§ 19.
Reading edition
De oneenigheden, die de Republiek ten tijde van het bestand schokten.
In plaats dat Nederland nieuwe krachten opdeed gedurende den rusttijd, werd bewaarheid, wat Maurits had gevreesd: bij rust naar buiten ontstonden binnenlandsche twisten. Hevige kerkgeschillen barstten in de nauwelijks gevestigde Republiek los en werden gaandeweg staatsgeschillen. Reeds vóór het bestand waren de zaden dier verdeeldheid gestrooid. In 1603 werd Jakob Arminius, predikant te Amsterdam, tot hoogleeraar in de godgeleerdheid aan de hoogeschool te Leiden benoemd. Het duurde niet lang, of het openbaarde zich, dat hij in een belangrijk punt, n.l. omtrent de praedestinatie of voorbeschikking, van de leer afweek, die als de heerschende leer der kerk werd aangemerkt. Volgens dit leerstuk, in den strengsten zin opgevat, hangt de zaligheid hier namaals uitsluitend af van Gods vrije verkiezing in verband met ’s menschen geloof, niet met zijn werken. Arminius daarentegen was een van de weinigen, die, aan ’s menschen vrijen wil niet allen invloed op zijn doen en laten kunnende ontzeggen, het leerstuk der voorbeschikking niet onvoorwaardelijk aannam. Tegen hem stond een andere Leidsche hoogleeraar in de godgeleerdheid, Franciscus Gomārus, over. Inmiddels stierf Arminius in 1609.
Een tweede punt van verschil kwam weldra bij het leerstellige. De aanhangers van Gomarus waren verklaarde tegenstanders van alle bemoeiing der regeering met aangelegenheden van den kerk: de Arminianen waren van een tegenovergestelde zienswijze. Dit toonden zij metterdaad in 1610 door het indienen van een remonstrantie of vertoog bij de staten van Holland, naar welk stuk zij den naam Remonstranten verkregen. Hierin verzochten zij om de bescherming der staten en erkenden het gezag dier staten over de kerk. Naar het tegenvertoog, door de bestrijders der Arminianen gehouden, werden zij Contra-Remonstranten genoemd.
Sedert 1616 was Willem Lodewijk de man, die Maurits voortdurend ried, met kracht tegen de Remonstrantsche partij op te treden. Van een anderen kant werd Maurits gesteund door Jakob I, koning van Engeland, die er zich veel op liet voorstaan, een groot godgeleerde te zijn en zich geroepen achtte, de beschermer der hervormde leer in Europa te wezen. Waar hij kon, werkte de koning de tegenpartij van Oldenbarnevelt in de hand en trachtte den advocaat ten val te brengen. In ’t oog van Jakob was het begunstigen der Arminianen en het weerstreven der synode (zie blz. 83) een zware misdaad. Ook kon hij het den ervaren staatsman niet vergeven, dat hij in 1615, gebruik makende van een der vele oogenblikken, dat hij groote geldsommen behoefde, hem ertoe had gebracht, tegen betaling van 3,000,000 gl., d. i. van niet meer dan ruim 1⁄3 van de toen nog verschuldigde som, de pandsteden (zie blz. 64) aan de Republiek terug te geven.
Intusschen scheidden de Contra-Remonstranten zich meer en meer af en hielden ter oefening van hun godsdienst afzonderlijke vergaderingen. Hier werd door de ééne, daar door de andere partij onderdrukking en geweld tegen de zwakkeren gepleegd. Vanhier onlusten in verschillende plaatsen gedurende het jaar 1617. Bij al die tooneelen van wanorde bleek het vaak, dat de magistraat of overheid luttel kon rekenen op de troepen, die de bezettingen der steden uitmaakten. De oorzaak hiervan lag voor een goed deel in de houding, die Maurits sinds eenigen tijd had aangenomen. Tot het jaar 1617 onthield hij zich van ’t geven van openbare blijken van instemming met één der beide partijen. Maar van het tijdstip af, dat hij op een Zondag van het genoemde jaar in ’t openbaar met een groot gevolg naar de den Contra-Remonstranten afgestane kloosterkerk ging, wierp hij zijn zwaard in de weegschaal. Behalve Willem Lodewijk en Jakob I, was het hoofdzakelijk François van Aerssen, heer van Sommelsdijk (op Overflakkee), een man van groote schranderheid, list en stoutheid, die den stadhouder tegen Oldenbarnevelt in ’t harnas joeg. Aerssen was verbitterd op zijn voormaligen beschermer Oldenbarnevelt, omdat hij het hem weet, dat Lodewijk XIII, koning van Frankrijk, in 1613 had verzocht, dat de Staten-Generaal, in zijn plaats, een anderen gezant aan het Fransche hof mochten benoemen, aan welk verzoek men had voldaan. Met eenige andere mannen werd hij een van het zeven- of achttal, dat den advocaat ten val bracht.
Het was geen bijzonder moeielijke onderneming, den wrok van den stadhouder tegen Oldenbarnevelt te prikkelen. De klove, die alreede tusschen de beide hoofden van de Republiek bestond, behoefde nog maar een weinig wijder te worden gemaakt. Hadden de vroegere geschillen tusschen de beide leiders van den staat louter over zaken geloopen (zie blz. 75, 76, 77), aangelegenheden van persoonlijken aard waren er sedert bijgekomen. Bij herhaling was de vraag gerezen, of het, ten einde meer eenheid in ’t bewind te krijgen, niet wenschelijk was, aan Maurits het hoogste gezag toe te vertrouwen. Hoewel Oldenbarnevelt geheel doordrongen was van ’t besef der behoefte aan eenheid in het bestuur, was hij er sinds het bestand tegen, dat Maurits’ macht werd uitgebreid. Maar al te wel slaagden zij, die het in ’t belang van ’t land en van henzelven achtten, den stadhouder hoe langer hoe meer tegen Oldenbarnevelt en zijn aanhangers in te nemen. Hij, de advocaat, en die het met hem eens waren werden met de Remonstranten als vereenzelvigd. Zóó kwam de tegenpartij op het denkbeeld, de Remonstranten uit de kerk te stooten en op die wijze den grijzen staatsman tevens in ’t verderf te storten. Dit doel kon worden bereikt, indien men, volgens den raad van Jakob, één nationale synode voor alle gewesten bijeenriep. De meeste provinciën waren de zaak der Contra-Remonstranten uitsluitend toegedaan. Slechts Holland en Utrecht waren grootendeels voor die der Remonstranten. Dat de partij der Remonstranten nu tegen een nationale synode moest zijn, is duidelijk. Zij van haren kant verlangde, dat er in Holland, en waar men het verder noodig rekende, een provinciale synode bijeenkwam.
Uit al de bewegingen van ’t jaar 1617 en vroeger sprak klaarblijkelijk verzet tegen de wettige overheid. Het was daarom, dat de staten van Holland den 4den Augustus 1617 een besluit uitvaardigden, door de tegenstanders de scherpe resolutie genoemd. In dat besluit, door de edelen en de groote meerderheid der steden genomen, werden o. a. de steden gemachtigd, zoo het werd vereischt, op eigen gezag krijgsvolk in dienst te nemen. Op dit besluit werd menige aanmerking gemaakt, maar geen enkele, die gegrond mocht heeten. De punten, waaruit het bestond, behoorden tot diegene, waarover de staten, krachtens hun souvereine macht, een beslissing konden nemen. Dergelijke soldaten, als de resolutie bedoelde, hadden de gewesten en de steden van oudsher in dienst genomen. Men noemde ze waardgelders, d. i. lieden, gehuurd, om waarde of wacht te houden, aldus zooveel als bezoldigde rustbewaarders. Vele steden van Holland brachten nu waardgelders op de been. Twee of drie honderd was het gewone getal voor één stad. In ’t geheel had Holland er niet meer dan 1800. De staten van Utrecht namen er eveneens ruim zeshonderd aan. Het spreekt vanzelf, dat de vroedschappen, die waardgelders aannamen, dit deden, om, des gevorderd, zichzelven tegen woelingen van onruststokers te kunnen verdedigen en alle dadelijkheden tegen te gaan. Dat zij met die 1800 onervaren manschappen, in verschillende plaatsen verstrooid, een vijandelijken aanval in den zin hadden op de 30,000 welgeoefende krijgsknechten, welke de Republiek in dienst had, is een beschuldiging, die zichzelve weerlegt. De aanvallende partij was, zooals men weldra zal zien, niet die van Oldenbarnevelt.
Tegen het einde van Juni 1618 naderde de ontknooping. Toen hakte plotseling de partij, die in de Staten-Generaal de zege wilde behalen, d. i. het boven (zie blz. 82) bedoelde achttal, den knoop met geweld door. Vooreerst besloten de Staten-Generaal, dat er een bezending uit hun midden zou gaan naar Utrecht, om de staten dezer provincie te bewegen tot afdanking der waardgelders; dan, dat er een nationale synode zou worden uitgeschreven. In plaats van aan de staten van ieder gewest de zorg te laten voor datgene, waarin zij alleen hadden te beslissen, trachtte men hun alzoo de zienswijze der staten van sommige andere provinciën op te dringen en hen te nopen, even zoo gezind te zijn, als die staten. Ten andere waren het besluiten van slechts een deel der Generaliteit. Den 25sten Juli 1618 kwam de deputatie der Staten-Generaal, met Maurits aan ’t hoofd, te Utrecht aan. Op den 31sten dier maand, vroeg in den morgen, dankte Maurits na de toegangen tot de voornaamste plaatsen van de stad te hebben bezet, op het plein, geheeten de Neude, de waardgelders af. Vervolgens veranderde hij de vroedschap der stad Utrecht. Hierdoor zag de secretaris (zie blz. 68) der staten, Gillis van Ledenberg, de ziel der staten en in gevoelens geheel overeenstemmende met Oldenbarnevelt, zich genoopt, zijn ontslag te nemen.
Na de terugkomst van prins Maurits en van de gedeputeerden uit de Generaliteit tastte men ter Staten-Generaal ook ten aanzien van Holland door. Den 21sten Augustus stelden die Staten-Generaal een plakkaat vast, dat de zes provinciën en zes steden uit Holland goedkeurden en dat den waardgelders gelastte, binnen tweemaal vier-en-twintig uur de wapens neer te leggen. Het geschiedde. Vervolgens werden den 28sten en den 29sten Augustus ter Staten-Generaal door een achttal leden een paar geheime besluiten genomen, waarin werd goedgevonden, dat men Oldenbarnevelt, Hugo de Groot en Rombout Hogerbeets, pensionaris van Leiden, in hechtenis zou nemen. Toen op denzelfden 29sten Augustus de advocaat van den lande op het punt stond, de vergadering der staten van Holland binnen te treden, kwam een kamerdienaar hem verwittigen, dat de stadhouder hem wenschte te spreken. In plaats van den stadhouder zag hij weldra den luitenant van Maurits’ lijfwacht, die hem, in naam der Staten-Generaal, gevangen nam. Met hem werden de Groot, Hogerbeets en Ledenberg gekerkerd. In het begin van September reisde de prins, vergezeld van een aantal edelen en omstuwd door zijn lijfwacht, bij de steden van Holland rond en koos er overal, waar het hem behaagde, andere leden in de vroedschap. Dat de wettige tijd hiervoor niet was aangebroken en hem geen voordrachten (zie blz. 70) in behoorlijken vorm waren gedaan, was iets, waarom hij zich evenmin bekreunde, als dat hij te Utrecht zijn bevoegdheid als stadhouder had overschreden. Op deze wijze was alsnu de partij, die bovendreef, tegen alle verzet gedekt.
Weldra werd er een commissie uit de Staten-Generaal benoemd, ten overstaan waarvan de gevangenen werden verhoord, met uitzondering van Ledenberg, die zichzelf in de gevangenis had gedood. Tot dit uiterste was hij overgegaan in de hoop, dat men zijn bezittingen dan niet zoude verbeurd verklaren, hetgeen evenwel geschiedde. Op het voorloopig onderzoek volgde de benoeming van vier-en-twintig buitengewone rechters, twaalf uit Holland en twaalf uit de overige gewesten. Onder de vier-en-twintig was meer dan één bijzonder vijand van Oldenbarnevelt en menig tegenstander van zijn staatkundige denk- en handelwijze. De Staten-Generaal waarborgden de rechters tegen alle onaangenaamheden, die hun wegens de vervulling der taak, hun opgedragen, konden worden aangedaan. De maatstaf, waaraan alle woorden en daden der beschuldigden werden getoetst, was de zienswijze der tegenpartij. Een behoorlijke gelegenheid om zich te verdedigen werd den gevangenen niet gegund. Dat zij dienaren waren der staten van hun gewest en alzoo niet verantwoordelijk voor de besluiten van dit lichaam, kwam geenszins in aanmerking. Ten opzichte van Hogerbeets zagen de rechters nog bovendien dit over het hoofd, dat hij eerst sinds October 1617, als pensionaris, in dienst was van de vroedschap van Leiden en alzoo niet had medegewerkt tot het meerendeel der besluiten, om welke hij werd veroordeeld. Het vonnis luidde, dat Oldenbarnevelt zou worden onthoofd, de Groot en Hogerbeets levenslang gevangen gezet. Tevens werden hun goederen verbeurd verklaard.
Den 13den Mei 1619 werd Oldenbarnevelt in ’t openbaar te ’s Gravenhage onthoofd. Zóó viel een man, die langer dan veertig jaren het land trouw had gediend, eerst als pensionaris van Rotterdam, toen als advocaat van Holland. Met dit ambt bekleed, werd hij terstond het hoofd van de partij, die zich tegenover Leicester stelde. Onbeschrijfelijk was de verwarring, waarin zich ’s lands zaken in die dagen bevonden. Oldenbarnevelt vestigde een geregeld bewind en bracht orde in den toestand der geldmiddelen. Hij stichtte, door zijn beleid, de Republiek, die Maurits tegen buitenlandsch geweld beschutte. Hij alleen werd geacht het bewind in handen te hebben. Aleer het vonnis geveld en ’t hoofd van den advocaat gevallen was, had de Contra-Remonstrantsche partij ook in het kerkelijke met geweld de zegepraal behaald. Den 13den November 1618 werd de nationale synode te Dordrecht geopend. De meerderheid der inheemsche leden waren Contra-Remonstranten. Uit Engeland, Zwitserland en vele staten van Duitschland kwam tal van godgeleerden, bijna allen vijandig gestemd tegen de Remonstranten. Van de Remonstranten verschenen slechts weinigen. Van den beginne aan werden zij niet als leden, maar als gedaagden behandeld. Den 6den Mei 1619 werden de gevoelens der Remonstranten in ’t openbaar veroordeeld en de leeraars dier sekte afgezet. Later werden al degenen, die te Dordrecht waren geweest over de grenzen gezet, omdat zij weigerden de akte van stilstand te teekenen, die hen verplichtte, zich van alle kerkelijke bedieningen te onthouden. Behalve de vervulling der rechterlijke taak, die de synode op zich had genomen, wijdde zij nog een deel harer zittingen aan het vaststellen van de voornaamste leerstukken der Nederlandsche hervormde kerk. Eindelijk nam zij het gewichtig besluit, den bijbel uit de grondtalen in de taal des lands over te zetten, een werk, dat in 1635 tot stand kwam. Het is bekend onder den naam Staten-overzetting, Statenbijbel.