← Table of contents
Granida

Note 16 — INLEIDING1

Reading edition

Had de auteur der Granida van 1605 ons zijn naam onthouden, wij zouden dien zonder mistasten bepalen. Zelfs met den datum stonden wij niet verlegen. Duidelijk draagt het werk den stempel van zijn talent. Wij kennen hem aan zijn taal. En ondersteld dat Hooft een vreemd drama navolgde,—er ware grond voor het vermoeden, dat het den invloed van zijn eigen denken heeft ondergaan. Bleek het dat die invloed minder sterk was dan men geneigd was te onderstellen.—de keuze zou getuigenis van den vertaler afleggen. Zoo al de overeenkomst van ideeën tusschen Hooft’s Liederen en zijn herdersspel nog niet de oorspronkelijkheid van het laatste kon bewijzen, uit den klauw zouden wij den leeuw toch kennen. Met zekerheid zouden wij zeggen: dit drama moet uit dien tijd dagteekenen, naar luid van zijn taal; van die taal de kracht nog daargelaten, van die liederen het accent niet eens meegerekend, kan niemand dan Hooft toenmaals zich met zooveel ingenomenheid en zoo gelukkigen uitslag aan de overbrenging hebben gezet. Een toevalligerwijze niet, had de zanger van Weet yemant beter saus als honger tot de spijsen16 zijn hand dan op Granida gelegd. Het was voorkeur—en dit te gevoelen is een voorwaarde van genieten. De kenner van Hooft’s Liederen vindt in zijn Pastorale een bekoring meer, die anderen moeten missen. Hij ontmoet er den wijsgeerigen minnezanger in levenden lijve. Het geestig pleidooi voor de rechten der jeugd herinnert hem aan de Ritornelles voor Diana.17 Galathea uit het lied Vluchtige Nimph18 heeft in Granida haar naam met Dorilea verwisseld; in den dialoog voor Ida Quekel19, heet zij Amaryllis en koestert tegen Cephalus (d. i. Hooft—Daifilo niet ongelijk) hetzelfde wantrouwen reeds. De Epicuristische leer van ’t vergenoegen, met woord en daad door de princes gepredikt, die lage rust boven verdrietige hoogheid kiest, brengt ons telkens het aantrekkelijk gedicht op den rijkdom20 te binnen, waarvan het Herdersspel soms de illustratie wel schijnt. Hooft’s fijne zinnelijkheid schijnt in de Reien der Iofferen, van de twee eerste bedrijven, door te stralen. Onmiskenbaar is in Granida ook zijn natuurzin.21 Zelfs de tegenstelling van Kunst en Natuur ontbreekt er niet.22 Dat de blinde Fortuin er een eerste viool speelt, heeft de dichter ongetwijfeld in orde gevonden. De philosophie over den Staat23 komt hem die Geeraerdt van Velsen (1612 of 1613) of Baeto (1616 en 1617) heeft gelezen, niet vreemd voor: daar vond hij ook de tyrannenhaat van den Republikein uitgesproken en zijn opvatting van de taak der vorsten.24 Eindelijk is in Granida als in de Liederen als in den Baeto de liefde een de geheele schepping doodringende, levenwekkende macht,25 die in den mensch zich met het edelst menschelijke verbindt en hem tot dienaar van het Schoone bestemt. Beide Daifilo en Pieter Cornelisz. klimmen op van de begeerlijkheid die schoonheids lichaam meer dan lichaams schoonheid mint, tot vereering van vorstelijke vrouwendeugd.26

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings