was dat der eigenerfden. De heeren van de ridderschap hadden één, de eigenerfden twee stemmen.