§ 35.
Reading edition
Nederland bij het keizerrijk ingelijfd.—Het herkrijgt zijn onafhankelijkheid.
Het koninkrijk Holland verkreeg de regeering niet, die Lodewijk het had toegedacht. Volgens besluit van den 9den Juli 1810 werd het bij Frankrijk ingelijfd. Charles François Lebrun, hertog van Plaisance (d. i. Piacenza, het oude Placentia, in ’t n. van Italië), kwam als luitenant-generaal of algemeen stedehouder in de Nederlanden. Amsterdam werd, na Parijs en Rome, verklaard de derde stad van het keizerrijk te zijn. Het code Napoleon, d. i. wetboek Napoleon, werd ingevoerd. Een der artikels van ’t besluit stelde een staatsbankroet vast. De renten der publieke schuld zouden niet verder onder de lasten worden gebracht, dan voor een derde; zij werden getierceerd. De vroegere departementen werden nu Fransche departementen met prefecten tot bestuurders. Hunne namen waren b. v.: Zuiderzee (d. i. ongeveer het voormalige Noorderkwartier van Holland en Utrecht), Bouches de l’ Escaut, d. i. Monden van de Schelde (Zeeland), Ems-Occidental, d. i. Wester-Eems (Groningen en Drente). De burgemeesters werden van nu aan maires.
In 1811 werd de conscriptie of gedwongen krijgsdienst ingevoerd. Elk jongeling, den ouderdom van twintig jaren hebbende bereikt, moest zich laten inschrijven. De regeering stelde het aantal vast, hetwelk telkens werd vereischt, en hierop gingen de ingeschrevenen tot de loting over. Ontslagen werd geen soldaat, tenzij ongeschikt voor den dienst. Al dadelijk werd de conscriptie hierdoor verzwaard, dat, bij wijze van terugwerking, het besluit ook werd uitgestrekt tot de laatste drie jaren, en zij, die reeds drie-en-twintig jaren telden, eveneens werden opgeroepen. Op de harde besluiten nopens de conscriptie volgde een harde uitvoering. Vooral maakte zich de prefect van het departement der Zuiderzee, de Celles, door dergelijke handelwijze berucht. Tegen het misbruik der drukpers meende het Fransche bewind met een bijzonderen ijver te moeten waken. De censuur, die nauwlettend toezag, verbande alle vrijheid van schrijven. Het spreekt vanzelf, dat ten aanzien van het continentaal-stelsel alle oogluiking nu ophield. Te Rotterdam, te Groningen en elders zag men, gelijk te Venetië en te Leipzig, dat plechtig en in ’t openbaar verbranden van al wat Engelsch fabriekgoed was, somtijds voor een waarde van een half millioen gl. Geen Oost-Indiëvaarders vielen onze havens meer binnen. Ongehoord werd de prijs der koloniale voortbrengselen. Rijtuigen en dienstboden werden bijna alom afgeschaft, buitengoederen voor spotprijzen verkocht. De bevolking van Amsterdam nam bij duizenden af.
Er is meer. De belastingen drukten den landzaat, die geenszins, gelijk tevoren, in ruime verdiensten de middelen vond om ze te betalen. De handel in tabak werd een alleenhandel of monopolie van den staat. Een argwanende en strenge politie beperkte zeer de vrijheid van spreken, want ook in besloten kringen was het zaak, nauwkeurig rond te zien, of zij er ook haar verspieders had. Het openbare onderwijs werd naar dat der Franschen verwrongen. Predikanten en onderwijzers ontvingen een tijdlang geen bezoldiging. Taal en letterkunde dreigde een volkomen verval. Ook de hoogescholen moesten het ontgelden. Slechts Leiden en Groningen bleven in wezen; de overige, zoo zij niet werden opgeheven, werden hoogescholen van den tweeden rang en geraakten aan ’t kwijnen. Bij dit alles kwam eindelijk het geheele verlies der koloniën. Nog in 1811 veroverden de Engelschen Java en de overige volkplantingen. Alleen op Desima (zie blz. 99) bleef de Nederlandsche vlag waaien. Zóó was ’s lands toestand in de jaren der Fransche overheersching. Na den rampspoedigen overtocht over de Berezīna (Overzicht, negende druk, blz. 184) kwam er bij de vele plagen nog een nieuwe. Napoleon stelde de garde d’honneur of eerewacht te paard in. Zij moest strekken, om, bij verzet of opstand, den keizer een genoegzaam aantal gijzelaars in handen te stellen. Het werd als een gunst voorgesteld, in deze lijfwacht te worden opgenomen. Daar ieder de kosten zijner eigen uitrusting moest dragen, trof de maatregel de aanzienlijkste ingezetenen het meest.
Het kwade, dat de inlijving in Frankrijk aan Nederland heeft gebracht, is vaak opgeteekend. Naar evenredigheid is niet zoozeer gewezen op de, hoewel minder in ’t oog vallende, lichtzijde dier inlijving, die echter niet geheel ontbreekt. De inlijving leverde dit groote voordeel op, dat zij Nederland op eens een stelsel van algemeene wetgeving deed deelachtig worden, hetwelk het uit zichzelf niet zoo spoedig, wellicht nimmer, had verkregen. De staatkundige en rechts-organisatie, toen ons land geschonken, oefende een beslissenden en duurzamen invloed op den later herboren staat.
Intusschen deed de tocht naar Rusland eenige uitstekende Nederlanders denken, dat het niet meer tot het gebied der onmogelijkheden behoefde te behooren, het vaderland eens van de overheersching der Franschen te bevrijden. Zóó dachten Johan Melchior Kemper, hoogleeraar in de rechten te Leiden, en Anton Reinhard Falck. Zij kwamen met elkander overeen, naar vermogen partij te trekken van de veranderde tijdsomstandigheden ter herstelling van de nationale onafhankelijkheid. Terzelfdertijd begonnen Gijsbert Karel van Hogendorp, een kleinzoon van O. Z. van Haren (zie blz. 167), van der Duyn van Maasdam, de graaf van Limburg-Stirum en drie andere mannen te ’s Gravenhage veelvuldige geheime bijeenkomsten te houden. De staatkundige beginselen, die èn de eerstgenoemden èn de laatsten zich voornamen als richtsnoer te volgen en bij anderen zooveel mogelijk aan te kweeken, waren: een getemperde oppermacht van het huis van Oranje-Nassau en vernietiging der oude partijschappen. Hoewel in geen onmiddellijke betrekking tot het Haagsche zestal staande, waren Kemper en Falck toch niet onbekend met hetgeen dat zestal wilde.
Middelerwijl schreed Napoleon op zijn loopbaan voort. Op de rampen van den tocht naar Rusland volgde de slag bij Leipzig. Nu meenden de Haagsche bondgenooten een stap verder te kunnen gaan en zich van de medewerking van een aantal lieden uit de gezeten standen der maatschappij te moeten verzekeren. Tot dergelijke voorbereidende maatregelen beperkte men zich vooreerst: het uur om te handelen scheen nog niet aangebroken. Anders dacht er het volk te Amsterdam over. Op de nadering der Pruisen en der Russen verlieten de Fransche ambtenaren inderhaast de steden, in ’t n.o. van ons land gelegen. Den 14den November 1813 ontruimden de Fransche troepen Amsterdam, om weldra door den gouverneur-generaal te worden gevolgd, en begaven zich naar Utrecht. Op den avond van den 15den geraakte de bevolking van Amsterdam op de been en stak de wachthuizen der Fransche tolbeambten in brand. De rust werd eerst hersteld, toen, op verzoek van de officieren der schutterij, een zeker aantal der aanzienlijkste ingezetenen het bestuur der stad voorloopig op zich nam. De ziel van alles, wat hier gebeurde, was A. R. Falck.
Nu begrepen de Haagsche heeren, om te voorkomen, dat wellicht het volk ook tot oproer en geweld mocht overslaan, te moeten optreden. Op den morgen van den 17den November vertoonden zich de graaf van Stirum en de zonen van van Hogendorp in ’t openbaar met de oranjekokarde op den hoed. Het voorbeeld vond weldra bij ieder navolging. Op denzelfden dag aanvaardde de graaf van Stirum, in naam van den prins van Oranje, de betrekking van gouverneur van den Haag. Den 21sten November aanvaardden van Hogendorp en van der Duyn van Maasdam het hoog bewind of Algemeen Bestuur tot de komst van den prins van Oranje. Men kan niet zeggen, dat zij, die thans als voorgangers bij den opstand optraden, in ’t begin veel medewerking bij het Nederlandsche volk vonden. Amsterdam, van de eene zijde uit Utrecht, van de andere uit Naarden bedreigd, bleef bij de onzijdige houding volharden, die het van den beginne af had aangenomen en die hierop neerkwam, dat men zich noch voor den prins, noch tegen den keizer verklaarde. Den 24sten November kwam hierin een verandering en werd ook hier de leus „Nederland en Oranj” gehuldigd. Na langer of korter aarzeling traden Rotterdam en andere steden van Holland toe. Terzelfdertijd werd Woerden door een deel van het Fransche krijgsvolk, dat te Utrecht in bezetting lag, overvallen en strekte gedurende eenige uren ter prooi aan een roof- en moordzucht, die velen aan de tooneelen van het jaar 1672 (zie blz. 130) herinnerde.
Den 30sten November landde de prins van Oranje, de oudste zoon van Willem V (zie blz. 172), die toen in Engeland vertoefde, hiertoe uitgenoodigd, op den vaderlandschen bodem, te Scheveningen. Den 2den December nam hij, te Amsterdam gekomen, de souvereiniteit over deze landen, hem aangeboden, aan, onder voorbehoud eener grondwet, zoodra mogelijk uit te vaardigen. Middelerwijl volgden de andere gewesten, naarmate de Franschen ze ontruimden, het sein, door Holland gegeven. Voorzoover Zeeland zichzelf niet had bevrijd, deden de Engelschen het in 1814. In Gelderland, Overijsel, Groningen en Friesland deden het Bülow (Overzicht, negende druk, blz. 185) en de kozakken vóór of na dit tijdstip. Maanden duurde het intusschen, eer het geheele land door de Franschen werd ontruimd. In ’t begin van 1814 waren nog een aantal sterke punten in handen van den vijand. In Mei werd de kroon op het werk der bevrijding gezet. Den 4den dier maand had de ontruiming van het sterke den Helder plaats. Verhuell (zie blz. 176), onverzettelijk vasthoudende aan den eed, eenmaal aan Napoleon gezworen, weigerde standvastig het over te geven en week eerst op een bevel van Lodewijk XVIII (Overzicht, negende druk, blz. 186). Het laatste punt, dat de Nederlanders herwonnen, was Delfzijl. Toen het den 23sten Mei in naam van den souvereinen vorst in bezit werd genomen, was de gansche bodem van Nederland aan de Franschen ontrukt.
Aleer die gelukkige uitkomst was verkregen, had de prins het bewind, hem door de natie opgedragen, aanvaard met het nemen dier maatregelen, welke de tijdsomstandigheden in de eerste plaats vorderden. Zij betroffen de krijgsmacht en de financiëele aangelegenheden, want er was noch geld, noch leger. Hierop maakte de vorst een begin met het vervullen der voorwaarde, waaronder hij de oppermacht had aanvaard. Den 21sten December benoemde hij een commissie ter samenstelling eener grondwet. Haar werd aanbevolen, de schets, door van Hogendorp in de dagen der verdrukking, nog vóór den tocht naar Rusland, opgesteld, tot leiddraad harer beraadslagingen te nemen. De commissie achtte dit geraden en verkoos van Hogendorp tot voorzitter. Het hoofddoel dezer schets was, zonder onnoodige veranderingen de gebreken van den voormaligen toestand der Republiek te verbeteren. Door sommige zijner medeleden in de commissie werd van Hogendorp evenwel genoopt, ook met veel, dat geheel nieuw was, in te stemmen. Den 2den Maart 1814 was het ontwerp der grondwet gereed. Nu moest het aan het oordeel van het Nederlandsche volk worden onderworpen. Te dien einde werd een lijst van 600 notabelen opgemaakt, d. i. van mannen, zich onderscheidende door deugd, bekwaamheden, geboorte, vermogen of ambtsbetrekkingen. Van de 600 verschenen den 29sten Maart 474 in de Nieuwe kerk te Amsterdam. Een overgroote meerderheid verklaarde zich ten gunste van de grondwet, zoodat zij binnen het tijdbestek van eenige uren verbindende kracht verkreeg. Den 30sten Maart was dezelfde Nieuwe kerk getuige van ’s vorsten inhuldiging.
De nieuwe grondwet,—een naam, die den vroegeren van „staatsregelin” of „constituti” verving, de vijfde regeling na 1795, erkende, als hoofdbeginselen, vrijheid van godsdienst, aller gelijkheid voor de wet en de onafhankelijkheid der rechterlijke macht. De verdere inhoud komt hoofdzakelijk hierop neer. Er zijn negen provinciën: Holland, Zeeland, Utrecht, Gelderland, Overijsel, Drente, Groningen, Friesland en Brabant. Tot Holland behooren de eilanden Texel, Vlieland, Terschelling, Wieringen, Urk en Marken; tot Overijsel Schokland; tot Friesland Ameland en Schiermonnikoog; tot Groningen Rottum. Er is één kamer van volksvertegenwoordigers, bestaande uit 55 leden, door de staten der provinciën te benoemen en drie jaren zitting hebbende. De leden der Staten-Generaal stemmen zonder last van de provinciale staten, die hen kiezen, en zonder eenige ruggespraak met hen. De provinciale staten zullen worden samengesteld uit leden der ridderschap en van de stedelijke raden. Deze leden worden gekozen door kiezers, te nemen uit hen, die de hoogste belastingen betalen. De provinciale staten hebben geen deel aan de oppermacht en beheeren de aangelegenheden van hun gewest. Voorzitters dier staten zijn, als ’s vorsten commissarissen, de gouverneurs in de verschillende gewesten. Aan alle godsdiensten wordt gelijke bescherming toegezegd. Die van den vorst is de hervormde. In elke provincie is een gerechtshof, en bovendien, is er één hooge raad voor ’t geheele rijk.
In Augustus 1814 herkreeg Nederland bij een verdrag, met Engeland gesloten, de volkplantingen, welke het op den 1sten Januari 1803 had bezeten, met uitzondering van de Kaap de goede hoop, Demerary, Essequībo en Berbice. Terwijl intusschen het congres van Weenen (Overzicht, negende druk, blz. 186) zoo over andere punten, als over de vereeniging van Nederland met België beraadslaagde, landde Napoleon den 1sten Maart 1815 bij Cannes, en het tijdperk van de regeering der honderd dagen nam een aanvang. Den 16den Maart maakte de souvereine vorst aan de Staten-Generaal en aan het gansche volk bekend, dat hij de koninklijke waardigheid over Noord- en Zuid-Nederland, alsmede over Luik aanvaardde. Willems verklaring werd weldra door het congres bekrachtigd. Vier van de hoofdmogendheden van dit congres, Engeland, Oostenrijk, Rusland en Pruisen, sloten met den koning verdragen, waarbij het nieuwe koninkrijk der Nederlanden werd opgericht. Omtrent Luxemburg stelden deze verdragen vast, dat het, als groothertogdom, aan Willem werd afgestaan, die van zijn kant afstand deed van de Nassausche vorstendommen (zie blz. 49 en 147), alsmede van hetgeen men in 1803 aan zijn huis had toegekend (zie blz. 172). Luxemburg bleef tevens een der staten van den Duitschen bond uitmaken.
Intusschen waren de Zuidelijke Nederlanden bestemd om het tooneel te zijn, waar Napoleons lot en dat van Europa zouden worden beslist. Ongeveer 160,000 man had de keizer onder de wapens. Tegenover hem stonden twee hoofdlegers der bondgenooten: het eene uit Engelschen en Nederlanders bestaande, onder den hertog van Wellington, en het Pruisische, door den grijzen Blücher aangevoerd, tesamen groot nagenoeg 230,000 man. Op denzelfden 16den Juni, waarop Blücher den slag van Ligny verloor, had de ontmoeting bij Quatre-Bras (een klein gehucht bij een kruisweg) plaats, waar de prins van Oranje den maarschalk Ney zegevierend terugdrong. Eindelijk werd den 18den Juni de groote veldslag bij Waterloo, een tweede Cannae, geleverd, waarin de plotselinge verschijning eerst van het korps van Bülow en later van de overige afdeelingen van ’t leger der Pruisen onder Blücher de zege aan de bondgenooten verzekerde. Hier bekwam de erfprins een wonde, waarvan hij evenwel spoedig genas. Reeds vier dagen daarna was de overwonnene geen keizer meer en sedert den 16den October een bewoner van St. Helĕna, wat hij tot zijn dood bleef.
Te midden van de voorbereidselen, allerwege voor den oorlog gemaakt, benoemde koning willem I (1815-1840, overl. 1843) een commissie, om de grondwet van 1814 te wijzigen. Terzelfdertijd verleende hij aan zijn oudsten zoon, den kroonprins, den titel „prins van Oranj”, gelijk hij zooeven is genoemd, hetgeen weldra de grondwet van 1815 bekrachtigde. Het gekletter der wapenen belette de commissie niet, in Juli 1815 met haar werk gereed zijn. Nu moest dit ontwerp aan de beide afdeelingen van ’t koninkrijk ter goed- of afkeuring worden onderworpen. Voor het Noorden was de weg hiertoe gewezen door de grondwet van 1814. Het moest gebeuren door de Staten-Generaal, in dubbelen getale te ’s Hage beschreven. De 110 leden namen het ontwerp in Augustus bij eenparigheid aan. In het Zuiden werd het aan een getal van 1603 notabelen ter stemming voorgelegd. Eer deze stemming plaats had, verklaarde zich reeds de invloedrijke Belgische geestelijkheid openlijk en sterk tegen het ontwerp. Zij beweerde, vooral bij monde van Maurice Jean Magdeleine de Broglio, bisschop van Gent, dat geen waar katholiek een grondwet kon bezweren, waarin het beginsel van gelijkstelling van godsdienst was opgenomen. ’t Gevolg was, dat de meerderheid van hen, die opkwamen, het ontwerp verwierp. In weerwil van die afkeurende meerderheid in België verklaarde de koning, welke dien uitslag had voorzien, op verschillende gronden, dat de natie de grondwet had aangenomen.
De wijzigingen, bij deze nieuwe grondwet, de zesde, in die van 1814 gemaakt, kwamen hoofdzakelijk op de volgende punten neer: op de opheffing van ’t artikel, waarin was bepaald, dat de koning den hervormden godsdienst moest belijden; op de instelling eener Eerste kamer van 40 tot 60 leden, door den koning voor hun leven te benoemen; op de bepaling, dat de Tweede kamer uit 110 leden zou bestaan en in ’t openbaar beraadslagen; op de bepaling, dat de landelijke stand van nu aan werd vertegenwoordigd in de staten, der provinciën; op de toezegging van vrijheid van drukpers; op de bepaling, dat het koninkrijk der Nederlanden uit zeventien gewesten zou bestaan; op het artikel, houdende dat deze grondwet ook op Luxemburg zou toepasselijk zijn, behoudens zijn betrekking tot den bond, weshalve Luxemburg insgelijks zijn vertegenwoordigers zond naar de Staten-Generaal. De zeventien gewesten waren Zuid-Brabant, Limburg, Luik, Oost-Vlaanderen, West-Vlaanderen, Henegouwen, Namen, Antwerpen, gevoegd bij de boven (zie blz. 182) opgetelde negen. Het dáár genoemde Brabant werd thans Noord-Brabant.