§ 16.
Reading edition
Vervolg.
Ten tijde van de Republiek berustte de souvereiniteit, voor elk gewest in ’t bijzonder, bij ’t lichaam van de edelen en bij de vroedschappen der steden. Maar uit de staten der provinciën, uitgezonderd Drente, werd een onbepaald getal leden afgevaardigd, die een college vormden, dat men Staten-Generaal noemde, hetwelk den souverein vertegenwoordigde tegenover de buitenlandsche mogendheden en later het bestuur had over de Generaliteitslanden. Er waren in de Staten-Generaal zooveel stemmen, als er gewesten waren, zoodat het getal van hen, welke naar die vergaderingen werden gezonden, hiertoe niets afdeed. De werkkring van den raad van state werd sedert 1593 beperkt tot het beheer der krijgszaken en van de financiën in ’t algemeen.
Gelijk de pacificatie van Gent de grondslag was der Algemeene Staten, zoo werd de unie van Utrecht dit voor het eenigszins anders samengestelde lichaam der Staten-Generaal. Want na het jaar 1585 bestond dit lichaam slechts uit de afgevaardigden van de staten der zeven gewesten, die de unie hadden onderteekend. Drente werd van het voorrecht om ter Staten-Generaal zitting te nemen uitgesloten, dewijl het, kort na de unie te hebben onderteekend, door de Spaansche wapenen was vermeesterd. Hoewel slechts een bondgenootschappelijk gewest, maakte Drente een deel van den staat uit. Doch het was verre van onafhankelijk te zijn, daar het verplicht was, in de algemeene lasten, buiten zijn stem vastgesteld, te dragen.
In gewone gevallen beslisten de afgevaardigden zelven, mits blijvende binnen de perken, hun door de provinciën gesteld. Doch in gewichtige aangelegenheden vermochten zij niets zonder den uitdrukkelijken en eenstemmigen wil der gewesten. Dikwijls waren intusschen de meeningen over het verbindende der eenstemmigheid verdeeld. Dus rees in dergelijke gevallen de vraag, of er overstemming plaats hebben en de meerderheid beslissen kon, ja dan neen, iets waartoe de tijden van Maurits en Willem II overhelden. Over ’t geheel had Holland in de Staten-Generaal een groot overwicht.
De raad van state bestond uit twaalf leden, van welke die provincie de meeste zond, welke het grootste aandeel droeg in de algemeene kosten. Holland had er daarom drie leden. Bovendien waren de stadhouders lid van den raad van state. Men stemde hoofdelijk. De werkkring van dezen raad is uit het bovenstaande (zie boven op deze blz.) gebleken. In de algemeene lasten waren de aandeelen zóó vastgesteld, dat van een som van honderd gulden elk gewest het onderstaande opbracht:
Holland ongeveer 58 gl.
Friesland „ 11 ½ „
Zeeland „ 9 „
Gelderland „ 5 ½ „
Utrecht en Groningen, ieder ruim 2 ½ „
Overijsel 3 ½ „
Drente 1 „
Vermits evenwel de meeste gewesten wat zij hadden beloofd niet nakwamen, schoot Holland, het rijkste gewest, dikwijls voor, wat de anderen verplicht waren op te brengen.
Al wat het zeewezen betrof behoorde tot het gebied der admiraliteit. Zij telde vijf collegiën: dat van de Maas, hetwelk te Rotterdam zat; dat van Amsterdam; dat van Middelburg; dat van Noord-Holland, hetwelk bij afwisseling te Hoorn en te Enkhuizen zetelde; dat van Dokkum, hetwelk in 1645 naar Harlingen werd verplaatst. Hoofd en voorzitter der vijf collegiën tezamen en van ieder in ’t bijzonder was, sedert Maurits, de admiraal-generaal.
Van de collegiën gaan wij over tot den persoon van den stadhouder of gouverneur, zooals de titel eigenlijk luidt. Steeds benoemden de provinciën zelven haar gouverneurs. Van wege de Staten-Generaal was de gouverneur kapitein-generaal en admiraal van de unie. Veelal was de gouverneur ook kapitein-generaal van het gewest, welke staten hem tot gouverneur benoemden. Van die staten was hij de eerste dienaar, voorzoover het militair en het burgerlijk gezag betreft, in elk gewest het hoofd der uitvoerende macht. Op de samenstelling der vroedschappen in de meeste gewesten had de gouverneur een beslissenden invloed, doordien hij uit voordrachten, door die vroedschappen opgemaakt, de leden koos. De onderdanigheid van den stadhouder aan de staten der gewesten werd getemperd, doordien hij kapitein-generaal van de unie was en tot meer dan één provincie in betrekking stond, door het hooge aanzien van ’t geslacht van Oranje-Nassau, door de talrijke bezittingen dezer vorsten op Nederlands bodem en ten laatste doordat de hooge waardigheden in dit huis weldra zoo goed als erfelijk werden.
Friesland had tot 1748 altijd afzonderlijke stadhouders, welke de waardigheid doorgaans tevens in Groningen en Drente bekleedden, terwijl de gouverneur van Holland ook steeds in Zeeland, Utrecht, Gelderland en Overijsel tot stadhouder is benoemd. De vijf laatstgenoemde gewesten hebben tweemaal een stadhouderloos tijdperk gehad, waaraan voor het meerendeel de regeeringsreglementen van 1672 en 1747 een einde hebben gemaakt. Toen, d. i. in 1747, werd ook het stadhouderschap met de overige waardigheden, die de prins van Oranje-Nassau bekleedde, erfelijk verklaard in zijn nakomelingschap, ook in de vrouwelijke linie.
De regeeringsvorm van de Republiek der Zeven Vereenigde Nederlanden—zooals zij doorgaans wordt genoemd, ofschoon het eigenlijk zeven Republieken waren,—had voorzeker groote gebreken. Dit lag in den aard der zaak, daar de staatsinrichting niets anders was dan een wijziging van hetgeen er, na de afzwering van den landsheer, van de overige bestanddeelen der vroegere regeering overbleef en slechts voor een tijdelijk doel, voor een toestand van oorlog, bestemd was. Die gebreken vielen, naargelang de staat in jaren toenam, des te meer in ’t oog. Zij deden zich, naarmate de drang van buiten minder tot eendracht en veerkracht noopte, meer en meer gevoelen. Intusschen bedenke men, dat een regeeringsvorm geen onbepaalde afkeuring verdient, waaronder een Republiek ontstond en aangroeide, die zulk een grootsche rol in de geschiedenis der wereld heeft vervuld. Onbetwistbaar is het, dat in den regel dat, wat aan den vorm zelf ontbrak, werd aangevuld en vergoed door de kunde, de braafheid en de goede trouw van velen onder hen, die aan den vorm het leven hadden te geven.