INLEIDING1
Reading edition
INLEIDING1
I.
De Italiaansche Renaissance was even radicaal onzedelijk als ongodsdienstig. Een maatschappij zonder godsdienst is altijd een maatschappij zonder zedelijk bewustzijn, eindigt altijd met een afkeer van haar bestaan en ontvlucht dan haar eigen wereld, om in de oorden der phantazie het verbeuzeld geluk en den weggesmeten vrede te zoeken. Zoo is het het Romeinsche Keizerrijk gegaan, zoo ging het in de XVde en de XVIde eeuw in Italië. De Litteratuur der Renaissance was een litteratuur der hoogere standen, en, gelijk altijd, hierin spiegelde het leven zich met kleur en licht en schaduw af. Ongodsdienstig en onzedelijk als zij was, getuigde ze ook van de heerschende zatheid. Gelijk in de negentiende eeuw de dorpsvertelling natuur en eenvoud is gaan prediken, zoo de Herders- en Visscherszang, het Herders- en Visschersdrama en de Herdersroman toenmaals, sinds het laatst der vijftiende eeuw vooral. Vol sentimenteel heimwee goot het dichterlijk gemoed zich uit in klachten over verloren eenvoud, oprechtheid en onschuld. De phantazie van den kunstenaar begaf zich buiten de paleizen, buiten de steden; hij schiep zich, op het tooneel der onveranderlijke natuur, een verdichten natuurmensch. De tijdgenooten nu vonden in den dichter een tolk: die overprikkelde kinderen van weelderige overbeschaving. Zij hadden alles genoten; slechts het contrast kon hen bevredigen.
Hier handelen wij enkel over de Pastorale (Herdersdrama).
De Renaissance-litteratuur was een reproductie van de Romeinsche Letteren hoofdzakelijk, zelf navolging van Grieksche modellen. Ook de Pastorale is van antieken bodem. Theocritus (± 270 v. Chr.) had den beurtzang der Siciliaansche Herders een plaats verschaft in de Grieksche kunstpoëzie. Meestal dialoogsgewijze, schilderde hij daarin Idyllen d.i. Tafereeltjes uit het leven van herders, van landlieden, visschers en kleine burgers. Eerst naar den vorm, daarna ook omdat de stof aan het leven der lagere standen ontleend was, heetten deze Idyllen Bukolische poëzie (boukolos = herder).
In de Litteratuur van Rome ging zij over.
Omtrent 40 v. Chr. dichtte Vergilius een tiental Idyllen, die bij de Romeinen weldra als “Eclogae” d.i. “Uitgelezen Gedichten” bekend stonden. De term Ecloga kreeg zelfs de vaste beteekenis van Idylle. Vergilius en Theocritus, zijn voorbeeld, onderscheiden zich echter eigenaardig. Tijdens den laatste reeds was de bloeitijd der Grieksche Letteren goed en wel voorbij. Maar, ondanks zijn liefde voor de schildering van stille, rustige landschappen (Idylle VII, XXII) en zijn teederheid, het sentimenteele kent hij niet. Zijn herders, zijn burgervrouwen zijn niet meer of minder dan lieden uit het volk. Het is hem om de werkelijkheid te doen. Hij wordt met eenig recht als Realist geprezen. De samenleving te ontvluchten, daarvan is bij hem weinig sprake. Aan de echtheid der herders van Vergilius moet éér getwijfeld worden. Hij en zijn tijdgenooten hulden zich hier in een masker van landelijken eenvoud. Tityrus (Idylle I), ook Menalcas (Idylle V, IX) is de dichter-zelve. Er wordt niet herdersch, maar hoofsch gesproken; over de aangelegenheden der voorname wereld niet zelden. Hier bekoort ons het Realisme van den voorganger niet. Vergilius is de voorganger dier latere dichters, welke hun eigen gewaarwordingen in den mond van natuurmenschen leggen.
Van den aanvang af heeft de Renaissance behagen geschept in de Ecloga der Romeinen. Reeds de geleerden aan het hof van Karel den Groote had zij tot navolging uitgelokt. Nu werd zij een der meest geliefkoosde en meest beoefende genres. Als Vergilius was de Renaissance hoofsch. En juist dat mommespel, die Allegorie viel toenmaals in den smaak, werd kunst bij uitnemendheid geacht. Zelfs de voorloopers van het nieuwe geestesleven, waarin de middeleeuwen overgingen, hebben zich met de Ecloga bezig gehouden; ook Dante liet zich niet onbetuigd: met den naam Tityrus treedt hij, over zijn Commedia handelend, in den herdersdialoog op. Petrarca († 1374) en Boccaccio († 1375) volgden. Het is merkwaardig dat de realistische schrijver der Decamerone van zoo groote beteekenis werd voor de verdere ontwikkeling der herderspoëzie. Boccaccio verbond de Ecloga met het prozaverhaal. In zijn Ninfale d’Ameto schilderen zeven Nymphen voor den jager Ameto de lotgevallen hunner liefde en elk zingt haar Ecloga. Eigenaardig is het Platonisch karakter van dit werk. De Nymphe Fiametta verpersoonlijkt er de Platonische liefde, Ameto’s ideaal. Herders echter zijn niet platonisch. Maar in de XVde eeuw wijdde men zich, ’t meest in Florentijnsche kringen en te Rome, met ernst aan Plato’s philosophie: zij tint ook de Litteratuur van die dagen en later. De Eclogen van Benivieni en Boninsegni getuigen ervan. Doch zuiverder dan elders wordt die boven ’t louter zinnelijke verheven liefde in Sannazaro’s Arcadia van 1504 gevierd. Deze Arcadia, navolging van Ameto, is het tweede meer uitgebreide prozawerk der Herderslitteratuur en wellicht het volkomenste. Idyllische mono- en dialogen besluiten zijn twaalf hoofdstukken. Sannazaro zelf treedt er als Sincero in op, zijn geliefde Carmosina Bonifacia als Amaranta. Groote vlijt is er aan de schildering van het landschap besteed. Zestig drukken in honderd jaren spreken duidelijk van den invloed dien de Arcadia, twee eeuwen lang, in Italië en daarbuiten, op de Idyllische poëzie heeft uitgeoefend. Zij is een overgang tot den Herdersroman geweest.
Tegen het laatst der XVde eeuw begon het Bukolische drama. De dialogische Ecloge was ietwat dramatisch. Een dramatisch tafereel is Theocritus’ XVde Idylle: De Syracusische vrouwen op het Adonisfeest. Het ligt in den aard der zaak, dat de Herders het tooneel eenmaal betreden zouden. De oudste bekende Pastorale is Poliziano’s Orfeo ± 1480. Dat deze Orpheus tevens het eerste zangspel is, is niet maar toevallig. Het Bukolisme was een uitvloeisel van een hoogst subjectief gemoedsleven. De geheele Renaissance vertoont een sterk individualistisch karakter. Daarom heeft zij, hoewel het Epos als de hoogste kunst vereerend, toch geen eigenlijk Epos voort kunnen brengen. En ook in het Drama is zij niet gelukkig geweest, behalve—dat zij de vinder van twee nieuwe genres werd, beide lyrisch en muzikaal van aard: de Opera en de Pastorale. Pastorale en Opera nu vallen in hun oorsprong samen. Want de eerste Pastorale ± 1480 is een soort Opera en de eerste Opera, Rinuccini’s Dafne, 1597 is een soort Pastorale: gedurende de XVIde eeuw was het Herdersspel een der voorloopers van het Dramma per Musica. Opmerkelijk dat in Spanje de eerste proef met muziek in het Drama genomen werd met Lope de Vega’s gedramatiseerde Ecloge Selva sin amor.
II.
Wij handelen nu niet over vertalingen van Herdersromans en van Theocritus’ en Vergilius’ Eclogae, niet over Heemskerk’s didactische Arcadia of over gedichten als Huyghen’s Uytlandige Herder, waarin hij-zelve bespiegelingen over zijn vaderland houdt, noch over het liedboek en de Herderszangen bij Heinsius, Hooft, Cats, Beaumont, Starter, Vondel en anderen. ’t Eene noch ’t andere zou de stelling omver stooten, dat onze Letteren in hun besten tijd alles behalve Bukolisch geweest zijn.
III.
Het is Hooft, die te onzent, gelijk het in Italië geschied was, naar de modellen der Oudheid, een nieuwe Geschiedbeschrijving toepast, die de schoonheid met de waarheid vereenigen wil en pragmatischen samenhang verlangt. Latijnsche schrijvers hadden op uitstekende wijze den Brief beoefend. De eerste geesten van Italië vatten die Epistolographie wederom ijverig op. Hooft is het, die bij ons, met hen, zijn Hollandsche brieven den eisch stelt van kunstwerken te zijn. Als de Renaissancemannen van den goeden tijd streeft hij bovenal naar de preciese en aanschouwelijke voorstelling zijner gedachten en gewaarwordingen. Hem spreekt het van zelf, dat zijn Lied, als zijn Sonnet, rijk van gedachte moet zijn en de eenheid van aanschouwelijkheid en juistheid de schoonheid-zelve is. Al zijn Lyrische poëzie verraadt de edele eerzucht van den geroepen kunstenaar, die scheppen wilde, en scheppen kon.
Maar, zooals aan den vorm, ook aan den geest van zijn minnedicht heeft Italië deel,—ook van zijne geschriften in ’t algemeen. Wat hij met de leermeesteressse gemeen heeft, onteert hem gelukkig niet en bewijst zijn soliditeit en zijn zelfstandig en stoutmoedig oordeel. Het maakt tevens dat lieden van moderne denkwijze hem verstaan en behagen in zijn omgang scheppen. Hij is zoo sceptisch aangaande de verhouding der onzienlijke en zienlijke dingen, dat men met recht beweren mag: Hooft is strikt genomen geen “Christen” geweest. De macht die het zichtbaar beloop van het aardsche regeert of stuurt, noemt hij bij voorkeur “Geluk”, “Fortuin”. Met de Oude Godheden, die hij in zijn gedichten zoo natuurlijk huldigt alsof het zijn voorouderlijke godheden waren, is ook de Antieke Fortuna tot hem ingekeerd. Maar de Ouden bracht zij veelal heil en zegen. Hooft stelt haar vaker als de vijandin der menschheid voor: de Grieksche Moira heeft den Romeinschen naam bij hem aangenomen. Het onverbiddelijk Determinisme, dat Hooft later belijdt, is buiten kijf reeds van ouden datum bij hem. Al met zijn eerste Latijn en Grieksch had hij het ingezogen. Het laat zich van vroeg af wel vermoeden, dat dit philosophisch hoofd eenmaal weigeren zal de noodwendigheid van al wat is, oordeel Gods in Christelijken zin te noemen. Fransche philosophie werkte er krachtig toe mee. Prediken doet hij zijn: “Wat weet ik?” niet. Het gevoelen dat de maatschappij met onchristelijken twijfel gebaat zou zijn, is hij niet toegedaan. Hij acht het nergens dienstig toe, er de rust van zijn kalm leven mee te verstoren. Ieder mag op eigen manier zalig worden. Geen belijdenis sluit het goede uit en dit vindt hij veel. Een goede Katholiek is niet slechts. Hooft is indifferent: niet tegen den godsdienst is hij, maar zelf (behoudens zijn eerbied voor het mysterie dat hem omgeeft en zijn vereering van het Goede), zonder uitgewerkt geloof en vurige aanbidding. Verdraagzaamheid vloeit hier uit voort. Niet Vondel’s Roomsch-zijn, maar zijn onnationale gevolgtrekkingen in ’t politieke veroorzaakten een omkeer in de gezindheid van den Drost. Doch—ook Vondel’s ijveren was hem tegen de borst. Hij was niet vrij van Egoïsme, hij was verzot op het aangename, hij was Epicuristisch van aanleg en door studie. Het ideaal van een verstandig man achtte hij in volkomen rust gelegen. In zijn jeugd mag hij dit wel reeds van zijn ouden vriend Hendrik Spieghel vernomen hebben, en geen van beiden heeft Epicurus schande aangedaan. Noch in overvloed en rijkdom, noch in eer en macht stelt hij zijn geluk. Alle zinlijke genoegens en genietingen bemint hij, maar nadrukkelijk waarschuwt hij zich-zelven en anderen voor het Te Veel. Geestelijk genot gaat boven alles. En de middelen, die ons de vriendschap der gelijken en het goede aandenken der minderen verwerven, zijn, met een wel ingericht huis, onder de voorwaarden eener eerlijke gemoedsrust. Hij voor zich rekent nog een uitnemend echtgenoot daartoe.—Zijne denkbeelden over de Liefde zijn niet minder karakteristiek dan zijn vrije blik op de wereld. De Renaissance had over de Alpen een hoogeren stand in het leven geroepen, die zich, anders dan in de Middeleeuwen, door schitterende geestesbeschaving ver boven het gros verheven mocht rekenen. Zij had er de vrouw uit haar staat van afzondering en onmondigheid ontslagen, om haar voortaan te doen huldigen als richteres en handhaafster der schoone vormen. Hooft wederom zou zich op het Muiderslot de verfijning en veredeling van het gezellige leven ter harte nemen en van den beginne af ziet men hem boven het achtenswaardig Vaderlandsch Realisme verheven, dat in de wederhelft weinig meer dan de beminlijke moeder der kinderen en de aangename bestierster der huishouding behoeft. Want den vierentwintig-jarigen dichter van Granida was dit te weinig. In Florence had hij de kunst der Galanterie geleerd en zij was meer bij hem dan vernissen van in hartelijkheid of reinheid te kort schietende gezindheid en neiging. Zoo er conventie en manier in steekt, zij staan hier in dienst der echte poëzie. De uitheemsche taal der vereering werd hem het natuurlijke middel om zijn eigen vereering van de begaafde vrouw te uiten: bewonderenswaardig is de gemakkelijkheid waarmede hij zich deze taal heeft eigen gemaakt. Hij aanbidt in de Geliefde de Bella Donna der Italiaansche sonnetisten: het volkomene Ideaal der Goedheid in Schoonheid zichtbaar geworden, de zuiverste openbaring van het Goddelijke. Ongeveinsd is zijn deelnemen aan hun eeredienst van het Hoogste Schoon, waarin de stoffelijke vorm zinnebeeld is van koninklijke eigenschappen. Uit echte verwondering komt zijn religieus-getinte natuurverheerlijking voort, maar het is voor zijn “Vrouw” dat de vergode Zon schijnt. Ongedwongen neemt zijn spreken den toon aan van het gebed, wanneer hij haar Godin noemt en knielt voor haar altaar. Alle kleinheid en zwakheid is haar vreemd. Zij vereenigt goedheid met waardigheid, met beraden wijsheid teedere lieflijkheid. Heilig zijn haar leden, heilig de gunsten die zij uit Goddelijke genade schenkt. Zoo Platonisch is Hooft wel niet, dat hij het zinlijke minacht. Integendeel. Maar hij wil geadelde zinlijkheid, die, wortelend in de betrekking der geslachten, uitloopt in Ideale Vriendschap:
Het lijf-omhelsen moet bij ’t sielvermengen swichten;
Men heeft Hooft, in zijn Minneliederen, van onhartelijkheid en gebrek aan hartstocht beschuldigd. Niemand echter die op de bepaalde en juiste uitdrukking zijner denkbeelden en op de vastheid zijner gevoelens let, met onverzwakten nadruk telkens weer uitgesproken, zal van onnatuur en onwaarheid spreken. In hooge mate bezat de dichter de gave der waardeering en het is niet te ontkennen, dat zijn verzen de zeer persoonlijke uiting zijn eener oprechte bewondering van het vrouwenkarakter.
Wat wordt er in Granida geschilderd? Een door en door bedorven aristocratie; een wereld, voor het oog nog pralend en pronkend, maar kracht- en vreugdeloos in al de zedelijke verdorvenheid en de ellende van haar ijdel, nietig bestaan. Te midden van deze samenleving, die heden nog staat, doch morgen in elkaar zal storten, treedt een dichter voor ons op, die naar bevrijding smacht, een pessimistisch dichter, die met de kracht der verontwaardiging den geesel zwaait. Zonder verschooning ontdekt hij de leugen waarop het wankelend gebouw rust. Zonder verschooning legt hij de innerlijke tweespalt bloot van dit leven zonder God noch gebod. Geen kunst vermag de ledige plaats te vervullen, nu natuur en eenvoud geweken, verjaagd zijn. Een minnelijk gelaat is het masker van een hart vol haat en nijd. Valschheid regeert hier. Geweken en verjaagd zijn alle menschelijke deugden. Er is godsvrucht noch vriendschap meer, oprechtheid noch trouw. Waar is de vergenoegde levenslust? Zoo zang en muziek nog weerklinken, het is niet van vreugde. In den roes van het vermaak, zoekt men zijn verdriet te vergeten,—vergeefs:
Wat ’s al des werelts lust
Als ’t hart niet is gherust?
Men vergete niet dat de Hoveling hier een gansche aristocratie met haar aanhang omvat. Het Pessimisme van den dichter gaat verder. Maatschappelijke ontevredenheid kwelt hem. De geheele wereld is slecht; zij ligt geheel in het Booze, zonder goddelijke ordening. Men spreekt van recht en van wet, doch is dit rechtvaardigheid, is dit orde, dat de slechtaard in overvloed zwelgt en de deugdzame zich moet behelpen, gebrek lijdt? Aan allen gemeenschappelijk heeft de Natuur de aarde als een erfgoed nagelaten.
O rechten sonder reên! o wetten sonder weten!
Het is een gewoon verschijnsel, dat beschouwingen als deze opkomen in tijden als het Italië der XVIde eeuw beleefde. De verbeelding vormt zich een tegenbeeld van het bestaande. Uit een dichterlijk brein rijst een Utopia, een Nergenshuizen, bevolkt met ideale wezens, die de verpersoonlijking zijn van ’t geen de dichter als goed en heilig vereert, van zijn wenschen en verlangens. Hij droomt van de voorbijgevloden eeuw,
toen de Natuur-zelve, met volmaakte wijsheid de menschelijke behoeften bepaalde en ieder haar in ongestoorde gelukzaligheid volgde. Hij gelooft in een heilige menschheid, onbesmet van misdaad, rein van leven, die oorlogswapenen noch straffen kende; in een eeuwigen vrede, waarin eer- noch hebzucht op het leed van den naaste peinsde en de koningen als wijze patriarchen slechts herders hunner volken waren. De Renaissance had deze voorstellingen aan de mythologie en de poëzie der Oudheid ontleend. Ook elders in Europa aanvaardde men ze als geboekstaafde geschiedenis: de verhalen der Heilige Schrift werkten tot hun aannemelijkheid mede. In Italië was het, dat deze phantasieën deel gingen uitmaken van het innerlijk leven; poëtische gemoederen, die de werkelijkheid afstootte, spraken er van als van een Verloren Paradijs, waartoe men terug moest.
Wie sal u deese deucht loonen, als uw ghemoedt?
“Recht Prinselijk, edel bloed!” roept Granida en daarmede spreekt zij de meening des dichters uit. Granida en Daifilo! Met de beschaafde vrouwen van het tijdvak dat het herdersspel zag geboren worden, behoort de Princes tot de sekte der geëmancipeerden. Zij doet haar zin en bekommert zich niet om het oordeel der wereld. Zij is het kind eener eeuw, die met de overlevering heeft gebroken en ieder het recht geeft, op eigen hand naar het nieuwe te zoeken. Granida weet, wat vooroordeelen zijn, hun aard en oorsprong:
Dat inghesoghen waen, die ’t merch en ’t hart soo naer leyt,
Door dien van kintsheyt af zy ons wort ingheplant,
Niet met haer nevel deck de klaere naeckte waerheyt,
Gij hoort haar uit den mond van ’s Konings dochter. De Princessen van vleesch en bloed hebben zoo niet gedacht. De dichter schept ze als een hoogere werkelijkheid: vermaning en voorbeeld! Hier staan wij nu midden in de nieuwe, ideale wereld. Leg haar niet aan, den maatstaf van mogelijkheid waarmee wij gewoon zijn te meten. Hier is het natuurlijk, dat een “groote Coninginne”, aan de inspraak des harten gehoor gevend, als de stem van een zèkere leidsvrouw, haar staat verwisselt en Harderinne wordt. Het is hier niet ongerijmd, dat de koning den herder, die om harentwille den prinselijken staat dien men hem aanbiedt, weigert, aanneemt als pair. Tisiphernes, die hem zijn landen òverlaat, behoort inderdaad tot deze wereld.
Recht of die sielen met elckander onderlinghen
Liefde ghy haer, mijn Heer, ’t geen dat u is gheschiedt,
Soud u, om haer gheluck, lief zijn, en rouwen niet.
Een oprecht hart, mijn Vrouw, derf van zijn grondt gewaegen!
Hard en duidelijk wordt in Granida de stem des tijds vernomen. Er is noch wezenlijke Moraal, noch waardige Philosophie in. Het kind des tijds schept zijn nieuwen mensch in de eerste plaats om zichzelven, den mensch van wien hij niets te vreezen heeft. Als de zwaarste aanklacht tegen hem zal in den dag des oordeels de onderstelling der volkomenheid zijner helden gelden. De dichter en zijn werk zijn doodelijk krank van dezelfde verdeelde beginselloosheid. De dichter is een chaos. Zijn werk strijdt tegen zich-zelf, heft zich-zelve op. Beide zweven ze boven den afgrond.
De Italiaansche Granida, die wij geneigd zijn te onderstellen dat bestaat, is tot nu toe niet voor den dag gehaald.
Ook den oorsprong van de fabel hebben wij niet kunnen vinden.
Het drama Mucedorus komt hierop neer: Mucedorus, prins van Valencia, heeft vernomen van de schoonheid van Amadine, prinses van Aragon, en gaat in herderskleeren zich daarvan overtuigen. Amadine is verloofd aan den edelman Segasto en het huwelijk is aanstaande.
Mucedorus, de herder-prins, komt Amadine redden van een beer, terwijl Segasto, die een groote lafaard is, is weggeloopen. Hij biedt haar den kop van den beer aan. Amadine maakt zich als de prinses en Segasto als haar bruidegom bekend, betuigt den herder haar dankbaarheid en verzoekt hem haar naar ’t hof te volgen om zijn belooning daar te ontvangen.
Segasto zendt den kapitein Tremelio af om den herder te dooden. Tremelio zoekt Mucedorus op, maar Mucedorus doodt hèm. Segasto heeft het gevecht gezien en klaagt den herder bij den Koning aan.
Mucedorus wordt voor den Koning gebracht, die hem nog niet kent als den redder van zijn dochter. Amadine bepleit zijn zaak tegen Segasto. De Koning schenkt genade omtrent Tremelio en beloont hem met goud en zilver. Maar daarnà weet Segasto toch nog zijn verbanning te bewerken.
De herder-prins begeeft zich buiten het Hof. Amadine zoekt hem op. Zij bekend hem haar liefde; ook hij verklaart zich. Zij wil zijn verbanning met hem deelen en hij neemt dit aan. Een plaats van samenkomst wordt afgesproken. Dan keert zij naar het Hof terug om haar maatregelen te nemen.
Amadine is straks op de afgesproken plaats Mucedorus wachtende. Nu treedt de Wildeman Bremo op (hij heeft zich al eerder in het stuk vertoond) en maakt zich van Amadine meester. Hij wil haar dooden en opeten, maar haar schoonheid betoovert hem en hij spaart haar; zij moet zijn vrouw worden.
Mucedorus komt op; hij is te vergeefs wachtende. In het gewaad van een kluizenaar wil hij in het bosch blijven vertoeven, tot zij komen zal. Dwalende daar, ontmoet hij Bremo met Amadine, die hem in zijn vermomming niet herkent. Hij weet den Wildeman te belezen, dat hij hem in dienst neemt. Het eind van ’t lied is, dat Mucedorus, die zich door den Wildeman in ’t vechten laat onderrichten, hem daarbij van ’t leven berooft. Dan maakt hij zich aan Amadine bekend.
Ondertusschen is Segasto met zijn dienaar het paar gaan zoeken, en zij worden gevonden. Mucedorus laat nu Amadine alsnog de keus, en zij kiest hèm. Hij laat nu zijn incognito varen: hij is de zoon des Konings van Valencia. Segasto begrijpt dat zijn kans verloren is en doet afstand van zijn bruid.
Gezamenlijk begeven ze zich naar den Koning, die vol droefheid over zijn dochter is, en die ook vernomen heeft, dat de prins van Valencia om haar hand dingt. Alles komt nu ten besten uit. Segasto doet, op ’s Konings verzoek, andermaal edelmoedig afstand.
Wat de verhouding van de fabels betreft—moet men het ongetwijfeld met den Uitgever van Mucedorus eens zijn. Tusschen Granida en Mucedorus is een groot verschil. Ostrobas, de vreemde prins en mededinger van Tisiphemes (Segasto), is in Mucedorus zelf de herder en dit maakt het geheele verhaal tot een ander. Maar dit neemt niet weg, dat de overeenkomsten zoo treffend zijn, dat het verband onmogelijk is te loochenen. Blijkbaar nu is Mucedòrus uit de Arcàdia-episode ontstaan. Voor de Granida zijn wij dus gedwongen onmiddellijke afhankelijkheid van de Mucedorus-fabel aan te nemen. De prins heeft zich gesplitst: hij wordt een wezenlijke herder, maar hij blijft ook prins en mèdeminnaar in de figuur van Ostrobas, die aan Bremo herinnert, zooals Tisiphernes min of meer aan Segasto. Nu treedt de herder bij Segasto in dienst en verslaat niet Bremo, die immers ook een soort medeminnaar was, maar Ostrobas.
De fabel van Granida is een wijziging van de Mucedorus-fabel. Hemelsbreed verschillend zijn de stukken als drama’s. Een heel andere is de karakteristiek. In Mucedorus ìs nauwelijks karakteristiek. Moraal en philosophie, in Granida zòò hoogst opmerkelijk, dat de twijfel van den een òf ’t wel van Hooft zou zijn, door een ander misschien beantwoord wordt met een ”’t Is juist van Hooft den philosoof!”—moraal en philosophie ontbreken er geheel: het is eenvoudig een tooneel-stuk,—een dichterziel, eens menschen geloof en zielsbegeerte is er niet in.
IV.
Studie der taal is de eerste eisch, dien Granida ons overal stelt. Wij mogen niet eindigen voor de lezer het standpunt betreedt, dat hij hierbij heeft in te nemen. De historie weder moet ons leiden. Wij moeten ons herinneren, dat door de Renaissance de moderne schrijftalen ontstaan zijn der natiën, die toen deelnamen aan de moderne beschaving. In de middeleeuwen is er geen eigenlijke algemeene schrijf-, noch omgangstaal, die, in wijden kring, boven de dialecten staat. Al waren er voor enger kring toongevende centra (Brugge; Antwerpen). De dialekten waren nog talen. De Renaissance, die de samenleving in de twee klassen der ontwikkelden en on-ontwikkelden scheidde, scheidde daardoor de taal. In Nederland geschiedde dit in de laatste helft der XVIde, in den loop der XVIIde eeuw. Wel werden de dialektische verschillen nog niet uitgewischt, wel hangt de taal onzer groote auteurs op allerwijze met de volkstaal samen, wel zet Cats de overlevering der middeleeuwen voort en schrijft de taal des volks, maar ten zelfden dage als onze voorouders de onafhankelijke Republiek met haar wereldhandel stichten, vormt zich ook het Nederlandsch. Het verschijnsel wacht, bij de verschillende natiën, nog op nauwkeurig onderzoek; ook bij ons moet nog ontzaglijk veel arbeid voorafgaan, voor aan de geschiedenis van de wording onzer Litteratuurtaal gedacht kan worden. Met enkele voor de hand liggende punten hebben wij ons nu bezig te houden.
Zwolle, 1890.
Van biezonder belang zijn het derde en het vierde Bedrijf. Dr. Kluyver toont aan (Neophilologus 129–131), dat indien Hooft het drama Mucedorus of een zeer daaropgelijkend stuk als voorbeeld heeft gehad, zijn derde Bedrijf dan in elk geval oorspronkelijk zijn moet; het kan, in karakteristiek en gebeuren, niet worden teruggebracht tot een Mucedorus-drama. Hooft’s voorbeeld moet een ander geweest zijn. Het is niet waarschijnlijk dat hij-zelf recht heeft op dat dramatisch zoo uitnemende bedrijf. Het volgende vierde staat ver er bij ten achter en bederft den indruk van ’t voorafgegane (Neophilologus 131–132). Nu is er aanleiding om te denken dat juist dit vierde Bedrijf eigen werk is. “Hij wilde hebben een drama in vijf bedrijven, met koren, van een classieke eenvoudigheid, zonder de heterogene bijmengselen zooals die in het zoogenaamde romantische drama voorkomen.” Voor vijf bedrijven was de stof van zijn gegeven wel wat klein. Het eerste bedrijf geeft de ontmoeting van Daifilo en Granida; in het tweede is Daifilo aan het hof in dienst gekomen en ziet men de twee minnaars Ostrobas en Tisiphernes tegenover elkaar gesteld; in het derde heeft het gevecht plaats waarin Ostrobas wordt verslagen, en waarin ten slotte het plan van de vlucht wordt bepaald; in het vijfde ziet men de vlucht, de achterhaling en den afloop. Dit waren nu echter maar vier bedrijven, hij had er vijf noodig. Hoe is hij gekomen aan de hemelvaart van de Prinses? “Mij dunkt”, zegt Dr. Kluyver, “hij heeft die ontleend aan zijn eigen drama Ariadne, dat een paar jaar vroeger geschreven is. Daarin komt Bacchus, volgens het mythologisch verhaal, op aarde om Ariadne naar den hemel weg te voeren; en de beschrijving van zulk een hemelvaart, voorgedragen door een nutrix in den stijl van Seneca kon in Granida een groot deel van een vierde Bedrijf vullen. Hooft heeft, dunkt mij, niet genoeg beseft, dat wat in het spel van Ariadne op zijn plaats was, in het spel van Granida volstrekt niet paste. De rest van het vierde Bedrijf is besteed aan de onnoodige en ongelukkige redeneeringen van Daifilo en Tisiphernes.” Zooals Hooft hier het karakter van Daifilo verdraaide, zoo deed hij te voren in Achilles en Polyxena het karakter van Polyxena. Men zou nu mogen onderstellen, dat onze Dichter een drama gekend heeft dat in hoofdzaak bevatte wat hij geeft in het eerste, tweede, derde, en vijfde Bedrijf (Neophilologus, 131–134). Dat daarin een eenvoudig herder de gemaal der Prinses zou zijn geworden, dit is niet waarschijnlijk. “Kan men nu nagaan, vanwaar die tekst gekomen is?” Dr. Kluyver oordeelt dat het origineel ontstaan zal zijn uit een verhaal in den geest der Amadisromans (Neophilologus, 135). En nu herinnert hij nog eens aan den Dialoog Diphilo and Granida, waarin Diphilo een als herder vermomde Prins is. Dit kan restant zijn van dat oorspronkelik drama. Er is een stuk van Massinger van 1636, The bashful Lover, dat (pag. 136–137 Neophilologus) op verrassende wijze op Granida gelijkt. Men zou kunnen gissen, dat zoowel Massinger als Hooft op dat oudere drama van Diphilo and Granida teruggaan. Hooft heeft dan den Prins tot een werkelijken herder gemaakt. Zoo had hij gelegenheid om motieven van pastorale poëzie te pas te brengen, als de onschuld van het landleven en den lof van de vervlogen gulden eeuw der menschheid; hij kon nu ook in het eerste bedrijf het tooneel met Dorilea er bij maken, dat zoo geheel in zijn stijl is, en waarin hij zooveel aan Guarini heeft ontleend”.
In 1615 en 1636 vormen 802–808 een enkele strofe met van het vorige afwijkend rijmschema. In het H.S. (Leendertz I, 170) zijn het er twee, waarvan de laatste met het rijmschema aansluit bij de volgende vierregelige; de drieregelige eerste een overgang vormt.
De asterisk achter 1463 en de Aanteekening daarbij moet vervallen.
De varianten in de leesteekens van 1636, in den eersten en tweeden druk te vinden, zijn daar-na niet weer opgenomen.
P. C. HOOFT’S
GRANIDA
SPEL
* * * * *
Tot AMSTERDAM,
By WILLEM IANSZ. op ’t water, inde vergulde Sonnewyser.
Anno CIↃ IↃ CXV.
* * * * *
In den tweeden druk, 1644, van Hoofts Gedichten, uitgegeven door Van der Burgh, leest men: Tooneelspel. Behelzende de vryaadje van Tisiphernes en Daifilo.