Note 30 — INLEIDING1
Reading edition
Zoo ook de dichter van Granida. Hij schept nieuwe menschen. In overeenstemming met zijn tijd, is hem de herder en de herdersstand de vertegenwoordiger van den oorspronkelijken “staat der Rechtheid”. Die oude volken waren herdersvolken geweest: het land, niet de woelige steden, het tooneel huns levens. Blijde leefden zij als aan den boezem der groote, onveranderlijke Moeder Natuur, die steeds is die zij is en in schoonheid en onuitputtelijke goedheid zich openbaart. Maar de enkele persoon van Daifilo stelt des dichters Moraal nog niet voldoende in ’t licht. Ook Granida is een belichaming van zijn Ideaal. Ook de Koning en Tisiphernes. Hij wil zijn tijdgenooten een spiegel voorhouden: zijn drama is half ontboezeming, half tendensstuk. Hij heeft een gewichtige waarheid, méér dan eene, te prediken. Doch hij spreekt tot dikke ooren en verharde harten. Hij roept de kunst te hulpe en plaatst de onbekeerlijken voor het levende toonbeeld. Hij overdrijft zelfs en vervalt tot de caricatuur, gelijk dit zoo dikwijls gebeurt met hem die de kunst in dienst der leering stelt. Typen te schilderen is zijn doel en dit is hem al te goed gelukt. Typen waarvan? Van oprechte vriendschap en Godsvrucht, van onbevlekte trouw en oprechtheid, van veilige onnoozelheid, van koninklijke zachtmoedigheid30: van die deugden, welke de voorwaarden van een aangenaam menschelijk samenleven zijn en door de toongevende hoogere menschheid als uitingen van bekrompen kleinzieligheid worden veracht. Tegenover het Hof staat Tisiphernes, staat de Koning-zelve, staat naast Daifilo Granida-zelve. Niet met den Herder kon de Hoveling zich meten, alleen met zijn gelijke Tisiphernes; de vorst en de prinses der werkelijkheid alleen met den Koning en zijn dochter.