← Table of contents
Beknopte geschiedenis van het vaderland

§ 21.

Reading edition

Het stadhouderschap van Frederik Hendrik.

De binnenlandsche staatkunde, door prins Maurits en zijn aanhangers na den dood van Oldenbarnevelt gevolgd, gaf het aanzijn aan twee staatspartijen, de stadhouderlijke en de staatsgezinde, die elkander voortdurend bestreden. Tot de ééne partij behoorden de regenten, die, hoezeer gestemd voor ’t beginsel der souvereiniteit van de stedelijke raden en van de staten der gewesten, het stadhouderschap evenwel der prinsen uit het huis van Oranje-Nassau als een noodzakelijk bestanddeel van den regeeringsvorm aanmerkten. Zij vond vooral haren steun bij de volksmenigte. Tegen haar over stond de staatsgezinde partij, voortgekomen uit de afgezette regenten, die een bewind zonder stadhouder voorstonden, iets, waaraan Oldenbarnevelt nimmer had gedacht. De worsteling tusschen deze beide partijen heeft met wijziging der begrippen, naar de verandering der tijden, tot den val der Republiek voortgeduurd.

Onmiddellijk na den dood van Maurits benoemden Holland, Zeeland, Utrecht, Gelderland en Overijsel frederik hendrik (1625-1647) tot stadhouder, terwijl de Staten-Generaal hem de waardigheid van kapitein-generaal en admiraal der unie opdroegen. In Groningen en in Drente verkoos men den stadhouder van Friesland (zie blz. 87). Door wederzijdsche toegeeflijkheid zocht Frederik Hendrik, tegen het drijven der heftige Contra-Remonstrantsche predikanten in, de partijen tot elkander te brengen. In dit pogen werd hij weldra ondersteund zoowel door andere stedelijke raden, als door de vroedschap van Amsterdam, waar men den Remonstranten vergunde, in 1630 een seminarium of kweekschool ter opleiding hunner predikanten te stichten. Twee jaren daaraan verrees, volgens het besluit derzelfde vroedschap, het athenaeum (eigenlijk: tempel van de godin Athene of Minerva) te Amsterdam.

Omtrent terzelfder tijd, in 1631, kwam Hugo de Groot zijn vaderland weder bezoeken, op den invloed rekenende van Frederik Hendrik, zijn vriend, die de richting der Remonstranten was toegedaan. Maar de prins wilde eensdeels ter wille van de Groot de verdeeldheid geen nieuw voedsel geven en achtte zich anderdeels verplicht, het eens geslagen vonnis te handhaven. Dus moest de balling zich in ’t volgende jaar voor goed verwijderen. Twee jaren later, in 1634, werd hij tot gezant van Christīna, koningin van Zweden (Overzicht, 9de druk, blz. 149), aan ’t Fransche hof benoemd. Hij overleed in 1645 op een reis uit Zweden naar Frankrijk te Rostock (in ’t n. van Mecklenburg-Schwerin).

Bij het gemis van voldoende omschrijving der staatsmachten kwam ook bij Frederik Hendrik, in weerwil van zijn gematigdheid, van lieverlede de zucht op, een soort van alleenheerschappij uit te oefenen. Vandaar dat hij in elke provincie (zie beneden, blz. 93) een bijzonder persoon had, om zich van den staat van zaken nauwkeurig te laten onderrichten. Lang had hij weinig of geen tegenwerking te verduren. De raadpensionarissen, die Hollands staten gedurende Frederik Hendriks stadhouderschap achtereenvolgens ter zijde stonden, Antonie Duik, Adriaan Pauw en Jakob Cats, hadden uit het noodlottige einde van Oldenbarnevelt geleerd, dat de dienaar niet behoort te trachten, den heer voorbij te streven, of werden, zoodra zij eenige gezindheid hiertoe verrieden, ter zijde gezet. In alles, wat den oorlog betrof, evenaarde Frederik Hendrik zijn broeder, dien hij in zijn jeugd op meer dan één zijner veldtochten, b. v. bij Nieuwpoort, had vergezeld. Van zijn bekwaamheid in ’t leveren van veldslagen heeft hij echter geen bewijzen gegeven, vermits het bij hem vaststond, dat er de Republiek meer aan gelegen was, door ’t veroveren van sterke vestingen hare grenzen te dekken dan, in ’t open veld oorlogende, veel geld en manschappen op te offeren. Hoezeer hij in de belegeringskunst uitmuntte, toonde hij door het nemen van Grol in 1627, en bovenal door de verovering van ’s Hertogenbosch en van Maastricht. Die van ’s Hertogenbosch staat in de geschiedenis van ’t krijgswezen bekend als een meesterstuk.

Toen de prins in 1629 met de voorbereidende maatregelen gereed en met den aanval begonnen was, kwam een groot Spaansch leger tot ontzet opdagen. Doch ziende, dat de stadhouder onaantastbaar was, beproefde het een afleiding, door in de Republiek zelve een inval te doen. De inval geschiedde in de Veluwe en verbreidde wijd en zijd schrik in ’t land. Tot overmaat van ramp voegden zich de troepen van den keizer van Duitschland bij de Spaansche. Intusschen liet Frederik Hendrik zich door niets aftrekken. Daarom spanden de Staten-Generaal al hun krachten in, om den vijand zoo goed mogelijk tegen te houden. De stadhouder van Friesland werd aan ’t hoofd van een verdedigingsleger gesteld. Lang kon de vijand het in de schrale streek, waar hij was, niet uithouden, zonder gebrek aan levensmiddelen te krijgen. Een bijzondere gebeurtenis verhaastte zijn aftocht. Het was de aanslag op Wezel, dien een paar duizend man Nederlandsche troepen op een vroegen morgen in ’t zelfde jaar, 1629, waagden en die uitnemend gelukte. Daar de vestingwerken der stad destijds open lagen en een deel der bezetting mede naar de Veluwe was getrokken, ontmoette men zoo goed als geen tegenstand, en binnen één uur was de stad in handen der Nederlanders. De uitwerking volgde dadelijk. De vijanden ontruimden het grondgebied der Republiek, en ’s Hertogenbosch gaf zich bij verdrag over. In 1632 deed de stadhouder, vergezeld door Ernst Kasimir, een krijgstocht langs de Maas. Eerst dwong hij Venlo en Roermond zich over te geven, welke steden evenwel eenige jaren later door den vijand werden heroverd. Hierop voerde hij het leger voor Maastricht, dat hij na een langdurig beleg bij verdrag innam, in weerwil dat het wakker werd verdedigd en dat wederom een paar legers tot ontzet kwamen opdagen. De belegering van Roermond kwam Friesland duur te staan. Ernst Kasĭmir, die de onderneming bestuurde, werd er doodelijk getroffen, stierf binnen kort en kreeg zijn zoon Hendrik Kasĭmir (1632-1640) tot opvolger. Het verdrag, met Maastricht gesloten, bepaalde, dat de hervormde godsdienst er zou worden toegelaten en dat de bisschop van Luik, op wiens grondgebied de stad lag, er zijn oude voorrechten zou behouden.

Ook ter zee begon Nederland zijn strijdkrachten ten toon te spreiden. In 1630 vermeesterde de admiraal Loncq voor de West-Indische compagnie Olinda en het Recif (d. i. een in zee opschietenden klipbrug). Het Recif werd versterkt en bleef de hoofdplaats van Nederlands bezittingen in Brazilië. In 1628 bemachtigde Piet Hein, vlootvoogd van dezelfde compagnie, in de baai van Matanzas (op de noordkust van het eiland Cuba, in West-Indië) de Spaansche zilvervloot. Zij viel zoo goed als zonder tegenweer in handen van de vloot der compagnie. Groot was de buit, dien men vond aan goud, zilver, paarlen, edelgesteenten en specerijen. Alleen de waarde der kostbaarheden werd op ruim 111⁄2 millioen geschat. De compagnie deed een uitdeeling van 50 ten honderd, wat de deelhebbers zeer verheugde. Het was een gelukkige tijd voor de West-Indische compagnie. In Brazilië breidde zij zich verder uit, zoodat zij weldra de streek bezat, gelegen tusschen de rivier St. Francisco en Rio Grande. Landvoogd van Nederlandsch Brazilië werd in 1636 graaf Johan Maurits van Nassau, een kleinzoon van Willems broeder Jan. Eerst zijn bestuur gaf er het voorkomen aan eener geregelde volkplanting. Op uitbreiding van ’t grondgebied had hij den blik voortdurend gericht. In 1639 werd b. v. St. Eustatius door de Nederlanders bezet. Maurits was het, die in 1637 St. George del Mina (St. Joris van de mijn, in Guinēa, op de w.kust van Afrika) veroverde.

In 1640 hernam Portugal zijn zelfstandigheid (Overzicht, 9de druk, blz. 141). Johan Maurits, den strijd voorziende, dien Nederlands Brazilië weldra zou hebben te verduren, vroeg de compagnie om aanmerkelijke versterking der strijdkrachten. Zij, meenende dat dit te kostbaar was, riep in 1644 den landvoogd terug. Na zijn vertrek begon de achteruitgang dezer bezitting. De Portugeezen, die dáár onder ’t bewind der compagnie waren, klaagden over onderdrukking en stonden op. Ofschoon er vrede tusschen de compagnie en Portugal scheen te bestaan, hielp dit rijk de oproerige onderdanen der compagnie en verloor zij hoe langer hoe meer grond in Brazilië. In 1654 ging het Recif met de weinige forten, die de maatschappij nog in dat land bezat, aan Portugal over. De oorlog, dien de Staten-Generaal Portugal verklaarden, deed niets herwinnen. En zoo werd het geschil in 1661 bij den vrede te ’s Gravenhage, twee jaren daarna bekrachtigd, indiervoege uit den weg geruimd, dat Nederland tegen een afkoop van 4,000,000 gouden crusado’s (8,000,000 gl.) ten behoeve van Portugal afstand deed van Brazilië.

Zooals het gezag van Frederik Hendrik in allen opzichte groot was in de Republiek, zoo oefende hij ook een belangrijken invloed op haar buitenlandsche betrekkingen uit. Het werd gedurende zijn stadhouderschap de gewoonte, dat de stadhouder met een negental vertrouwelingen, leden der Staten-Generaal, uit ieder gewest één of meer, den draad der belangrijkste onderhandelingen in handen hield. Zelf was Frederik Hendrik, evenals zijn vader, gehecht aan Frankrijk. Hier zocht dus hij eveneens steun tegen Philips IV. Zoo werden er onderhandelingen met Frankrijk aangeknoopt. Richelieu, de leider der Fransche staatkunde, doorgrondde, welk gewicht Nederland in de schaal van Europa’s statenstelsel zou kunnen leggen. Hij leende dus het oor aan de voorslagen, die het kabinet van ’s Gravenhage deed, en sloot terzelfder tijd, als Frankrijk een werkdadig aandeel begon te nemen aan den dertigjarigen oorlog (Overzicht, 9de druk, blz. 132), met de Nederlanden het aanvallend en verdedigend verbond van den 8sten Februari 1635. Dit bepaalde, dat de beide mogendheden zouden pogen, de Zuidelijke provinciën aan Spanje te onttrekken en haar hare zelfstandigheid terug te geven, of wel het land onder elkander te verdeelen.

Op die wijze smolt het laatste gedeelte van den tachtigjarigen oorlog ineen met den dertigjarigen. Al werd er, behalve dat Frederik Hendrik Breda heroverde, te land weinig gedaan, ter zee behaalden de Nederlanders in die dagen een zege, die onder de schitterende krijgsbedrijven een eerste plaats bekleedt. Philips IV rustte in 1639 een armāda uit, niet geheel ongelijk aan die van 1588. Zij bestond uit 67 schepen, waaronder 33 van de zwaarste soort, galjoenen genoemd. Aan het hoofd der vloot stond Don Antonio d’Oquendo, een uitstekend admiraal. Hem leverde, in weerwil van het verbod van Karel I, koning van Engeland, Maarten Harpertszoon Tromp met een vloot van ruim honderd, maar lichtere vaartuigen, den 21sten October, slag te Duins (een reede nabij Noord-Voorland, in ’t z.o. van Engeland). De vijand, die liever den slag niet had geleverd, werd eenigszins onvoorbereid overvallen. Bovendien was de logheid van de zware bodems der Spanjaarden, zoozeer verschillende van de welbezeildheid der Nederlandsche schepen, een der hoofdoorzaken van het verderf hunner vloot. Een groot aantal hunner vaartuigen werd het offer der Nederlandsche branders, dertien waren uit Duins ontsnapt, en maar achttien bodems keerden naar Spanje terug. In ’t kort, Tromp fnuikte voor goed Spanje’s macht en verloor zelf slechts één schip.

Was Frederik Hendrik de hoofdontwerper geweest van het verdrag met Frankrijk, hij was ook de eerste of een der eersten hier te lande, die het gevaar van Frankrijks nabuurschap hoe langer hoe meer begon in te zien. Hij hield het gezegde voor waarheid, hetwelk weldra een der hoofdroersels werd van de buitenlandsche staatkunde der Republiek, dat het beter was, Frankrijk tot vriend dan tot nabuur te hebben. En naarmate hij de onheilen, die hieruit dreigden voor te komen, beter doorgrondde, werd hij des te meer afkeerig van dien staat en helde tot het sluiten van vrede met Spanje over. Zijn gezag was nog steeds groot, al had hij, hoe invloedrijk ook ter Staten-Generaal, dikwijls met verzet van Holland en Amsterdam te strijden. Het rees nog in 1640, toen hij stadhouder werd van Groningen en van Drente in plaats van Hendrik Kasimir, die aan een wonde, in den oorlog bekomen, stierf en slechts in Friesland door zijn broeder Willem Frederik (1640-1664) werd vervangen. Deze Willem Frederik trouwde in 1652 met Albertine Agnes, de tweede dochter van Frederik Hendrik. De eenige zoon, dien Hollands stadhouder had, heette Willem. Hij huwde in 1641 met Maria, de oudste dochter van Karel I, koning van Engeland, of liever hij werd in dit jaar met haar verloofd, want omdat de beide jonge lieden nog te weinig jaren telden, werd het eigenlijke huwelijk eerst in 1644 voltrokken.

Aleer de vrede tot stand kwam, dien zoowel de meeste der oorlogvoerende mogendheden als de stadhouder wenschten, stierf Frederik Hendrik den 14den Maart 1647 in den ouderdom van 63 jaren. In hem ontviel der Republiek een man van groote gaven en bekwaamheden, die het gebouw van den staat, door zijn voorgangers opgetrokken, had voleindigd. Als staatsman was hij schrander, bedachtzaam en ondoorgrondelijk. In krijgskunst en dapperheid behoefde hij niet onder te doen voor zijn broeder Maurits en was een waardig tijdgenoot van Gustaaf Adolf. Over ’t geheel was het tijdperk van zijn stadhouderschap de gouden eeuw der Republiek. Overal was veerkracht en bloei. De koophandel breidde zich verder en verder uit; volkplantingen ontloken en bloeiden meer en meer; de handwerken werden naarstig beoefend; de oorlog schonk lauweren; kunsten en wetenschappen eindelijk gaven licht en sieraad aan het geheel. Toch waren er ook donkere tinten in het tafereel op te merken. In vergelijking met den tijd, toen Oldenbarnevelt aan ’t hoofd stond, werd de huishouding der Republiek minder goed bestuurd.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings