§ 33.
Reading edition
De val der Republiek.—Blik op den toestand des lands.
Eerst in 1788 verlieten de Pruisen, met een vrij grooten buit beladen, de Nederlanden. Op allerlei wijze zocht men den nu herstelden regeeringsvorm voor de stormen des tijds te beveiligen. Zoo sloot de republiek in 1788 een verdedigend verbond met Engeland en met Pruisen, waarbij deze mogendheden het erfstadhouderschap waarborgden. Het ontbrak thans niet aan blijken, die van hooge ingenomenheid met het huis van Oranje-Nassau schenen te getuigen, zoovaak de gelegenheid zich daartoe aanbood, inzonderheid in 1791, toen de erfprins (zie blz. 154) in het huwelijk trad met Frederika Louise Wilhelmina, een dochter van den koning van Pruisen. Op vele plaatsen liet men het dragen der Oranje-versierselen niet aan de inspraak van ’t gemoed der burgers over, maar werd zelfs het bevel hiertoe uitgevaardigd. Uit ’s prinsen huwelijk sproten in 1792 Willem Frederik George Lodewijk, in 1797 Willem Frederik Karel, in 1809 Marianne.
Desniettemin bleek het welhaast, dat er niets anders was voorgevallen, dan dat een vreemde mogendheid de stadhoudersgezinden had doen zegevieren en dat deze zegepraal de verbanning der patriotten ten gevolge had gehad. De rust—het is waar—was, doch met geweld, hersteld, niet de eendracht. Bij den omkeer der zaken had men geenszins vergeten en vergeven. Tweespalt en partijschap bleven voortwoelen. Vruchteloos poogde van de Spiegel de Republiek op te beuren. De gebreken in ’t staatsbestuur waren vele; zij waren verouderd. Slechts in ’t financiewezen was het hem mogelijk, eenige hervormingen in te voeren.
Hevig was de schok, dien de omwenteling in een naburig land, in Frankrijk, uitgebarsten (Overzicht, negende druk, blz. 174 vlg.), aan de Republiek gaf, duurzaam de gevolgen van dien schok. Een tijdlang slaagde van de Spiegel erin, de Republiek onzijdig te doen blijven, zelfs sedert April 1792, toen Frankrijk reeds in oorlog was met Pruisen en met Oostenrijk en zijn legerbenden alreede naar de Zuidelijke Nederlanden had gezonden. Van hun zijde spaarden de patriotten, die zich in Frankrijk ophielden, geen poging, om de nationale conventie (zie Overzicht, negende druk, blz. 177), die alle vorsten voor haar natuurlijke vijanden verklaarde, te nopen, haar beginselen op de Nederlandsche Republiek te gaan toepassen. Op den 1sten Februari 1793 voldeed de conventie aan den wensch der patriotten door den oorlog te verklaren aan den koning van Engeland en aan den stadhouder der Vereenigde Nederlanden. Kort hierna trok Dumouriez, een Fransch generaal, geleid door Herman Willem Daendels aan ’t hoofd der Bataafsche uitgewekenen, de grenzen van Nederland over. Doch na eenige vestingen te hebben veroverd, moesten zij terugtrekken, en de Republiek was nog eenmaal gered.
Maar de verademing was van korten duur. Het ééne vijandelijke leger na het andere stroomde naar de Zuidelijke Nederlanden, die, hoewel zij eerst bij den vrede van Campo Formio (Overzicht, negende druk, blz. 180) aan Frankrijk werden afgestaan, reeds sedert November 1792 metterdaad in de macht der conventie waren. Daarentegen zond de koning van Pruisen, zijn beloften brekende, zijn soldaten niet naar de kampplaats. Dus streden Willems zonen, de erfprins Willem Frederik en Frederik, vruchteloos met moed en beleid aan ’t hoofd der Nederlandsche krijgsbenden, die een deel van ’t leger der bondgenooten uitmaakten. De slag bij Fleurus in 1794 (Overzicht, negende druk, blz. 178) was zoo beslissend, dat in deze oorden de Franschen thans geen weerstand meer hadden te duchten. Toch draalden de Franschen nog een oogenblik, eer zij verder gingen. Na den val van het schrikbewind (Overzicht, negende druk, blz. 177) helde de regeering van Frankrijk tot den vrede over. Doch Daendels en de overige patriotten spoorden steeds tot de overkomst aan. Zoo trok dan in December 1794 en Januari 1795 de Fransche generaal Pichegru, wederom door de patriotten onder Daendels geleid, over de bevrozen rivieren en stroomen de Nederlanden binnen. Daar de nationale conventie had verklaard, dat zij zich in geen verdrag met de Republiek wilde inlaten, eer de stadhouder zich had verwijderd, scheepte Willem V zich den 18den Januari met zijn gezin naar Engeland in, waar hij tot 1800 vertoefde. Alzoo bleef de wederwerking op hetgeen het jaar 1787 had zien gebeuren niet achter. Thans, acht jaren na hun verbanning, keerden de patriotten terug, op hun beurt door een vreemde mogendheid, door Frankrijk, geleid. Door haren ondergang bezegelde de Republiek de oude spreuk, eendracht maakt macht, tweedracht verstrooit.
Onder de vele bewijzen van de steeds toenemende verzwakking der Republiek gedurende de 18de eeuw is het allengs meer en meer vervallen harer zeemacht een der meest in ’t oog loopende. Met het verval der zeemacht hield dat van den handel gelijken tred. Evenals de handel, waren de haringvisscherij en de walvischvangst langzamerhand aan het kwijnen geraakt (zie blz. 141). Wat de Oost-Indische compagnie betreft, zij had eveneens luisterrijker dagen gekend, dan de laatste vijftig à zestig jaren van haar bestaan. Onder haar gouverneurs-generaal in dit tijdperk zijn Adriaan Valkenier (1737-1741) en Gustaaf Willem baron van Imhoff een paar van de meest beroemde. Het bewind van Valkenier werd gekenmerkt door den beruchten moord der Sineezen op den 9den October 1740 en volgende dagen. Sinds eenigen tijd hadden sommige maatregelen van ’t bewind der compagnie het wantrouwen gewekt van een menigte te Batavia gevestigde Sineezen, die deswege naar ’t gebergte en naar de bosschen weken, den omtrek van Batavia onveilig makende. Den 8sten October hadden er in de nabijheid dier stad eenige gevechten tusschen de Nederlanders en de Sineezen plaats, waarin de laatsten werden verslagen. Volgens besluit nu van den raad van Indië (zie blz. 80) werd er den 9den en volgende dagen een ware bloedbruiloft gehouden onder de Sineezen te Batavia, die men verdacht hield van verstandhouding met hen, die buiten waren. Ruim 10,000 Sineezen vielen als de offers dezer vreeselijke wraakneming. Kort na dien moord werd van Imhoff gouverneur-generaal. Hij breidde het gebied der compagnie aanmerkelijk uit (zie blz. 143), en is de stichter van Buitenzorg, nu het gewone verblijf van den gouverneur-generaal.
Na van Imhoff ging de Oost-Indische compagnie steeds meer achteruit. Vele waren de oorzaken van haren achteruitgang. Een der voornaamste is, dat zij, reeds vóór het midden der 18de eeuw, elk jaar hare boeken met een tekort van eenige millioenen sloot. In plaats van de uitgaven naar evenredigheid te beperken, ging zij, die niets had uit te deelen, desniettegenstaande met haar uitdeelingen voort. Ofschoon op een lager bedrag neerkomende dan voorheen (zie blz. 144), beliepen die uitdeelingen toch nog 20 tot 121⁄2 ten honderd. Eveneens ging het de West-Indische compagnie. Reeds in de 17de eeuw (zie blz. 144) was men begonnen, voor alle ingezetenen van den staat vrijstelling te verleenen van de vaart op eenige dier plaatsen, waarop het vroegere octrooi (zie blz. 88) de compagnie den alleenhandel toekende. In de 18de eeuw werd dezelfde vergunning verleend ten opzichte van de kust van Guinēa, van Essequībo en Demerary. Hoezeer deze maatregelen Nederlands handel in ’t algemeen moeten hebben begunstigd, zij konden de nieuwe West-Indische compagnie niet genoegzaam opbeuren.
Nederlands kerkelijke toestand onderging sedert den vrede van Munster (zie blz. 99, 100) geen groote veranderingen. Bij de vele sekten, die werden geduld, kwamen sinds het begin der 18de eeuw nog een paar andere: de Jansenisten en de Herrenhutters. De Jansenisten ontleenden hun naam aan Cornelis Janssen, hoogleeraar te Leuven en later bisschop te Yperen, die in 1638 stierf. Twee jaren na zijn dood kwam een werk van hem uit, Augustīnus getiteld, hetwelk de leer van dezen kerkvader verklaarde. Rome verbood dit geschrift. Intusschen vonden de begrippen van het Jansenisme bijval bij een aantal der Nederlandsche katholieken, die aldus onderling werden verdeeld. Zij, welke die begrippen waren toegedaan, benoemden in 1723 hun eersten aartsbisschop, wiens zetel te Utrecht was. De Herrenhutters of broedergemeente worden zoo genoemd naar het dorp of vlek Herrnhutt (in ’t z.o. van het koninkrijk Saksen, nabij Zittau), waar zij hun eerste gemeente stichtten. Sinds 1746 vestigden de Nederlandsche Herrenhutters zich te Zeist.
In de eerste eeuw van het bestaan der Republiek werden kunsten en wetenschappen hoog gewaardeerd, ook om haarzelven, maar vooral met het praktische doel, om de heerschappij van Nederland over verre zeeën en kusten uit te breiden. Al werd het praktische doel door de nazaten der 18de eeuw meer uit het oog verloren, van die zucht zelve voor vermeerdering van kennis vervreemdden zij niet. Achtereenvolgens verrezen talrijke genootschappen, als zoovele getuigen van den zin voor wetenschappen, die de Nederlanders bezielde. Een ander doel dan deze genootschappen had de Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen, welke Jan Nieuwenhuizen, Doopsgezind leeraar te Monnikendam, in 1784 stichtte. Op vele plaatsen verbeterde zij het Lager-Onderwijs, bevorderde een zekere verdraagzaamheid in zaken van godsdienst en verspreidde nuttige kennis onder alle standen der samenleving.
In de letterkunde bleef het heerschend karakter gebrek aan kracht en oorspronkelijkheid. Zoetvloeiendheid was het hoofddoel, waarnaar de leden der talrijke dichtergenootschappen streefden, die den lof dezer kringen wilden verwerven. Daarom vonden zij weinig weerklank, wier werken den stempel droegen van dichterlijken gloed en eigen talent. Zoodanige uitzonderingen waren de gebroeders Willem en Onno Zwier van Haren, die, hoewel op ’t gebied der staatkunde werkzaam, menig uur aan de beoefening der dichtkunst wijdden. Willems hoofdwerk, een heldendicht, verheerlijkt Friso, den gewaanden eersten koning der Friezen. De jongere broeder schreef een aaneengeschakelde reeks van lierdichten onder den titel de Geuzen. In breede trekken schildert dit gedicht de daden der Nederlanders, die in den strijd tegen Spanje den grondslag legden der onafhankelijkheid van hun vaderland.
In het proza dier dagen nemen de vriendinnen Elizabeth Bekker en Agatha Deken den eersten rang in. Elizabeth Bekker, eerst getrouwd met den predikant Wolff, woonde en schreef, na den dood van haren echtgenoot, tezamen met Agatha Deken. Zij waren de eersten, die werken in ’t licht gaven, welke in meer dan één opzicht den naam „Nederlandsche roman” verdienen. Twee dier werken, Sara Burgerhart en Willem Leevend, werden alom gelezen. De vrije wijze, waarop de schrijfsters hare gedachten ook over staatkundige onderwerpen uitten, deed het haar geraden achten, in 1787 met zoovele anderen het vaderland voor een wijl te verlaten. Een tijdgenoot dezer vriendinnen was, althans nog gedurende een aantal jaren, Jan Wagenaar, sedert 1760 eerste klerk ter secretarie van Amsterdam en gestorven in 1773. Zijn hoofdwerk is de Vaderlandsche historie, de eerste poging om de verspreide deelen van Nederlands geschiedenis tot een groot geheel te vereenigen.