§ 22.
Reading edition
De vrede van Munster.—Blik op den toestand des lands.
Reeds sedert 1641 en vroeger was er sprake van een vrede, die de rust zou teruggeven aan het door den dertig- en den tachtigjarigen oorlog zoozeer geschokte Europa. Het duurde tot April 1645, eer het congres werd geopend. De gezanten van Zweden en van de protestantsche rijksvorsten kwamen bijeen te Osnabrück, die der Roomsch-katholieke staten te Munster. In den beginne waren de Staten-Generaal van zins, in overeenstemming met het verbond van 1635, niet zonder Frankrijk vrede te sluiten. Maar van ’t oogenblik af, dat Mazarin (Overzicht, 9de druk, blz. 144) den toeleg had geopenbaard, om Frankrijks heerschappij in het Noorden tot de grenzen der Republiek uit te breiden, achtte men zich dezerzijds gerechtigd, op zichzelf te handelen, te meer, vermits er sedert jaren geen spoor meer was van samenwerking tusschen de beide bondgenooten. In Nederland zelf waren Zeeland en Utrecht ertegen, dat men, buiten Frankrijk, vrede sloot. Desniettemin werd de Westphaalsche vrede den 30sten Januari 1648 geteekend. De uitwisseling der wederzijdsche bekrachtigingen of ratificatiën had te Munster plaats op den 15den Mei, hoewel Zeeland eerst den 30sten dier maand toetrad.
Bij dien vrede erkende de koning van Spanje in art. 1 de Vereenigde Nederlanden als vrije en onafhankelijke landen. Art. 3 en 5 bepaalden, dat de Staten-Generaal hun veroveringen in Brabant, Limburg en Vlaanderen, alsmede in de vreemde werelddeelen behielden. Nog bevatte art. 5 de voorwaarde, dat de Spanjaarden zich zouden beperken tot de vaart op Oost-Indië, gelijk zij toen was, zonder zich verder te mogen uitbreiden. Art. 14 schreef voor, dat de Schelde en de kanalen, welke met die rivier in gemeenschap stonden, vanwege de Staten-Generaal zouden worden gesloten gehouden.
De vrede van Munster was in allen opzichte een eervolle vrede voor de Republiek. Met luister omstraald, trad zij in de rij van Europa’s mogendheden op. Aan grondgebied won zij Staats-Vlaanderen, Staats-Brabant, waartoe ook de stad en omtrek van Maastricht behoorde, en Staats-Limburg of de landen van Overmaas. Gelijk Drente, drong Staats-Brabant er thans op aan, als achtste gewest tot de Generaliteit te worden toegelaten. Het werd geweigerd. De Staten-Generaal voerden het bewind over de pas verworven landen, de Generaliteitslanden geheeten. Zonderling was het gelegen met de regeering van Maastricht. Deze regeering was tweeheerig, d. i. de Staten-Generaal, als verbeeldende den hertog van Brabant, oefenden er gemeenschappelijk met den prins-bisschop van Luik (zie blz. 11) het gezag.
Voor de Zuidelijke Nederlanden was geen artikel van den vrede nadeeliger of meer vernederend dan het 14de. Volgens dit artikel mocht geen schip de Schelde op- of afvaren, zonder dat er inkomende of uitgaande rechten werden betaald en dat de lading der schepen, uit zee komende, in Nederlandsche binnenschepen werd gebracht. Dit alles was een bekrachtiging van een oud gebruik, dat Nederland sedert 1604 (zie blz. 76) ten opzichte van Engeland had doen gelden. Van nu af werd dus aan alle zeeschepen de pas afgesneden om Antwerpen te naderen en tevens een winstgevende vrachtvaart voor Noord-Nederlanders geopend. Bij Lillo lag, ten minste in tijd van vrede, slechts één wachtschip van de Nederlandsche vloot, de uitlegger genoemd, om ervoor te waken, dat het artikel werd nagekomen. Ten overvloede liet men schuiten met zware steenen in de rivier zinken, ten einde ze voor diepgaande schepen onbevaarbaar te maken.
Nog op andere wijze, dan door het oorlogszwaard, nam gedurende den tachtigjarigen oorlog de omvang van ’t grondgebied der Republiek toe. Zoowel in Friesland, als inzonderheid in Holland kreeg men door indijkingen veel land. Hier won men in de eerste jaren der 17de eeuw de Beemster, de Purmer, de Wormer. Doch het Haarlemmermeer insgelijks droog te maken ried Leeghwater vruchteloos in een geschrift, getiteld het „Haarlemmermeerboek.”
Zoo trad dan ons vaderland, krachtig naar buiten en van binnen, onder de mogendheden van Europa op. Geschiedde dit eerst in 1648, reeds veel vroeger had het met het buitenland betrekkingen aangeknoopt, deels van staatkundigen aard, deels ter wille van den handel. Aan het doorzicht en aan de wakkerheid van den onsterfelijken landsadvocaat hadden de Vereenigde Nederlanden het te danken, dat zij alom in Europa met eere en achting werden bejegend.
Geen wonder, Nederland stond ten aanzien van handel en scheepvaart op een hoog standpunt. Vroeger (zie blz. 44) is over dit punt het een en ander opgeteekend, dat thans verdient eenigermate te worden uitgebreid. De handel, die in de eerste plaats allengs voor het grootste gedeelte in handen der Nederlanders kwam, was die op de Levant of op de Middellandsche Zee, de handel, die Venetië groot had gemaakt. De voornaamste handelsplaats in de Levant was Smyrna. Bovendien dreef men handel op Rome, op Venetië en op andere groote steden van Italië en Sicilië, op Alexandrië, Caïro, Constantinopel, enz.
Sinds de handel van Venetië, van Antwerpen en van de hanse geheel verviel of sterk achteruit ging, begon Nederland handelsbetrekkingen met alle rijken van Europa aan te knoopen. Zeer aanmerkelijk was die op Frankrijk. Reeds in 1658 werd de waarde van alles, wat Frankrijk aan Nederland leverde, begroot op omstreeks 36,000,000 gl. Voor den handel, dien Nederland op Frankrijk dreef, behoefde die op het Noorden, d. i. op Rusland, Noorwegen, Zweden, Denemarken en op de havens der Oostzee, niet te wijken. Zooals Nederland alles, wat de natuur in het Zuiden en midden voortbracht, aan de natiën van Noord-Europa leverde, zoo dreef het met die van het Zuiden en het midden handel in de Noordsche waren. Een tijdlang waren Polen en Rusland voor Nederland, wat Sicilië eens voor Rome was, de korenschuur. Bovendien trok de Republiek van de havens der Oostzee al hetgeen zij voor den scheepsbouw en het zeewezen behoefde. De ijver der kooplieden werd niet verlamd door den tol, dien alle schepen, welke de Sond doorvoeren, te Elseneur (op Seeland) moesten betalen. Jaarlijks werd de Oostzee, welker toegang de koning van Denemarken bewaarde, door vier duizend Nederlandsche schepen bevaren.
Niet minder belangrijk was de handel langs den Rijn en op verschillende steden van Duitschland en Zwitserland. De waarde van den handel op den Rijn, die uitsluitend in handen van Nederland was, werd jaarlijks geschat op honderd millioen. Van minder gewicht was die op de Zuidelijke Nederlanden, op Groot-Britannië, Spanje en Portugal. Een geheel eigenaardigen handel dreef Amsterdam op Antwerpen, n.l. in ruwe en geslepen diamanten. Onophoudelijk gaf de handel voedsel aan de vrachtvaart. Al vroeg zagen de Nederlanders, niet ongelijk aan de oude Tyriers (Overzicht, 9de druk, blz. 11, 12), in, dat zij, een land van kleinen omvang bewonende, in de zee het element hadden te zoeken, waarop zij voor een goed deel hun bestaan moesten vinden. De koopvaardijvloot van het kleine Nederland was in die dagen talrijker, dan de schepen van alle volken van Europa tezamen. In alle havens trof men Nederlandsche vaartuigen aan, en maar zelden hadden zij ballast in. Buitenlandsche handelshuizen gebruikten Nederlandsche schepen en bevrachtten ze met allerlei goederen, om ze b. v. uit Engeland of andere landen naar Frankrijk of elders over te brengen. Verder schonk de handel nieuw leven aan de nijverheid. Beroemd waren de scheepstimmerwerven van Zaandam, de bleekerijen van Haarlem, de boekdrukkerij van Elzevier te Leiden. Bij den buitenlandschen handel, de vrachtvaart en de nijverheid kwam de binnenlandsche handel, die van gewest tot gewest, van stad tot stad werd gedreven. Boven alle handelsplaatsen in ’t geheele land stak Amsterdam, de koningin van Nederlands steden, uit. Onder de fraaie gebouwen der stad muntte het nieuwe stadhuis uit, het achtste wonder der wereld, waarvan men den bouw begon in ’t gedenkwaardige jaar 1648. Een der bouwmeesters was Jakob van Kampen.
Wie van den wereldhandel der Nederlanders in de 17de eeuw spreekt kan niet zwijgen van de compagnieën. Na het bovenstaande (zie blz. 79 vlg. en 88) moet althans van de Oost-Indische compagnie hier nog eenige melding worden gemaakt. Na in 1622 de landvoogdij te hebben nedergelegd, keerde Coen naar het vaderland terug. Doch in 1627 werd hem die hooge betrekking op nieuw opgedragen. Een zijner merkwaardigste opvolgers was Antonie van Diemen. Door de inheemsche bewoners van Ceylon ingeroepen, veroverde hij in 1638 een fort van dit eiland op de Portugeezen. Eens vasten voet hebbende gezet, breidde de compagnie haar macht ook hier spoedig uit. Eveneens ging Malakka (in ’t z.w. van Achter-Indië) in 1641 van Portugal op de Nederlandsche compagnie over. In ’t zelfde jaar gelastte de keizer van Japan, dat alle buitenlandsche betrekkingen moesten worden afgebroken, behalve met Sina en met de Nederlandsche compagnie, die hare factorij vestigde op het kleine eiland Desima, dat verbonden was met de stad Nangasaki.
Onder de oorzaken, waaraan Nederlands handel zijn bloei had te danken, is mede vermeld (zie blz. 44) de persoonlijke vrijheid welke alle ingezetenen dezer landen genoten. Uit hoofde van die persoonlijke vrijheid, waarvan men hier zeker was, werd de Republiek, van den aanvang af, het toevluchtsoord, waar vele vreemdelingen zich metterwoon nederzetteden, eerst Vlamingen en andere Zuid-Nederlanders, later Franschen, Duitschers, enz. De hervormde kerk—het is waar—was met den staat tot één geheel onafscheidelijk samengegroeid. Zelfs de Roomsch-katholieken, ofschoon nog lang na de invoering der hervorming de meerderheid der bevolking uitmakende, hadden, sinds de vestiging der Republiek, geen volledige vrijheid van eeredienst. Maar evenals alle andere gezindheden hadden ook zij vrijheid van geweten en godsdienstoefening, mits de dienst niet in ’t openbaar geschiedde. De overheidsambten intusschen en zelfs de mindere bedieningen kon niemand bekleeden, dan wie de leer der hervormde kerk beleed. Doch onbetwistbaar is het, dat de Republiek niet den minsten gewetensdwang heeft geoefend. Buiten de Roomsch-katholieken was het meerendeel der inwoners van Nederland hervormd. In Holland en Zeeland telde men ook vele leden der Waalsche kerk. Verder had men Doopsgezinden, Remonstranten, Lutherschen en Joden. Was er alzoo voor den vreemdeling veel, dat hem uitnoodigde, zich in deze streken te vestigen, niet alles kan hem hier hebben behaagd. De ingezetenen der Vereenigde Nederlanden toch hadden zware belastingen op te brengen.
Nederland leefde van den handel, doch niet alleen om den handel. Ook om den lauwer in wetenschap en kunst ontstond hier een wedstrijd. Van de zucht voor verbreiding van kennis en voor den bloei der wetenschap, die de landzaten bezielde, leverde in de eerste plaats het stichten van hoogescholen onweerlegbare bewijzen op. Na Leiden verrezen die van Franeker, Groningen, Amsterdam (zie blz. 90), Utrecht en Harderwijk. Het athenaeum van Franeker stichtten Willem Lodewijk (zie blz. 64) en de staten van Friesland in 1585. De universiteit van Groningen werd door de staten van ’t gewest gegrondvest in 1614. Dan volgde de academie van Utrecht, met goedvinden der staten door de stad opgericht in 1636. In Gelderland bestond, sedert 1647, Harderwijk als een provinciale academie. Latijnsche scholen waren verder in grooten getale door het land verspreid. Wat het algemeene volks- of lager-onderwijs betreft, dit was een vrucht der hervorming. Daarom stonden overal de scholen onder de leiding der heerschende kerk, evenwel steeds onder toezicht der regeering. In de heerlijkheden—en zij waren vele—had de heer eveneens grooten invloed op de school. Over ’t geheel stond het onderwijs op de lagere scholen, staande den ganschen duur der Republiek, op een lagen trap.
Het vernieuwde leven der natie openbaarde zich insgelijks in de letterkunde. Na de tallooze tooneeldichten uit vroegere dagen, waaraan de vele Rederijkerskamers (zie blz. 44) het aanzijn hadden gegeven, kwam er een gansche hervorming in de letteren sedert den grooten omkeer, die tegen het einde der 15de en in ’t begin der 16de eeuw in staat en kerk plaats greep. Een der beste prozaschrijvers uit de laatstgenoemde eeuw, tevens een der merkwaardigste mannen van zijn tijd, is Philips van Marnix van St. Aldegonde (zie blz. 53). In zijn hoofdwerk, den Bijenkorf der Heilige Roomsche kerk, gispt hij geestig, ernstig en krachtig de leer en de gebruiken dezer kerk.
Van alle Rederijkerskamers is er geene, die vruchtbaarder werkte voor de opkomst der Nederlandsche letteren, dan de Amsterdamsche kamer „in liefde bloeiend”. Mede door haar zijn Hooft en Vondel geworden, wat zij waren. Met Cats en Huygens zijn de beide zooeven genoemde schrijvers de vier, wier namen de gulden eeuw der Nederlandsche letterkunde, den tijd van Frederik Hendrik, vermaard hebben gemaakt. Pieter Cornelisz. Hooft, gestorven in 1647, was drossaart of drost van Muiden. Een zijner treurspelen is Gerard van Velzen. Keurig zijn bovenal zijn minnedichten. Meer nog dan als dichter muntte hij uit als geschiedschrijver. Zijn hoofdwerk, als zoodanig, is de Nederlandsche historiën, welker onderwerp is de opstand tegen Spanje, van 1555 tot 1587. Een vreemdeling, zoo men op de geboorteplaats let, maar Nederlander door zijn herkomst (uit Antwerpen) en door zijn woonplaats van zijn kindsheid af (Utrecht en Amsterdam), is Joost van den Vondel (1587-1670). Hij is de vorst der Nederlandsche dichters. Onder de rijen zijner treurspelen zijn uitnemend verheven lierzangen, als de lofzang der engelen in den Lucifer en die der Amsterdamsche maagden op de huwelijkstrouw in den Gijsbrecht van Amstel. Met schier evenveel geluk beoefende hij bijna alle dichtsoorten. De vruchtbaarste stof voor zijn treurspelen leverde hem de bijbel. Een der stukken, hieraan ontleend, is de Lucifer.
De derde van het viertal is Jakob Cats (zie blz. 90). Hij is geboren te Brouwershaven en stierf in 1660, in den ouderdom van drie-en-tachtig jaren. Zijn poëzie is natuurlijk en ongedwongen. Het „leerdich” was de vorm, die hem het meest aantrok. Groot was de populariteit, die hij bekwam. Geen dichter werd door het Nederlandsche volk zoo gelezen, als hij. Dit is niet vreemd, want zijn gedichten zijn huiselijke gedichten. Bijna twee eeuwen lang was „vader Cat” als de tweede bijbel des huisgezins. Men heeft van hem: Ouderdom en Buitenleven, het huwelijk, enz.—Veel overeenkomst met het proza van Hooft heeft de poëzie van Constantijn Huygens. Evenals die prozaschrijver is hij hier en daar duister en onverstaanbaar. De verzameling zijner werken, de Korenbloemen, bevat punt- en hekeldichten, sneldichten, enz.
Met de ontwikkeling der letteren hield die van sommige kunsten ongeveer gelijken tred, bovenal die der schilderkunst. Had België Rubens, die moeielijk was te evenaren, Nederland kon op vele zijner tijdgenooten bogen, die in het schilderen van huiselijke tafereelen of van voorwerpen, aan de natuur of aan het leven ontleend, een zeldzame hoogte bereikten. De beroemdste der Nederlandsche historieschilders is Rembrandt, geboren te Leiden, die van 1608 tot 1669 leefde. Hij vormde zichzelf zoo goed als geheel. In eigen waarneming, vooral van de weerkaatsing van ’t licht, zocht en vond hij zijn kracht. Op geheel eenige wijze leerde hij met licht en bruin te werken. Ook was hij een meester in het schikken der beelden. Vermaard is zijn „nachtwacht.”