§ 14.
Reading edition
Van de unie van Utrecht tot de vestiging der Republiek van de Zeven Vereenigde Nederlanden.
Een van de onderteekenaars der unie van Utrecht was George van Lalaing graaf van Rennenberg (een voormalig graafschap in Limburg, tusschen Sittard en Valkenburg). Doch ternauwernood had hij ze geteekend, of hij viel, met een aanzienlijke som omgekocht, in 1580 van haar af en bracht, door verraad en geweld, de stad Groningen, Drente en een deel van Overijsel onder de Spaansche heerschappij terug. Slechts Steenwijk bleef voor den prins behouden. Niet lang genoot Rennenberg de vruchten van zijn verraad. Hij stierf reeds in 1581.
Willem, door dien afval zeer verslagen, werd bovendien diep geschokt door den ban, dien Philips, op raad van Granvelle, over hem uitsprak. In dit stuk, dat in Augustus 1580 in de Nederlanden werd afgekondigd, stelde de koning een prijs van 25,000 gouden kronen (elke ter waarde van omtrent 3 gl.) op het hoofd des grooten mans en beloofde brieven van adel te zullen uitreiken aan wie het trof. Één jaar na de afkondiging van den beruchten ban, den 26sten Juli 1581, zwoeren de Algemeene Staten, in den Haag vergaderd, Philips plechtig af. Het beginsel, waarvan deze daad uitging, was, dat de onderdanen niet door God zijn geschapen ten behoeve van den vorst, om hem als slaven te dienen, maar de vorst ten dienste van de onderdanen, zonder welke hij geen vorst is, ten einde hen volgens het recht en de rede te regeeren en lief te hebben, gelijk de herder zijn schapen.
Terzelfder tijd droeg Holland den prins de hooge overheid op en bekleedden de overige gewesten Frans van Anjou, een broeder van Hendrik III, koning van Frankrijk (Overzicht, 9de druk, blz. 143), met het oppergezag. Matthīas, nu overbodig geworden, verliet het land in 1581, zonder eenig spoor van zijn verblijf achter te laten. Anjou kwam eerst in Februari 1582 in de Nederlanden. Ook zijn macht was in vele opzichten aan banden gelegd. Zijn titel was hertog van Gelderland en Brabant, graaf van Holland en Zeeland, enz. Vreemd was vooral zijn verhouding tot deze beide gewesten. Zij hielden zich aan Willem, maar stemden er tevens in toe, ter bewaring der eendracht, zich, ten aanzien van sommige algemeene zaken, aan Anjou te onderwerpen.
Weldra oefenden de schitterende beloften, door Philips gedaan, haar werking. In Maart 1582 loste Jan Jaureguy, een bediende van d’Anastro, een Spaansch koopman te Antwerpen, in die stad een pistoolschot op den prins en wondde hem. ’s Prinsen gevolg doodde den misdadiger onmiddellijk; doch de hoofdaanlegger van het bedrijf, d’Anastro, ontkwam door de vlucht. Langzaam genas de prins. Nieuw verdriet berokkende hem de verraderlijke aanslag van Anjou, verontwaardigd over de perken, binnen welke zijn gezag was omschreven. Om zich van die bepalingen te ontslaan, leverde hij een tegenhanger van Don Jans trouwelooze daad. In Januari 1583 bemachtigden zijn troepen Duinkerken en andere sterke plaatsen in de Zuidelijke Nederlanden. Zelf deed Anjou, ter voltooiing van dit werk, dat men de Fransche furie noemt, met zijn soldaten een moorddadigen aanval op de burgers der stad Antwerpen, die echter door de ingezetenen zelven met gunstig gevolg werd afgeslagen en hem op een paar duizend zijner officieren en krijgsknechten kwam te staan. Hierop keerde Anjou naar Frankrijk terug en overleed er in 1584. Een der boden uit Frankrijk, welke de tijding van dien dood aan den prins overbracht, was Balthazar Gerard, of, gelijk hij voorgaf te heeten, François Guyon.
Deze man was de zesde, die in het tijdsbestek van twee jaren, door geld- en dweepzucht vervoerd, met medeweten van Parma, Willem van Oranje naar het leven stond. Zijn verderfelijk opzet, de grootste ramp, welke Nederland in die dagen kon treffen, gelukte maar al te wel. De vader des vaderlands viel den 10den Juli 1584 te Delft, doodelijk getroffen door het pistool van den sluipmoordenaar. De booswicht werd terstond gegrepen en op gruwelijke wijze ter dood gebracht.
Een groot en edel man was Willem van Oranje, de grondlegger der onafhankelijkheid van den Nederlandschen staat. Hij was een ervaren krijgsheld, een uitstekend staatsman, geboren om volksleider te zijn, in de goede beteekenis van het woord. Aan ingenomenheid met de hervormde leer en een vromen zin paarde hij een in die dagen ongekende verdraagzaamheid. Standvastig was hij als een rots in den oceaan, rustig te midden der onstuimige baren. Verbazend was zijn kennis van personen en zaken, onbegrijpelijk zijn werkzaamheid, zeldzaam zijn zelfbeheersching. Zelfopoffering en onbaatzuchtigheid onderscheidden hem in buitengewone mate.
Het was sober gesteld met de Nederlandsche gewesten bij den dood van den prins van Oranje. Parma had sedert het verdrag van Atrecht niet stil gezeten, doch Maastricht, bijna geheel Vlaanderen en de meeste steden van Brabant veroverd. Thans lag Antwerpen aan de beurt. Veertien maanden lang werd de stad verdedigd onder de leiding van Marnix van St. Aldegonde (zie blz. 53), die er burgemeester was. Het einde was, dat Antwerpen zich den 17den Aug. 1585 bij verdrag aan Parma overgaf. Dit verdrag verleende den hervormden geen vrijheid van godsdienst, maar nog een ongestoord verblijf van vier jaren. Duizenden maakten in dat tijdsverloop hun vastigheden te gelde en weken naar ons land, vooral naar Amsterdam. Van nu aan verliet voor de twee volgende eeuwen de zeehandel de haven van Antwerpen en keerden de Zuidelijke gewesten onder de gehoorzaamheid van Spanje’s koning terug. De scheiding van ’t Zuiden en ’t Noorden was voltooid. Het Zuiden ging den smaad en de ellende der dienstbaarheid te gemoet; het Noorden zette steeds vaster schreden op de baan, die tot de onafhankelijkheid voerde.
Gedurende de beide laatste jaren van ’s prinsen leven had Holland voortdurend onderhandeld, om Willem als grondwettig vorst aan te nemen onder den naam „graaf van Holland en Zeeland.” Slechts het toeven van Gouda en Zeeland had de zaak vertraagd. Thans was het te laat. Friesland benoemde Willem Lodewijk, den oudsten zoon van Jan van Nassau (zie bl. 61), tot stadhouder. De Algemeene Staten richtten een nieuwen raad van state op, aan ’t hoofd van welk lichaam ’s prinsen zoon Maurits werd gesteld. Dezelfde staten droegen de oppermacht over deze landen aan Hendrik III (zie blz. 62) op. Toen deze vorst weigerde, deed men hetzelfde aanbod aan Elizabeth, koningin van Engeland. Zij nam het evenmin aan, doch zond hulp tegen zekere onderpanden, n.l. het bezetten van Brielle, Vlissingen en het kasteel Rammekens (ten o. van Vlissingen). In December 1585 verscheen aan ’t hoofd harer troepen Robert Dudley, graaf van Leicester (in ’t midden van Engeland). Aanstonds bekleedden de Staten-Generaal Leicester met de algemeene landvoogdij. Ongeveer terzelfder tijd benoemden de staten maurits (1585-1625) tot stadhouder van Holland en Zeeland, terwijl johan van oldenbarnevelt in Holland advocaat van den lande (zie blz. 31) werd.
Nog ternauwernood had Leicester het bewind aanvaard, of er bestond alreede een klove, die slechts behoefde te worden verwijd. Hiervoor zorgde hijzelf. De eerste twistvraag, die tusschen hem en de staten van Holland en Zeeland opkwam, betrof den handel van Spanje en met de Spaansche Nederlanden. Leicester en Elizabeth wilden een volstrekt verbod van uitvoer naar ’s vijands land. In weerwil van de vertoogen, door Holland hiertegen ingediend, werd zoodanig verbod afgekondigd. Bij dit punt van verschil kwamen andere. In December 1586 vertrok de Engelschman voor een wijl naar zijn vaderland en vertoefde er ruim een half jaar. Zijn verblijf in deze streken had meer kwaad dan goed gedaan. De predikanten en de mindere volksklasse, die zeer aan den rechtzinnigen landvoogd waren gehecht, stonden tegenover hen, die de partij der Staten van Holland omhelsden. Grooter verdeeldheid en meer verwarring in ’t bestuur: dit waren de vruchten van Leicesters tegenwoordigheid hier te lande. De Staten-Generaal, waarin Vlaanderen nu geen zitting meer had en Holland het meest gold, haastten zich van Leicesters afwezigheid gebruik te maken. Het plakkaat nopens den handel werd zoo gewijzigd, dat het al zijn kracht verloor. Van hun kant kwamen de staten van Holland thans tot het volle besef van de noodzakelijkheid, om de souvereiniteit, die zij zich immers, ook toen Leicester de landvoogdij werd opgedragen, hadden voorbehouden, metterdaad te aanvaarden. De leer van de souvereiniteit der staten is gedurende den tijd van ’t bestaan der Republiek het heerschend denkbeeld gebleven.
Intusschen keerde Leicester in ’t midden van 1587 naar de Nederlanden terug, vast besloten om, des noods met geweld, een omwenteling teweeg te brengen, die hem in ’t genot van de volheid der macht zou stellen. Maar een poging, die hij deed om Maurits en Oldenbarnevelt, de ziel van de tegenstand, op te lichten mislukte. Evenmin slaagde een aanslag op Amsterdam, onder den schijn van een bezoek gedaan. Op Medemblik en Hoorn na, verklaarde zich Noord-Holland tegen hem. In ’t kort, alom bespeurde hij, dat zijn rijk ten einde was. Weldra vertrok hij, door Elizabeth van zijn ambt ontslagen, naar Engeland. Elizabeths hulptroepen bleven in Nederland; doch Leicesters opvolger als veldheer werd door de Staten-Generaal met geen landvoogdij of andere waardigheden bekleed.