← Table of contents
Beknopte geschiedenis van het vaderland

§ 27.

Reading edition

Het vervolg van den oorlog van 1672.—De dood der gebroeders de Witt.—De verheffing van Willem III.

De rampen, die het vaderland zoo plotseling troffen, brachten een geheele omkeering in het land teweeg. De staten van Holland beijverden zich, hun gewest, door het doorsteken der dijken, ontoegankelijk te maken voor den vijand. Amsterdam rustte zich op allerlei wijze wakker ter verdediging toe en geleek weldra op een vesting, midden in het water gelegen. Intusschen weet het volk, steeds zoowel het goede als het kwade overdrijvende, de schuld van alle ongelukken aan ’s lands regeering en beschuldigde de Witt, met Frankrijk te heulen. Niets was ongerijmder dan deze laatste beschuldiging. Doch nu die kreet van landverraad eenmaal de uiting eener vrij algemeen verbreide meening was, lag de gedachte, dat ’s prinsen verheffing in de benarde omstandigheden het eenige redmiddel was, voor de hand. Weldra uitte zich de haat tegen de de Witten door daden. De raadpensionaris, op den avond van den 21sten Juni 1672 uit de vergadering der staten van Holland naar huis gaande, werd nabij het Buitenhof aangerand door vier mannen, die hem verscheiden wonden toebrachten, en, in de meening hem te hebben gedood, de vlucht namen. Van de vier misdadigers, die, door den wijn verhit, de daad bijna terzelfder ure beraamd en gepleegd hadden, werd alleen Jakob van der Graaf, een zoon van een lid van ’t hof van Holland, gegrepen. Den 29sten Juni werd hij ter dood gebracht. Velen hadden gepoogd, ook bij de Witt, vergiffenis voor den jeugdigen man te erlangen, doch vruchteloos. Dit deed, evenals de zaak van Buat, den haat tegen den raadpensionaris zeer toenemen.

Te Dordrecht wendde de woede des volks zich tegen den ruwaard, terwijl hij nog op de vloot was. Een hoop volk vloog naar het stadhuis en vernielde de schilderij, dáár ter zijner eer opgehangen. Eenige dagen daarna kwam hij in zijn vaderstad terug, maar moest, wegens ongesteldheid, het bed houden. Ongeveer gelijktijdig met den aanslag van van der Graaf trachtten op een avond vier onverlaten het huis van den ruwaard binnen te dringen en zouden het booze opzet, dat zij in den zin hadden, hebben volvoerd, zoo niet de gewapende macht tusschenbeide ware gekomen. Zelfs stond te Amsterdam het huis van de Ruiter, die zich op de vloot bevond, een weinig later aan een aanval van het grauw bloot, die eveneens door de burgerwacht werd afgewend.

Gedurende des ruwaards ongesteldheid rottede in verscheidene steden van Holland en Zeeland het volk samen met het doel, den prins van Oranje verder te doen bevorderen. Het eerst gebeurde dit te Veere, waar men de wethouderschap dwong, den 21sten Juni de belofte af te leggen, dat zij den prins het stadhouderschap zou aanbieden. Van Veere sloeg de beweging over naar Dordrecht. Den 29sten Juni onderteekenden de leden der vroedschap een geschrift, waarin zij het eeuwig edict herriepen en Willem het stadhouderschap opdroegen. Vermits de ruwaard nog ziek was, begaf zich de secretaris der stad met een kapitein der burgerwacht naar zijn legerstede en hielden hem voor, dat gewapende burgers zijn huis hadden omsingeld, hem, indien hij aarzelde, met den dood dreigende. Slechts met moeite brachten zijn huisgenooten hem ertoe, aan het verzoek te voldoen. Onderteekenende voegde hij er de letters v. c. bij, d. i. vi coactus, met geweld gedwongen. Maar de Witts gemalin haalde, op aansporing van den secretaris, de pen door deze woorden. Ongeveer op dezelfde wijze als te Veere en te Dordrecht ging het elders. Op de eene plaats kwam het volk uit eigen beweging op de been, op een andere werd het opgeruid.

Het werk, in de stemmende steden voorbereid, werd ter dagvaart voltooid. Den 2den Juli benoemden de staten van Zeeland, in den nacht tusschen den 3den en den 4den die van Holland, na eerst het eeuwig edict te hebben ingetrokken, willem III (1672-1702) tot stadhouder. Terzelfder tijd benoemden de Staten-Generaal hem tot kapitein-generaal der unie. De verheffing van den prins gaf een geheel andere richting aan de onderhandelingen over den vrede. Thans kwamen de onderhandelingen met Engeland op den voorgrond, die met Frankrijk op den achtergrond, juist het tegendeel van hetgeen men in de laatste weken had gezien. Willem hoopte Karel II te kunnen bewegen, voor zich een einde aan den oorlog te maken en wellicht daarenboven Frankrijk tot een billijken vrede te verplichten. Reeds waren zij het over sommige punten met elkander eens, ook hierover, dat de prins souverein zou worden; maar verder kwam het niet. Karel achtte Willems aanbiedingen onvoldoende en wilde zich niet van zijn bondgenoot laten aftrekken. De prins zag in, dat er geen gunstige voorwaarden waren te bedingen en alzoo de wapens moesten beslissen.

Aleer evenwel de lezer zijn aandacht vestigt op den verderen gang der vijandelijkheden, behoort hij ze nog een oogenblik bij de binnenlandsche aangelegenheden der Republiek te bepalen. Op het tijdstip dat de roekelooze aanslag, boven vermeld, op ’t leven van Jan de Witt werd gepleegd, was hij het nog, die aan ’t hoofd van ’s lands regeering stond. Toen hij genezen was, had de omwenteling plaats gegrepen, die Willem III aan het roer van den staat plaatste. Op dit nieuwe tooneel kon hij, zonder zijn eed (zie blz. 121) te breken en zijn beginselen te verloochenen, niet voegzaam verschijnen, of hij moest er een tweede of derde rol vervullen. Hij vroeg en verkreeg zijn ontslag den 4den Augustus. Doch hij en zijn broeder schenen slechts in het leven te zijn gespaard, om aan nog grievender leed ten doel te staan, dan hun tot dusver was beschoren geweest.

Het eerst trof dit lot den ruwaard. Willem Tichelaar, barbier te Piershil (ten w. van Dordrecht), beschuldigde Cornelis de Witt, een poging te hebben aangewend, om hem tot een aanslag op het leven van den prins van Oranje te bewegen. Tichelaar stond zeer slecht ter faam. Niet alleen had hij meer dan een vergrijp gepleegd; maar hij was ook in 1670, bij vonnis van des ruwaards plaatsvervanger, veroordeeld tot een geldboete en tot verbanning uit het land van Putten. De prins bracht Tichelaars aanklacht ter kennis van het hof van Holland, hetwelk den ruwaard, in strijd met de privilegiën van Dordrecht, gevankelijk naar den Haag, en weldra naar de Gevangenpoort liet voeren en de kennisneming der zaak aan zich trok. Lijnrecht tegenover de aangifte van Tichelaar stond de betuiging van Cornelis de Witt, luidende dat Tichelaar zijn steun had gevraagd voor het ondernemen der bedoelde misdaad, die hij evenwel eerder had aangeduid, dan uitgesproken. De Witts dienaar en zoon, die hadden geluisterd aan de deur van ’t vertrek, waarin Tichelaar met den ruwaard vertoefde, bevestigden deze getuigenis grootendeels. Ondervraging en pijnbank leidden tot geen ander gevolg, dan dat Cornelis de Witt bij zijn verklaring volhardde. Zoo weinig vermocht de pijniging op de Witt, dat hij te midden der felste smarten het begin van een van Horatius’ fraaiste lierzangen, als op zichzelf toepasselijk, opzeide.

De afloop van ’t proces is zeer vreemd. Het vonnis, hetwelk van geen misdaad gewaagde,—iets, dat bijna zonder voorbeeld was,—luidde, dat de Witt werd vervallen verklaard van al zijn ambten, voor immer uit Holland verbannen en tot betaling der kosten van ’t geding veroordeeld. Het vonnis werd den 20sten Augustus uitgesproken. Op dien noodlottigen dag werd Tichelaar, die tot dusver mede in hechtenis was gehouden, des morgens ontslagen. Terstond liet hij zich tegenover hen, die hij ontmoette, indezervoege uit, dat zijn eigen ontslag, evenzeer als het, hoewel zachte, vonnis, over de Witt geveld, aantoonde, dat de ruwaard schuldig was. Inmiddels kwam de gewezen raadpensionaris zijn broeder in de gevangenis bezoeken, van zins zijnde hem mede te nemen. Doch dit bleek weldra onmogelijk te zijn. Het duurde niet lang, of de Gevangenpoort, waarop zich de gebroeders bevonden, was door een tallooze menigte saamgeloopen volk omgeven. Tegen den middag schaarde zich tevens de schutterij onder haar vaandels voor de Gevangenpoort en hield er wacht. Kort hierna kwamen de drie afdeelingen ruiterij, die in de stad in garnizoen lagen, aanrijden en vatteden insgelijks in de nabijheid der gevangenis post. Doch toen vervolgens een gerucht werd verspreid, dat de boeren uit den omtrek op weg waren, om zich bij de saamgeschoolde lieden te voegen en hun in hun opzet de behulpzame hand te bieden, kregen twee van de afdeelingen der ruiters bevel, af te trekken en de toegangen tot den Haag te bezetten.

Thans hadden de vijanden der gebroeders de baan ruim. Een aantal van hen drongen verwoed den kerker binnen, noodzaakten de de Witten met hen het gebouw te verlaten en brachten hen te midden eener gewapende menigte van 1000 tot 1200 menschen laaghartig om. Hierop mishandelden eenige der burgers en het gemeen, niet tevreden met de gepleegde euveldaad, de doode lichamen op een wijze, te afschuwelijk om te verhalen. Wegens dit misdrijf, een der verfoeielijkste feiten uit de geschiedenis der Nederlanden, de grootste vlek, die op haar bladen is te vinden, heeft men de Hollanders, anders als goedaardig te boek staande, bij het verscheurend gedierte vergeleken. Noch de regeering van den Haag, noch de staten van Holland, destijds vergaderd, durfden de onzalige daad verhinderen. Wel schreven de staten van Holland, van zins schijnende de misdadigers te vervolgen, in dien zin aan den prins van Oranje. Doch Willem meende, dat men in de toenmalige omstandigheden aan geen gestrenge vervolging kon denken van een euveldaad, door menigeen van de meest gezeten burgers bedreven. Vreemd blijft het evenwel, hoe de prins een jaargeld kon toeleggen aan Tichelaar, die de onmiddellijke oorzaak is geweest van het treurige schouwspel, dat hijzelf verfoeide en dat aan het huis van Oranje-Nassau meer nadeel heeft gedaan, dan zijn vrienden immer in staat waren te vergoeden.

Ten zelfden dage, waarop de daad werd gepleegd, verkozen de staten van Holland Gaspar Fagel tot raadpensionaris. Het was een moeielijke taak, de opvolger te zijn van een man, als Johan de Witt. Onder zijn leiding vervulde Nederland een der eerste rollen in de Europeesche staatkunde. Onvermoeid was de Witt werkzaam voor de verheffing der Republiek, van haar zeemacht en handel. Groote diensten heeft hij aan zijn vaderland bewezen. Van ’s mans ervarenis in ’t financiewezen is boven (zie blz. 113) melding gemaakt. Alom heerschte, gedurende de jaren van de Witts raadpensionarisschap in Holland, uitnemende welvaart. Hij was het, die Holland en, door middel van Holland, de Vereenigde Gewesten met kracht, grootheid en ver vooruitzienden blik bestuurde. Dat hij zeldzame en uitstekende geestvermogens had, betwijfelt niemand. Van de beide gebroeders was hij de jongste in jaren, de oudste in wijsheid. Was hij uitnemend bekwaam en werkzaam, niet minder lof verdienen zijn onbaatzuchtigheid en eerlijkheid. Kalm was hij en, het meesterschap voerende over eigen gelaat, gewoon tot op den bodem door te dringen van eens anders gemoed. De stuurschheid, die zijn broeder schijnt eigen te zijn geweest, was geenszins een der eigenschappen van den raadpensionaris. Verwijt men hem, dat hij te veel gezag oefende, dit is toe te schrijven niet aan heerschzucht, maar aan zijn schrander vernuft en aan zijn bekwaamheden, die hem een zedelijken invloed gaven, grooter dan de meeste stadhouders hadden. Acht men het verkeerd, dat hij het oog bovenal op Hollands belangen gericht hield, men behoort niet te vergeten, dat hij de eerste ambtenaar van Holland was.

Mocht men meenen, dat de ongelukken van 1672 hem zijn te wijten, de onpartijdige beschouwing der geschiedenis leert, dat hij, zoo hij heeft gedwaald, hierin alleen dwaalde, dat hij niet heeft vooruit gezien, dat Karel II zoo bekrompen en laag was, Engelands belangen veil te hebben ter wille van een handvol Fransch goud.

Het noodlottige uiteinde der gebroeders bleek weldra geen voldoend middel te wezen, om de in beweging geraakte bevolking der steden tot bedaren te brengen. Eensdeels hierom, anderdeels omdat vele der regenten, als aanhangers der staatsgezinde partij, niet aangenaam waren aan den stadhouder, machtigden de staten van Holland den prins, den 27sten Augustus, voorzoover hij het noodig achtte, overal de wet te verzetten. Gelijk in Holland, koos de prins ook in de raden van Zeelands staten nieuwe leden.

Doch het wordt tijd, tot de zaken van den oorlog terug te keeren. In December 1672 viel de vorst in en maakte de hertog van Luxembourg, een van Lodewijks veldheeren, zich gereed, een inval in Holland te doen. Hij overviel Zwammerdam en Bodegraven, welke plaatsen de Franschen tot den grond afbrandden, tevens vele wreedheden tegen de ingezetenen begaande. Inmiddels ging de vorst in regen over, hetgeen Luxembourg noodzaakte op Woerden terug te trekken. Aan den Noordoostkant van Nederland werd het Keulsch-Munstersche leger onder den bisschop van Munster en den keurvorst van Keulen in 1672 gestuit door de stad Groningen. Zes weken belegerden zij de stad. Karel van Rabenhaupt, de bevelhebber der bezetting, leidde de verdediging, wakker bijgestaan door de burgers en de studenten. Een groot gedeelte der stad werd platgeschoten; doch de moed der belegerden herleefde telkens na iederen goed geslaagden uitval. In den nacht tusschen den 27sten en den 28sten Augustus blies de bisschop den aftocht met een verlies van ongeveer 5000 man, terwijl in Groningen slechts omtrent 100 menschen waren doodgeschoten. Den 30sten December liet Rabenhaupt, gebruik makende van de aanwijzing van Meindert van Thijnen, een gewezen koster te Koevorden, tevens een goed ingenieur, deze vesting door Eybergen verrassen. Ook ter zee stond het vrij wel met de aangelegenheden der Republiek. Na den slag bij Solebay (zie blz. 123) ging de Ruiter langs de kusten van ons land kruisen, om de Engelschen de landing te beletten, die zij, opdat Holland van twee zijden werd aangevallen, zich hadden voorgenomen. In zijn streven werd de Ruiter ondersteund door de natuur zelve. Toen de vijandelijke vloot in Juli 1672 in het gezicht van de Helder was, stak er een storm op, die drie dagen zonder ophouden en, met eenige tusschenpoozen, bijna drie weken aanhield. Zoo was het jaar, welks begin zoo rampspoedig was geweest voor Nederland, en inzonderheid het einde, niet teneenenmale van voorspoed verstoken.

Meer geluk bracht het volgende jaar. Een beslissende zege behaalde de Ruiter den 21sten Augustus bij Kijkduin (nabij de Helder) op de Fransch-Engelsche vloot onder d’Estrées en prins Robert (zie blz. 117). Te land noodzaakte Willem III door een koene onderneming, de verovering van Bonn, in November 1673 de Franschen, ons land te verlaten. In het jaar 1674 was de fortuin Frankrijk nog minder gunstig. De koning van Engeland, door de bedreigingen van ’t parlement gedrongen, moest tot den vrede van Westminster (19 Febr. 1674) besluiten, welke dien van Breda bekrachtigde. Dit voorbeeld volgden de bisschop van Munster en de keurvorst van Keulen.

Terwijl het hoofdtooneel van den oorlog thans werd verplaatst naar de Spaansche Nederlanden, waarheen de Franschen aanstonds na de ontruiming van ons land weken, keerden de bevrijde gewesten Utrecht, Gelderland en Overijsel tot het bondgenootschap weder. Ook zij moesten zich laten welgevallen, dat Zijn Hoogheid, op last der Staten-Generaal, de regeering hunner steden veranderde, gelijk dit in Holland en Zeeland was geschied. Hierbij bleef het niet. Nadat Holland en Zeeland het stadhouderschap, gelijk de Staten-Generaal het kapitein-generaal- en admiraalschap, erfelijk hadden verklaard in de mannelijke linie des prinsen van Oranje, volgden Utrecht en Overijsel in 1674, Gelderland in 1675 het gegeven voorbeeld. Aan Hendrik Kasimir II (zie blz. 118) droeg Groningen in 1674 het erfstadhouderschap op. In Gelderland achtte de adel nog niet genoeg te hebben gedaan. Door zijn invloed boden de staten van dit gewest den prins de hoogste macht aan met den titel „hertog van Gelderland en graaf van Zutfen” Deze waardigheid wees de prins evenwel van de hand, toen verscheidene steden van Holland en Zeeland te kennen gaven, dat dit aanbod haar weinig behaagde.

Alzoo, hoofdzakelijk door toedoen van Fagel, een macht hebbende verkregen, grooter wellicht dan die, welke den hertogelijken of graaflijken titel ware toegekend, zette Willem III den strijd tegen de vijanden van zijn vaderland buiten de grenzen van het Gemeenebest voort. In de Zuidelijke Nederlanden leverde hij den slag van Senef (Overzicht, 9e druk, blz. 152). Ook naar ’t Zuiden, naar de Middellandsche Zee, werd de kamp overgebracht (t. a. p.). In 1676 zond men de Ruiter naar die wateren. Driemalen leverde de Nederlandsch-Spaansche vloot slag tegen den Franschen admiraal du Quesne: in de tweede ontmoeting, bij den Etna, zegepraalden de onzen, maar verloren den eersten vlootvoogd zijner eeuw.

Sinds lang wenschten Frankrijk en Nederland vrede te sluiten. Tot plaats der bijeenkomst werd Nijmegen bepaald. Van het begin af streefde Frankrijk slechts naar een afzonderlijken vrede met de Staten-Generaal; doch Willem III hield dit lang tegen. Te midden der onderhandelingen ging Willem in 1677 een huwelijk aan met Maria, de oudste dochter van zijn oom, den hertog van York. In den nacht van den 10den tot den 11den Augustus 1678 kwam de vrede van Nijmegen tusschen Frankrijk en de Republiek tot stand. De Nederlanden verloren niets.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings