← Table of contents
Beknopte geschiedenis van het vaderland

§ 23.

Reading edition

Het stadhouderschap van Willem II.

De vrede van Munster was een gewichtige gebeurtenis, zoo voor Europa in ’t algemeen, als voor de Republiek in ’t bijzonder. Een volledige zegepraal bekroonde de langdurige worsteling der vaderen. Gelijk met den Westphaalschen vrede de toestand van Europa aanmerkelijke wijzigingen onderging, daar, naast de zucht tot uitbreiding van ’t grondgebied, de belangen van den handel nu, in plaats van den godsdienst, de voornaamste drijfveer werden van de politiek der kabinetten, zoo nam ook de buitenlandsche staatkunde der Republiek een andere richting. De zienswijze, gedurende de laatste jaren van den oorlog opgekomen, werd een onwrikbare overtuiging van Nederlands staatsmannen (zie blz. 94). Niet Spanje, maar Frankrijk was van nu aan het aanhoudend voorwerp der bezorgdheid van de Republiek. De Zuidelijke Nederlanden werden thans als een beveiligende voormuur tegen Frankrijk aangemerkt. De wrok, dien Frankrijk wegens het sluiten van den vrede tegen Nederland had opgevat, was diep geworteld en bleef bestaan.

Met den anderen nabuur, Groot-Britannië, was de verstandhouding der Republiek, ten tijde van den vrede, ook niet zeer innig. Engelands rust werd door binnenlandsche oneenigheden verstoord. In 1648, toen de vrede tot stand kwam, had de partij van ’t parlement niet alleen gezegevierd; doch zij had ook den persoon des konings Karel I (Overzicht, 9de druk, blz. 147) in haar macht. Deze uitkomst bracht de Republiek in een moeielijken toestand. Den jongen stadhouder, Willem II, trof het lot zijns schoonvaders diep. De Staten-Generaal erkenden Karel II als koning en weigerden gehoor te geven aan de gezanten der Engelsche Republiek. Eveneens stond Nederland niet op een goeden voet met Portugal (zie blz. 92). Evenmin waren de betrekkingen met Zweden, fier op de rol, die het in den dertigjarigen oorlog had vervuld, en nauw verbonden met Frankrijk, van vriendschappelijken aard. Tusschen Denemarken integendeel en de Republiek heerschte veel welwillendheid. Met den keizer van Duitschland waren in den laatsten tijd geen betrekkingen aangeknoopt; doch, behalve de nabuurschap, moest de verandering van standpunt van Nederland ten opzichte van Spanje ook gunstig werken op de verhouding tot Duitschland.

In tegenspraak met hetgeen de natuurlijke loop der zaken scheen mede te brengen, dat de vrede de voorlooper zou zijn van een tijdperk van rust, moest Nederland het ten tweeden male beleven, dat de buitenlandsche oorlog slechts was geweken, om plaats te maken voor binnenlandsche tweedracht. In 1647 en 1648 was willem II zijn vader in al zijn bedieningen opgevolgd, ook in het stadhouderschap van Groningen en Drente. Dit opvolgen van den prins greep onder ongunstige voorteekenen plaats. Hoezeer hij van begeerte brandde om den oorlog gaande te houden, had hij zoo duidelijk getoond, dat dit door de staten van Holland zeer euvel werd opgenomen. Hierbij kwam de zaak van koning Karel I, die sedert 1647 een gevangene zijner onderdanen was. Willem zocht in ’t volgende jaar de Staten-Generaal te bewegen, zich voor zijn schoonvader in de bres te stellen; maar Holland en Zeeland wilden zich het in macht zoo zeer aangroeiende parlement niet tot vijand maken.

Nog erger oneenigheid ontstond weldra tusschen Willem II en Holland. Het financiewezen dezer provincie bevond zich in een ongunstigen toestand. Daarom waren de staten van dit gewest ernstig bedacht op bezuinigingen, om te verhoeden, dat den ingezetenen zwaardere lasten werden opgelegd. Hiermede kwam de denkwijze van de staten der andere gewesten overeen. Men besefte, dat de besparing van groote sommen niet anders dan op het krijgswezen kon worden gevonden. Doch over het getal der af te danken manschappen rees geschil tusschen de Staten-Generaal en Holland. Nadat een paar afdankingen overeenkomstig de meening van dit gewest, maar niet geheel volgens de zienswijze der Staten-Generaal en van den raad van state, hadden plaats gegrepen, drongen de staten van Holland erop aan, dat men nog vijftig compagnieën vreemdelingen en de helft der ruiterij zou afdanken. Hiertegen waren de Staten-Generaal en de prins. Na vele voorslagen over en weer besloten ten laatste de staten van Holland op Maandag den 30sten Mei 1650 ter Generaliteit niet langer over de zaak te spreken, doch naar eigen goedvinden te handelen. Zoo werden er, op naam der Staten van Holland, brieven van afdanking gezonden aan de kapiteins van een-en-dertig compagnieën voetvolk en van twaalf eskadrons ruiterij, die Holland betaalde.

Van dezen beslissenden stap kennis hebbende gekregen, begaven zich de beide stadhouders en de gansche raad van state naar de buitengewone vergadering der Staten-Generaal, die op Zondag den 5den Juni werd gehouden. Dit college verzochten zij, met hen de hand eraan te houden, dat die voorgenomen afdanking niet plaats greep, en te overwegen, wat in deze gewichtige aangelegenheid verder behoorde te worden gedaan. In weerwil dat vanwege de meeste gewesten slechts een gering aantal leden de vergadering bijwoonde, kwam den 5den Juni 1650 een besluit tot stand, door een zeker aantal dier leden genomen. Hierin bepaalde men, dat aan de kapiteins der troepen tegenbevel zou worden gezonden; dat een aanzienlijke bezending zou rondgaan bij alle leden van de staten van Holland, om hen over te halen, zich van alle afzonderlijke afdanking van krijgsvolk te onthouden; dat de prins werd verzocht, alle zoodanige maatregelen te nemen, waardoor de rust bewaard bleef en de unie werd gehandhaafd.

De prins stelde zichzelf aan ’t hoofd der bezending en ging weldra op reis. Zij werd begeleid door ongeveer vier honderd officieren van hoogeren en lageren rang. De eerste stad, die de gemachtigden bezochten, was Dordrecht, waar de oud-burgemeester Jakob de Witt het woord tot hen voerde en vanwaar zij, zonder de gewenschte belofte te hebben bekomen, weder vertrokken. Nog minder slaagde de bezending in een paar andere steden. Inzonderheid werden te Amsterdam scherpe woorden geuit. Wederom in andere kwam de raad bijeen, hoorde het voorstel aan en gaf eenig antwoord, zonder zich evenwel te verbinden tot hetgeen de bezending verlangde. Na de bezending werden over de hoofdzaak, het stuk der afdanking, weder nieuwe onderhandelingen tusschen de staten van Holland en den prins geopend. Hierbij naderden de beide partijen elkander op zoo korten afstand, dat Holland ten laatste slechts 300 ruiters en ruim 300 voetknechten meer dan Willem II uit den dienst wilde ontslaan. Terwijl echter de een niet voor den ander wilde zwichten, liet de prins den 30sten Juli 1650 Jakob de Witt, oud-burgemeester van Dordrecht, en vijf andere heeren uit Holland, leden der overheid in verschillende steden en tevens van de staten van Holland, aanzeggen, dat hij hen wenschte te spreken. Een der vertrekken van het gebouw te ’s Gravenhage, dat „het ho” heette, zijnde binnengetreden, werden zij uit ’s prinsen naam in hechtenis genomen. Den 31sten Juli liet de stadhouder de zes heeren naar Loevestein brengen.

Inmiddels waren, onder bevel van Willem Frederik, reeds den 29sten dier maand troepen opgebroken, die in last hadden Amsterdam te bezetten. Het voornemen van den prins was, zonder gewelddadigheid een sterke bezetting te Amsterdam te leggen en dan de vroedschap te veranderen. Een gedeelte van ’t krijgsvolk kwam op den bepaalden tijd in de nabijheid van Amsterdam, te Abkoude. Maar een ander gedeelte, des avonds van Hilversum (ten z. van Naarden) opgebroken, geraakte door het onstuimige weder en de duisternis van den nacht aan het dwalen. De Hamburger postbode, op zijn reis naar Amsterdam te midden dier rondzwervende troepen gerakende, bracht op den vroegen morgen van den 30sten Juli te Amsterdam het bericht, dat eenige duizenden ruiters, die ieder toen voor vreemde troepen hield, tegen de stad in aantocht waren. Onverwijld nam Amsterdam alle vereischte maatregelen, om zich in staat van tegenweer te stellen. Den 31sten Juli vertrok de prins van Oranje naar het leger, dat voor Amsterdam lag. Inmiddels had de overheid der stad een paar zeesluizen laten openen en was op die wijze begonnen het land onder water te zetten. Willem II alzoo ziende, dat zijn toeleg was verijdeld, en vreezende, dat zijn soldaten mochten verdrinken, verzocht de Staten-Generaal, hem terug te roepen. Hetzelfde verzoek deden hun de staten van Holland. Eer hieraan echter gevolg werd gegeven, trad de stad, uit bezorgdheid dat de handel, die reeds veel door ’t beleg had geleden, mocht verloopen, en ziende, dat zij niet veel steun vond bij de overige steden van Holland, in onderhandeling met den prins. Die onderhandelingen voerden den 3den Augustus tot een verdrag, hetwelk behelsde, dat Amsterdam zich in het twistgeding over ’t krijgsvolk zou voegen naar de meening der zes provinciën en dat Zijn Hoogheid de troepen zou doen aftrekken. Nu ontsloeg de prins ook de zes heeren, zonder te reppen van eenige misdaad, waarom zij zouden zijn gevangen genomen.

Willem II beleefde het einde van ’t jaar, waarin de tweedracht zoo fel was uitgebarsten, niet meer. Naar Dieren (nabij Arnhem) vertrokken, waar hij een landgoed had, hield hij zich, in weerwil van ’t ongunstige weder van den herfst van dit jaar, zoo onafgebroken met de jacht bezig, dat hij tegen ’t eind van October ziek werd en naar den Haag moest worden vervoerd. Reeds den 6den November overleed hij in den jeugdigen ouderdom van ruim vier-en-twintig jaren. Naar alle waarschijnlijkheid voorkwam zijn vroegtijdige dood groote moeielijkheden, die zich aan den gezichteinder begonnen te vertoonen. Behalve dat het lang zou hebben geduurd, eer de bestaande spanning ware verkeerd in een vriendschappelijke verhouding tot Hollands regenten, is het te vermoeden, dat de onbezonnen aanmoediging van een drom vleiers, wien hij het oor leende, den heerschzuchtigen en hartstochtelijken stadhouder mettertijd het spoor had doen bijster worden. De onervaren prins stond op het punt, het zoo even voltooide meesterstuk, te Munster tot stand gebracht, te vernietigen. In overleg met hem had het Fransche hof een ontwerp-verdrag opgesteld, dat de Republiek en Frankrijk in een dubbelen oorlog zou hebben gewikkeld met Spanje en met Engeland. De Stuarts zouden door de beide bondgenooten op den troon worden hersteld. Maar de plotselinge dood van den prins deed het ontwerp in duigen vallen. In hem ontviel der Republiek een man, die ontegenzeggelijk groote gaven had en den staat aanmerkelijke diensten had kunnen bewijzen. Ware hem een langer leven gegund geweest, hij zou zijn vermaarde voorzaten in vele opzichten hebben kunnen evenaren, want hij was onvermoeid, dapper, ondernemend en milddadig.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings