§ 36.
Reading edition
Het koninkrijk der Nederlanden tot den opstand van België.
Tot de vereeniging van Nederland met België had men besloten in ’t belang van ’t evenwicht van Europa. Verschillende omstandigheden, bovenal de vrees voor Frankrijk, deden, toen men dit besluit nam, over alle bedenkingen heenstappen. Anders zou men waarschijnlijk de tegenwerping van het ongelijksoortige der bevolkingen, die men aan elkander hechtte, zwaarder hebben doen wegen. Twee natiën toch werden bijeengevoegd, van elkander verschillende in karakter, zeden en neigingen, in godsdienst en lotgevallen, ten deele ook in taal en belangen. Hoe uiteenloopend evenwel de beide bestanddeelen van ’t koninkrijk der Nederlanden in menig opzicht mochten zijn, dit uiteenloopen schijnt de bewering niet te wettigen, dat de stichting van dit koninkrijk een ondoordacht werk was. Het was niet voor de eerste maal dat de beide volkeren onder één bewind werden vereenigd. Tegen de bijeenvoeging van Nederland en België valt niet meer in te brengen, dan tegen de samenstelling van alle of van de meeste van Europa’s staten.
Dat onder de deugden van Willem I werkzaamheid een eerste plaats bekleedde, toonde deze vorst in de vele jaren zijner regeering over het koninkrijk der Nederlanden. Een der eerste wetsontwerpen, door de Staten-Generaal aangenomen, was dat van den 29sten September 1815, waarbij de ridderorde van den Nederlandschen Leeuw werd ingesteld. Reeds vroeger, in April van ’t zelfde jaar, had de Militaire Willemsorde het aanzijn gekregen. In 1816 trad de prins van Oranje in het huwelijk met Anna Paulowna, de jongste zuster van Alexander, keizer van Rusland. Uit dit huwelijk sproten o. a.: Willem Alexander Paul Frederik Lodewijk, geboren in 1817; Willem Frederik Hendrik, doorgaans prins Hendrik der Nederlanden geheeten, geboren in 1820, tijdens zijn leven luitenant-admiraal van de vloot en ’s konings stedehouder in Luxemburg; Wilhelmina Maria Sophia Louise of prinses Sophia, geboren in 1824, in 1842 getrouwd met Karel Alexander Augustus Jan, sinds 1853 groothertog van Saksen-Weimar-Eisenach. Eenige jaren na zijn broeder, 1825, trouwde ’s konings tweede zoon (zie blz. 163), prins Frederik der Nederlanden, met Louise Augusta Wilhelmina Amalia, een dochter van Frederik Willem III, koning van Pruisen.
Intusschen kon de herboren staat, ook na den val van Napoleon, de wapens nog niet geheel laten rusten. De dey van Algiers had zijn zeerooverijen, waardoor de handel in de vorige eeuw reeds zooveel had geleden, hervat. Daarom bombardeerden de Engelsche admiraal, lord Exmouth, en de Nederlandsche vice-admiraal, Theodoor Frederik baron van der Capellen, in Augustus 1816 de stad Algiers. De uitkomst beantwoordde aan het doel. Toen Algiers voor de helft in puin lag en de vloot van den dey was verbrand, ging hij op den dag na het bombardement een verdrag aan, hetwelk de veiligheid der Middellandsche Zee herstelde en waaraan meer dan 1000 Christenslaven hun vrijheid hadden te danken. Terzelfdertijd geraakte het nieuwe koninkrijk in ’t bezit zijner Oost- en West-Indische koloniën, die het tot dusverre, door den oorlog op het vasteland verhinderd, niet had kunnen overnemen.
Er verliepen, sedert 1815, weinige jaren, of de onderdanen van Willem I hadden redenen om met hun toestand tevreden te zijn. De akkerbouw geraakte weldra tot aanmerkelijken bloei. Vele handen bleven voor dezen tak van bestaan beschikbaar door de bepalingen der grondwet, die onderscheid maakten tusschen het staande leger en de nationale militie. Het eerste bestond slechts uit vrijwilligers, de laatste deels uit vrijwilligers, deels uit hen, welke de loting hiertoe verplichtte. De militie evenwel kwam maar één maand in ’t jaar onder de wapens. Evenals de landbouw, deed de bergbouw belangrijke schreden voorwaarts. Niet zoo gunstig stond het met de fabrieken en manufacturen. Hoe nadeelig de invloed van het continentaal-stelsel in ’t algemeen ook was geweest, op ’t vasteland had menige fabriek er haar opkomst of meer vertier harer voortbrengselen aan te danken gehad. Deze betrekkelijke voorspoed verdween thans weder met de oorzaak, die hem had doen geboren worden. Intusschen was die tijd van overgang kort. De koophandel en de zeevaart van het koninkrijk der Nederlanden verschaften mettertijd aan de voortbrengselen der fabrieken, welke den kwaden dag verduurden, in een deel van Europa, en bovenal in ’s lands koloniën een marktplaats. Behalve de genoemde bedrijven, herleefden die, welke van ouds de bronnen van Nederlands welvaart waren geweest, de handel en de zeevaart. Naast het rijke Amsterdam en zijn mededinger Rotterdam begon Antwerpen, niet langer door sluiting der Schelde of oorlog met Engeland belemmerd, allengs op te komen.
Was dit alles het werk der regeering? Geenszins. Doch deze verdienste had de regeering, dat zij de pogingen der natie in de hand zocht te werken en zich inmiddels zelve van de plichten poogde te kwijten, welke hare roeping haar oplegde. Aan Utrecht schonk zij een veeartsenijschool, aan Seraing (nabij Luik, aan de Maas) een zeer groote fabriek voor machines, die met de beste van dien aard kon wedijveren, welke Engeland bezat. Van haar menschlievendheid gaf de regeering een in ’t oog vallend blijk door in 1818, op ’t voorbeeld van Engeland, den slavenhandel af te schaffen. Ter bevordering van de gemeenschap, die het vervoer van de voortbrengselen der nijverheid zoozeer vereenvoudigt, liet koning Willem I zich inzonderheid veel gelegen liggen aan de verbetering der groote wegen. Het waren meestal straatwegen, die door zijn toedoen werden aangelegd; maar onder zijn bewind werd ook de eerste spoorweg in Nederland, die van Haarlem naar Amsterdam, den 24sten September 1839 voor het publiek geopend.
Vooral hield Willem zich ijverig bezig met het scheppen of bevorderen van binnenlandsche waterwegen. In dergelijke ondernemingen stelde hij zooveel belang, dat hij er persoonlijk uit eigen middelen deel aan nam. Kort na zijn komst in het vaderland liet hij de haven „het Nieuwe Die” (ten o. van den Helder) aanleggen. Met die haven stond in verband het groote Noord-Hollandsche Kanaal, hetwelk van het Nieuwe Diep tot Amsterdam loopt en voor groote zeeschepen bevaarbaar is. Dit reusachtige werk werd in 1825 voltooid. In 1830 kwam het Apeldoornsche Kanaal, van Apeldoorn naar Hattem in den Ysel loopende, tot stand. Reeds vroeger, in 1822, had men een begin gemaakt met het graven van de Zuid-Willemsvaart tusschen ’s Hertogenbosch en Maastricht, een even grootsch gewrocht, als het Noord-Hollandsche kanaal, hetwelk mede binnen eenige jaren voor de vaart werd opengesteld. Hierdoor bekwam men een waterweg van Maastricht tot den Helder. Onder de bijzondere personen, die met Willem het aanleggen van kanalen als een hoofdtaak van hun leven beschouwden, moet in de eerste plaats baron van Dedem worden genoemd (overleden in 1851), de schepper van de Dedemsvaart, welke, van Hasselt uit, het geheele Noorden van Overijsel, van ’t W. naar ’t O., doorsnijdt en met een tak in de Nieuwe Vecht loopt. Naast de vaarten en kanalen waren de indijkingen en inpolderingen een der onderwerpen, waarbij Willem gaarne zijn aandacht bepaalde en welke hij zeer bevorderde. Vooral was het droogmaken van ’t Haarlemmermeer een zijner lievelingsplannen. De zaak, reeds zeer vaak (zie b. v. blz. 97) overwogen, kwam in 1838 zoo ver, dat de koning een ontwerp van wet tot droogmaking van dat meer bij de Tweede Kamer der Staten-Generaal liet indienen; maar het werd met een groote meerderheid van stemmen verworpen.
Het waren evenwel niet alleen de dingen van stoffelijken aard, waarin de koning belang stelde. Terecht begreep hij, dat de natie hoogere belangen had, waarvoor hij in de eerste plaats had te waken. Van die belangen achtte hij het onderwijs het gewichtigste. Veel heeft hij voor deze maatschappelijke instelling gedaan. Men overdrijft niet, wanneer men beweert, dat in België, ten tijde der samenvoeging, het lager onderwijs zoo goed als niet bestond. Volvaardig nam Willem de taak op zich, in dit gemis te voorzien. Hij richtte een paar normaalscholen ter opleiding van onderwijzers en een groot aantal modelscholen op, alles ten koste van de staatskas. Wat de koning voor het hooger-onderwijs deed, toont alleen de vermelding, dat hij het voor het Noorden regelde bij een besluit van den 2den Augustus 1815 en voor het Zuiden bij een besluit van den 25sten September 1816. Nu werden de Hoogescholen van Leiden, Utrecht, Groningen en Leuven tot een nieuw leven geroepen. Te Gent en te Luik verrezen thans voor ’t eerst academiën. De hoogescholen van Harderwijk en Franeker, thans rijks-athenaeën geworden, bleven in stand, om later, in 1817 en in 1843, te worden opgeheven. Ten behoeve van het leger en de zeemacht schiep de koning de militaire academie te Breda en het instituut voor de marine te Medemblik (thans te Nieuwe Diep). Een andere van ’s konings daden is de regeling der protestantsche kerkgenootschappen sedert in 1816. Meer moeite dan met deze regeling had de regeering van Willem I met de wetgeving. Het duurde tot den 1sten October 1838, eer de Fransche wetten verdrongen en de nieuwe Nederlandsche wetgeving werd ingevoerd.
Nog is niet alles aangeroerd. Willem, die steeds van oordeel was, dat, zoolang er nog iets overbleef te verrichten, niets was verricht, was steeds ijverig in de weer, om armoede te weren en tot werkzaamheid op te wekken. Te dien einde riep hij in 1821 de Maatschappij van weldadigheid in ’t leven, die de landbouwende koloniën Frederiksoord en Willemsoord (in ’t z.w. van Drente, ten z.w. van Vledder), benevens de bedelaarsgestichten Veenhuizen (in ’t n.w. van Drente, ten z.w. van Norg) en Ommerschans (in ’t n. van Overijsel, ten n.o. van Zwol) stichtte. De oprichting der eerste was meer in ’t bijzonder het werk van den luitenant-generaal Johannes van den Bosch, die zich vele jaren aan de leiding dezer kolonie geheel toewijdde. Den naam „Frederiksoor” draagt zij naar prins Frederik, ’s konings tweeden zoon (zie blz. 186), aan wiens krachtige bescherming zij haar opkomst mede had te danken. Om den handel en die vaart op ’s lands buitenlandsche bezittingen aan te moedigen werd in 1824 de Nederlandsche Handelsmaatschappij opgericht. Zoozeer kwijnden toen de handel, de fabrieken, de reederijen en de scheepsbouw, dat de regeering meende te moeten voorgaan, ten einde bij bijzondere personen den uitgedoofden zin door groote ondernemingen te wekken. Nog steeds verkeert deze maatschappij in een zeer bloeienden toestand.
Zooals boven (zie blz. 187) terloops is opgemerkt, duurde het tot 1816, eer de Oost-Indische bezittingen metterdaad uit de handen van Engeland in die van Nederland overgingen. Zij bestonden toen, behalve uit de factorij op Desima, uit Java, de kleine Soenda-eilanden, Sumātra ten deele, Bornēo ten deele, Celēbes, de Molukken, het tinrijke Banka (ten o. van Sumātra) en de Riouwsche eilanden (tusschen Malakka en Banka gelegen). Ook behoorde destijds nog tot het gebied van Nederland Malakka (zie blz. 99), hetwelk echter in 1824 bij verdrag aan Engeland kwam tegen den afstand van al hetgeen dit rijk op Sumātra bezat, alsmede van Billiton, dat, evenals Banka, veel tin voortbrengt en in de nabijheid van dit eiland ligt. Terwijl Daendels (zie blz. 177) werd afgezonden, om als gouverneur-generaal het bewind over de kust van Guinēa op zich te nemen, waar hij weldra stierf, benoemde de koning tot eersten gouverneur-generaal der Oost-Indische bezittingen van het koninkrijk Godard Alexander Gerard Philips baron van der Capellen. Vele waren de moeielijkheden, waarmede hij had te worstelen. Bovenal gevaarlijk voor het Nederlandsche gezag was de opstand van Diepo Negoro, voogd van den minderjarigen sultan van Djokjokarta (zie blz. 143), in 1826, wien het Nederlands krijgsmacht eerst in 1830 gelukte machtig te worden en alzoo den oorlog te eindigen.
In 1830 werd, na een kort tusschenbestuur, Johannes van den Bosch de opvolger van van der Capellen, die reeds eenigen tijd tevoren was teruggeroepen. Het was van der Capellen niet gelukt, aan het moederland rijke baten uit Oost-Indië te verschaffen, en toch behoefden ’s lands financiën dringend een dusdanigen steun. Naar de meening van den nieuwen gouverneur-generaal moesten deze bezittingen veel meer opbrengen. Daarom voerde hij, aanvankelijk alleen op Java, een nieuw cultuurstelsel in, hetwelk de regeering in staat stelde, spoedig en vele Indische voortbrengselen te ontvangen en te gelde te maken. Het mocht van den Bosch gebeuren te ervaren, dat het cultuurstelsel voldeed aan de verwachting, die hij ervan had gekoesterd. Tot 1833 bleef hij aan ’t hoofd van ’t bestuur in Oost-Indië. Toen keerde hij naar het vaderland terug en stierf er later, door den koning tot den gravenstand verheven, als graaf van den Bosch in 1844. Zijn opvolgers hielden wel de hand aan het cultuurstelsel, maar wijzigden het in menig opzicht.
Groot waren de moeilijkheden, waarmede Willem I uit den aard der zaak had te worstelen, als vorst van een rijk, waarin alle takken van bestuur geheel moesten worden geregeld. Doch de grootste zwarigheden berokkende den koning, van het begin af, de samenvoeging der beide, in ’t oog der Belgische geestelijkheid onvereenigbare bestanddeelen des rijks. Deze geestelijkheid, oordeelende, dat de Roomsch katholieke kerk slechts gedoogd, in plaats van, zooals het behoorde, heerschende kerk werd, poogde eerst de grondwet te doen verwerpen en, toen dit haar invoering niet belette, den eed op die grondwet te verbieden. Hierin slaagde zij, zoo niet geheel, althans inzoover, dat de koning er wellicht door werd genoopt, aan de leden der Staten-Generaal te veroorloven, bij den eed zoodanig voorbehoud te nemen, als het geweten hun voorschreef. Van dit oogenblik af was zij voortdurend in de weer, om de regeering van Willem I hinderpalen in den weg te leggen, en aan stof en gelegenheid tot tegenkanting ontbrak het niet. Een zeer gevaarlijk en aanzienlijk tegenstander der regeering was de Broglio (zie blz. 184). Met de overige Belgische bisschoppen gaf hij een geschrift in ’t licht over den eed op de grondwet, waarin (zie t. a. p.) de katholieken tegen het afleggen van dien eed werden gewaarschuwd. Hierom, alsmede uit hoofde van ongeoorloofde briefwisseling met den paus veroordeelde het gerechtshof te Brussel hem in 1817 tot deportatie, d. i. tot gedwongen verblijf in een oord van ballingschap. De bisschop was gevlucht. Alzoo werd het vonnis bij verstek gewezen en moest op onteerende wijze ter kennis van het volk worden gebracht. Hoe rechtvaardig ook dit vonnis moge zijn, het was een ongelukkige greep, dat men voor die kennisgeving een dag uitkoos, waarop twee zware misdadigers, tot dwangarbeid voor hun leven veroordeeld, te pronk stonden. Zóó werd de naam van den bisschop, in groote letters aan een paal op het schavot gehecht, tegelijk met de beide booswichten tentoongesteld.
Veel aanstoot gaf een koninklijk besluit van het jaar 1819, houdende dat, te beginnen met 1823, in de provinciën Limburg, Oost- en West-Vlaanderen, Antwerpen en Zuid-Brabant de Nederlandsche taal voor de bij uitsluiting geldende in openbare aangelegenheden werd verklaard. Ofschoon in de genoemde gewesten het Nederduitsch de taal des volks was, maakte het besluit daarom een ongunstigen indruk, omdat de hoogere standen zich dagelijks van het Fransch bedienden. Een andere grieve der Belgen was, dat nog geen vijfde deel van de officieren van het leger tot hun natie behoorde. Zij bedachten evenwel niet, dat dit ten deele hieruit voortkwam, dat in de eerste jaren van ’t bestaan van ’t rijk het getal der Nederlandsche officieren, die hun diensten aan den koning aanboden, veel grooter was, dan dat der Belgen, en dat deze verhouding langen tijd ongeveer dezelfde moest blijven. Eindelijk beklaagden de Belgen zich erover, dat de schuldenlast van Noord-Nederland voor de helft op het Zuiden was overgebracht. Geenszins overwogen zij, dat tegenover den schuldenlast groote voordeelen stonden, die zij krachtens de vereeniging deelachtig, werden, als de zeemacht en de rijke koloniën.
Doch geen dezer grieven woog in ’t oog der Belgen zelven zwaarder, geen maatregel der regeering wekte meer hun verbittering, dan ’s konings besluiten aangaande het onderwijs, bij hen vooral zoo nauw verwant aan den godsdienst, en inzonderheid dat nopens het collegium philosophicum. Ten einde het voorbereidend onderwijs, inzonderheid van de jonge lieden, die zich aan den geestelijken stand wijdden, aan de kleine seminariën of kweekscholen der over ’t geheel niet zeer verlichte geestelijken te onttrekken, riep de koning, bij besluit van den 14den Juni 1825, ter vervanging dier scholen, het collegium philosophicum in ’t leven. Het werd te Leuven gevestigd. Twee jaren na de opening mochten geen anderen, dan die hun voorbereidende studiën in het collegium hadden volbracht, als priester worden gewijd. Gelijk een donderslag klonk de mare van dit besluit den geestelijken in de ooren. Vele ouders trachtten het te ontwijken door hun kinderen buiten ’s lands te laten onderwijzen; maar ook dit werd tegengegaan. Hevig was de afkeer, dien de meerderheid der inwoners uit het Zuiden tegen het collegium bleef koesteren.
Een van de onmiddellijke gevolgen van ’s konings besluit was de aaneensluiting en verbroedering van twee partijen in België, welke tot dusverre tegenover elkander hadden gestaan. Behalve die der geestelijken, waartoe ook vele adellijken behoorden, was n.l. langzamerhand, van een geheel ander standpunt uitgaande, een tweede gekomen, die in vele opzichten Franschgezind was en zich „de liberal” of „vrijzinnig” noemde. Zij wenschte geheele vrijheid van onderwijs en drukpers. Om in haar streven des te beter te slagen, vereenigde zij zich met de partij der ijverige katholieken. Van dit oogenblik af, d. i. sedert het einde van 1828, begonnen zich de voorboden te vertoonen van een geregeld verzet tegen de regeering, blijkbaar in het indienen van een groote menigte verzoekschriften, welke in sterke bewoordingen om opheffing der talrijke bezwaren vroegen. Van denzelfden tijd af stonden in de Tweede Kamer de afgevaardigden uit het Noorden en die van het Zuiden als twee vijandelijke legerbenden in volle wapenrusting tegenover elkander geschaard. Netelig was ’s konings toestand. Van den aanvang af was het zijn streven geweest, de samensmelting tusschen de beide deelen des rijks hoe langer hoe meer te bevorderen. Doch bij het nemen van doortastende maatregelen schijnt hij den volksgeest niet genoeg te hebben in ’t oog gehouden en ontzien. Hoezeer de besluiten omtrent het onderwijs en de taal in staat waren, de inniger vereeniging in de hand te werken, zij kunnen niet worden vrijgepleit van de blaam, eenigszins voorbarig te zijn en te zeer indruisende tegen de in België heerschende zienswijze. Niet genoeg, meende men, hield Willem I ook in ’t oog, dat, uit den aard der zaak het tegengaan van allen invloed der Franschen op het zuidelijke gedeelte van zijn rijk een hoofdzaak voor hem was. Het omgekeerde had plaats, want elke tegenstander der met de richting der katholieke geestelijkheid instemmende Bourbons (Overzicht, 9de druk, blz. 234), die uit Frankrijk kwam vlieden, vond in België een toevluchtoord en vaak hulp en steun bij het hof. Zoo stemde de koning de regeering van Frankrijk ongunstig en werkte de unie tusschen de Belgische geestelijken en de liberalen in de hand.
Deze unie had in 1828 plaatst. Zij bestond hierin, dat de beide partijen, op een voorstel, in de dagbladen der geestelijkheid gedaan, zonder voorshands op haar bijzonder belangen te letten, zich tot een gemeenschappelijken strijd tegen de regeering vereenigden. Zoodra die vereeniging was tot stand gekomen, nam de koning een weifelende houding aan tusschen gestrengheid en toegeven. Hiervan gaf hij over ’t geheel, ook reeds vroeger, menig bewijs. Zoo sloot hij, om de katholieken tegemoet te komen, die sinds lang een geregeld kerkbestuur wenschen, in 1827 met paus Leo XII een concordaat (d. i. een verdrag tusschen het hof te Rome en een wereldlijke regeering, waarbij deze haar toestemming geeft tot de regeling der kerkelijke aangelegenheden harer Roomsche onderdanen). Den verzoenenden zin, die hem bezielde, openbaarde Willem I verder door in 1829 de verplichting van ’t bijwonen der lessen van ’t collegium op te heffen, waardoor het weldra teniet ging. Eveneens trok hij de beperkende bepalingen nopens het gebruik der landstaal in. Dat de koning van den anderen kant volstrekt niet van zins was, zich door de losbandigheid der drukpers te laten overvleugelen, toonden de rechtsgedingen, tegen de Potter en anderen gevoerd wegens pogingen, door hen gedaan om in hun geschriften hun medeburgers op te hitsen ter omverwerping der bestaande regeering. Zij werden veroordeeld tot een zeker aantal jaren ballingschap. Maar de veroordeelingen waren doelloos, want de overtreders der wetten op de pers beschouwde men als slachtoffers.
Den 27-29sten Juli 1830 had in Frankrijk de omwenteling plaats (Overzicht, 9de druk, blz. 234), waardoor Karel X van den troon werd gestooten. De tijding werd in België met de grootste opgewondenheid aangehoord. Koning Willem I, in zijn binnenlandsche staatkunde juist het tegendeel van Karel X, werd met hem op één lijn gesteld. Geen maand later, en ook de Belgen toonden, hoe spoedig zij de kunst hadden geleerd, zich te ontslaan van een koning, over wien zij misnoegd waren.