← Table of contents
Beknopte geschiedenis van het vaderland

§ 25.

Reading edition

De Staat onder de leiding van de Witt.—De bemoeiingen der Republiek met den oorlog in ’t Noorden van Europa.—De tweede Engelsche zeeoorlog.

Als eerste vruchten van den gesloten vrede, werden welvaart en algemeene tevredenheid in Nederland geplukt. Die vrede opende weder de bronnen van handel, scheepvaart en nijverheid. De vrees, dat de akte van seclusie duurzame onlusten zou doen geboren worden, bleek ongegrond te zijn. Van zijn kant vestigde de Witt, daar de Republiek thans op een goeden voet stond met Engeland en de eendracht in ’t land zelf hoe langer hoe meer veld won, al zijn aandacht op de binnenlandsche aangelegenheden en bovenal op het financiewezen. Dit was een tak, die dringend regeling vereischte, iets, waartoe den raadpensionaris zijn uitnemende bekwaamheden in dit deel der huishouding van den staat bij uitstek te stade kwamen. Aan de Witts verstandige beginselen in het beheer der geldmiddelen, echt Hollandsche spaarzaamheid in het besteden der penningen en een voortdurend streven naar vermindering der hoofdschuld, had de staat het te danken, dat hij later, onder kostbare oorlogen, zijn krediet kon handhaven. De lessen, geput uit den nauwelijks geëindigden oorlog, versmaadde de Witt geenszins. In dien krijg was de meerderheid der Engelsche vloot boven de Nederlandsche helder aan den dag gekomen. Daarom was de verbetering van het zeewezen het doelwit, waarop hij den blik aanhoudend gericht hield. Aan alles, dat te dien einde werd voorgesteld, zette hij kracht en leven bij.

De waardigheid en de belangen der Republiek wist de raadpensionaris met eere te verdedigen tegen het buitenland. Toen in 1655 een oorlog losbarstte tusschen Zweden en Polen (Overzicht, 9e druk, blz. 149) en het weldra duidelijk werd, dat de koning van Zweden, Karel X Gustaaf, naar de opperheerschappij over de Oostzee streefde, waren de Staten-Generaal terstond bedacht op de belangen van den Nederlandschen handel (zie blz. 98). Jakob van Wassenaar-Obdam (ten w. van Hoorn) stevende, als luitenant-admiraal van Holland, naar de Oostzee, om de koopvaardijschepen der Republiek en Dantzig, dat door de Zweden werd belegerd, te ontzetten. Dit geschiedde in 1656. En toen Frederik III, koning van Denemarken, als bondgenoot van Polen aan den oorlog deel nam, stond Nederland hem zoowel anderszins als met zijn vloot bij. Wassenaar behaalde in 1658, nabij het slot Kroonenburg, een zege op Wrangel, bevelhebber der Zweedsche vloot. In 1659 landde Hollands vice-admiraal de Ruiter op het eiland Funen en veroverde Nijborg. Hem viel de eer ten deel, door den koning van Denemarken met een gouden keten, alsmede met een jaarwedde van 2000 gl. begiftigd en in den adelstand verheven te worden.

Het beklimmen in 1660 van den troon van Groot-Britannië door Karel II bracht geen innige verhouding teweeg tusschen dit rijk en Nederland. Op het bericht zijner verheffing reisde Karel van Breda, waar hij destijds vertoefde, naar Holland, om zich te Scheveningen in te schepen. Afscheid nemende, beval hij de belangen van den jongen prins van Oranje-Nassau ernstig aan de Staten-Generaal en aan de staten van Holland aan. Voortshands had deze aanbeveling geen andere uitwerking, dan dat de staten van Holland in ’t laatst van September 1660 de akte van seclusie, die met den dood van Cromwell haar beteekenis verloor, introkken. Den koning van Engeland deden zij hierdoor geen bijzonder groot genoegen. Hij toch achtte de akte door dien dood zelven te zijn vervallen.

Intusschen beseffende, dat de Republiek niet bestand was tegen de vereenigde macht der rijken Frankrijk en Engeland, meende de Witt, dat men bij Engeland steun moest zoeken tegen de overmacht van Frankrijk, bij Frankrijk tegen die van Engeland. Op dit beginsel berustten de beide verdragen, die Nederland in 1662 sloot, het eene met Engeland, het andere met Frankrijk. Het verdrag met Engeland, aan de beide staten de verplichting opleggende, elkander in geval van oorlog bij te staan, kwam in September van dat jaar tot stand. Reeds vroeger, in April, was het verwerend verbond met Frankrijk gesloten, waarin werd vastgesteld, dat elk der bondgenooten, in geval een van hen in oorlog geraakte, den anderen bijstaan en zonder hem geen vrede sluiten zoude.

Zóó meende de Witt zijn doel te hebben bereikt, den staat te hebben beveiligd tegen mogelijke aanvallen op het vasteland, ten einde zich op zee tegenover Engeland te kunnen doen gelden, hetzij zonder, hetzij met geweld. Één moeielijkheid was er bij dit stelsel der buitenlandsche politiek, en die moeielijkheid ontging de Witts scherpzienden blik in geenen deele. Met den aanvang der regeering van Lodewijk XIV was Frankrijk de eerste mogendheid van Europa geworden. Het was voor de Witt geen geheim, dat de inlijving der Spaansche Nederlanden een der hoofdplannen was van Lodewijks buitenlandsche staatkunde. Maar ook was het zijn vaste overtuiging, dat men Frankrijk wel tot vriend, maar niet tot nabuur moest hebben (zie bladz. 103). Kon de Republiek dit laatste niet beletten, dan stond haar eigen zekerheid op het spel. Weldra werd er tusschen den graaf d’Estrades, den gezant van Frankrijk te ’s Gravenhage, en de Witt een onderhandeling aangeknoopt omtrent een verdeeling of vrijmaking der Zuidelijke Nederlanden, geheel overeenkomende met het oogmerk, dat Frankrijk en de Nederlanden voorheen hadden gekoesterd (zie bladz. 93). Nog waren de Staten-Generaal bezig, hierover met Lodewijk te onderhandelen, toen de koning in 1664 plotseling de zekerheid meende te hebben verkregen, dat de Republiek niet bij machte zou zijn, zich tegen de inlijving dier gewesten te verzetten. Daarom hield hij het voor overbodig, den buit met een ander te deelen. Terwijl Lodewijk zich met deze overdenking bezig hield, kwam het hem zeer gelegen, dat de Republiek weldra met Engeland in oorlog geraakte. Zoo werd Nederland verplicht, zich steeds nauwer aan Frankrijk aan te sluiten, en kon hijzelf gelegenheid vinden, zijn plannen omtrent de Zuidelijke Nederlanden in rust te volvoeren, zoodra zich hiertoe de gelegenheid aanbood.

In weerwil van de banden, die Engeland aan Nederland schenen te hechten, als gelijkheid van afstamming, godsdienst en zeden, bestond er tusschen de inwoners dier beide rijken een nationale haat. De oorzaak der verwijdering lag vooral in den strijd der belangen. Engeland zocht zijn macht te vestigen op dezelfde grondslagen, als Nederland, op den handel en de zeevaart. Wat Karel II betreft, hij kon het der Republiek niet vergeven, dat zij gedurende de jaren zijner ballingschap het gevaar zorgvuldig had ontweken, om zijnentwil Cromwell eenigen aanstoot te geven. Bovenal nam hij het euvel, dat de Witt, zooals hij zeide, zijn neef geen recht deed wedervaren. Deze gronden verklaren, hoe de krijg losbarstte, dien men den tweeden Engelschen zeeoorlog noemt en die een dier merkwaardige zeeoorlogen is, welke de zeventiende eeuw boven alle tijdperken der oude en der nieuwe geschiedenis onderscheiden. De naijver op den nog altijd grooteren handel en de uitgebreider scheepvaart van Holland en Zeeland maakte hem voor de Engelschen tot een nationalen strijd, en hun aanvallen en veroveringen gingen de oorlogsverklaring reeds een jaar vooraf. In 1664 vermeesterden zij Nieuw-Nederland met Nieuw-Amsterdam (zie blz. 88), hetwelk sinds New-York heet, en namen vele Nederlandsche koopvaardijschepen in beslag, waarvoor de Ruiter weldra op de kust Guinēa weerwraak nam.

Ongelukkig was voor Nederland het begin: Den 13den Juni 1665 leed de vloot van dezen staat een zware nederlaag op de hoogte van Lowesthoff (op de kust van Engeland, ten z. van Yarmouth), haar door den hertog van York toegebracht. De luitenant-admiraal Kortenaar sneuvelde; de opperbevelhebber der vloot, de luitenant-admiraal van Wassenaar-Obdam (zie blz. 114), vloog met zijn schip in de lucht; vele schepen werden genomen, lafhartigen namen de vlucht, en met moeite dekte men den terugtocht. In weinige weken—zoodanig was de veerkracht dier tijden—was de vloot hersteld en weder uitgeloopen. Maar eerst in ’t volgende jaar herstelde een schitterende overwinning, den gekrenkten roem onzer zeemacht. Een geduchte vloot van meer dan 100 zeilen, met over de 21,000 koppen bemand, onder de Ruiters opperbevel liep in ’t begin van Juni uit. Den 11den raakte zij bij Foreland (ten n.o. van Dover) slaags met de Engelschen, die bijna even sterk waren, onder prins Robert, een zoon van paltsgraaf Frederik, den gewezen koning van Bohemen (zie blz. 89), en Monk, hertog van Albemarle; den 12den des morgens begon de strijd op nieuw; den 13den werd hij hervat en eerst op den 14den Juni 1666 beslist, toen de Engelschen de wijk namen. Zwaar gehavend, doch met 3000 gevangenen, onder welke de vice-admiraal Ayscue, en met zes veroverde schepen, keerde de Nederlandsche vloot naar hare havens terug. Deze vierdaagsche zeeslag is ook in de latere geschiedenis eenig gebleven, gelijk hij het in de vroegere was.

Minder gelukkig liep een later zeegevecht af, in Augustus van ’t zelfde jaar nabij Duinkerken geleverd. De opperbevelhebber de Ruiter moest wijken, maar door vriend en vijand bewonderd. Dat de vloot voor Monk moest afdeinzen, weet de Ruiter aan den luitenant-admiraal Cornelis Tromp, een zoon van Maarten Harpertszoon, die zich met zijn eskader op eenigen afstand van den hoofdslag had gehouden. Tromp schreef dit op zijn beurt aan de hitte van den strijd toe, waarin hijzelf was gewikkeld geweest. Hoe dit zij, de staten van Holland ontsloegen Tromp uit den dienst. Ongelukkig voor dezen staat gaf het wijken der Nederlandsche vloot aan de Engelschen, die haar vervolgden, gelegenheid, om 100 à 150 koopvaardijschepen in het Vlie (tusschen Vlieland en Terschelling) in brand te steken en een gedeelte van Terschelling te verwoesten. Dan de wraak toefde niet, gelijk beneden zal blijken.

Inmiddels had de oorlog zich verder uitgebreid. Door Karel II aangespoord, deed Christoffel Bernard van Galen, bisschop van Munster, in 1665 een inval in Gelderland en bemachtigde eenige plaatsen. Maar ziende, dat Nederland van verschillende zijden, b. v. door Frankrijk, werd gesteund en de hem beloofde gelden uit Engeland niet ontvangende, sloot hij in 1666 met de Republiek den vrede te Kleef. Kort tevoren verloor de partij van Oranje een steun in den stadhouder Willem Frederik (zie blz. 94) die in 1664 overleed. Hem verving zijn zoon Hendrik Kasimir II (1664-1696), onder regentschap zijner moeder, in de drie gewesten. Middelerwijl verlangde Zeeland, gesterkt door eenige steden van Holland, wat het ook reeds vroeger had te kennen gegeven, dat den prins van Oranje de hooge staatsambten zouden worden opgedragen. De meerderheid der staten van Holland echter, van een tegenovergesteld gevoelen zijnde, wist haar meening te doen zegevieren. Nogtans iets willende toegeven, belastten die staten zich in April 1666 met de zorg voor ’s prinsen opvoeding. Dus namen zij Willem Hendrik, zooals men het kind noemde, tot kind van staat aan. Zij begonnen met een zuivering van het personeel, dat den prins omringde. Onder hen, aan wie de staten het toezicht op de opvoeding in ’t bijzonder opdroegen, bevond zich Johan de Witt. Zelf onderrichtte hij den prins in zaken van regeering.

Tot diegenen, welke uit ’s prinsen dienst werden ontslagen, behoorde Henri de Fleury de Coulan, heer van Buat en ritmeester in dienst van den staat. Sedert eenigen tijd hield hij, met voorkennis en goedvinden der staten van Holland, in ’t geheim briefwisseling met leden der regeering van Engeland, onder voorwaarde evenwel, dat hij den inhoud getrouw aan den raadpensionaris mededeelde. Het onderwerp dier brieven was de vrede. Buat nu gaf de Witt de brieven, welke hij ontving, geregeld te lezen. Dit deed hij ook in Augustus 1666. Doch toen liet hij onder die brieven, uit onachtzaamheid, er een, waarop stond „pour vous-même” voor uzelf, en die dus voor hem alleen bestemd was. Hierin werd niet onduidelijk te kennen gegeven, dat de partij des prinsen, zoo zij door Engeland wilde gesteund worden, krachtiger moest optreden. Ternauwernood had de Witt deze letteren gelezen, of hij deelde den inhoud aan de staten van Holland mede, op wier last Buat in hechtenis werd genomen en voor het hof van Holland gedaagd. In het afschrift van een brief, vroeger door Buat aan een van Engelands ministers gericht, trof men verder bij het beslag leggen op zijn papieren, plaatsen aan, die den argwaan tegen hem versterkten. De slotsom was, dat het hof den ritmeester Buat wegens ongeoorloofde briefwisseling met den vijand, d. i. dus wegens hoogverraad of gekwetste majesteit, ter dood veroordeelde. Het vonnis werd voltrokken.

Omtrent twee jaren had nu de zeeoorlog geduurd, toen er met den aanvang van ’t jaar 1667 ernstig sprake begon te komen van vrede. Eerlang werd Breda als plaats om te onderhandelen aangewezen. Weldra werden de onderhandelingen begonnen; maar er was weinig voortgang, hoofdzakelijk door de onverschilligheid der Engelschen. Reeds lang had de raadpensionaris het voornemen gehad, Engeland een geduchten slag toe te brengen. Nu kon de verwezenlijking van dat denkbeeld tevens deze nuttige strekking hebben, dat zij den vrede bespoedigde. Eindelijk brak de dag der wrake aan. De vloot—een Hollandsche vloot, want Zeeland had er geen schepen bij en die van Friesland kwamen eerst later—stak in zee. Het bevel voerde de Ruiter. Als gevolmachtigde der Staten-Generaal vergezelde hem Cornelis de Witt, Johans broeder en ruwaard, d. i. baljuw, van het land van Putten (ten o. van Voorn). Den 17den Juni liet Hollands scheepsmacht voor den mond der Theems het anker vallen. Engeland had geen vloot in zee, om haar de vaart te verhinderen. Den 20sten Juni zeilde het eerste Hollandsche smaldeel de Medway of het Kanaal van Rochester op, en op zijn nadering vloden de schepen des vijands. De Engelschen hadden menig schip in de rivier de Medway laten zinken; doch dit belette de Nederlanders niet, meer dan één vaartuig in brand te steken of te veroveren. Treurig zag het bij die zegepraal te Londen uit. De stad sidderde, en aan afdoende maatregelen viel niet te denken. Daarom oefende dan ook de tocht naar Chattam een gunstigen invloed op de onderhandelingen te Breda. Den 31sten Juli 1667 werd de vrede gesloten. Hij liet aan elk, wat hij op ’t oogenblik van het sluiten des vredes in bezit had, en beperkte de akte van navigatie in zooverre, dat zij niet meer van toepassing zou zijn op de Duitsche waren, die den Rijn af of over land in Nederland waren ingevoerd. Zooals de Republiek dus, ten gevolge der eerste bepaling, Nieuw-Nederland verloor, zoo bleef Suriname (in ’t n.o. van Zuid-Amerika) behouden, dat Abraham Krijnszoon in Februari 1667 in naam der staten van Zeeland had vermeesterd en dat iets later aan de West-Indische compagnie werd verkocht.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings