← Table of contents
Granida

AANTEEKENINGEN.1

Reading edition

AANTEEKENINGEN.1

A. is = Aanteekening.

I. 9. de selve: n.l. die genegenheid; “gehulpen van soo wel te passe dienst” is een bepaling van de Princesse: blijkbaar heeft Hooft bij “de selve” eerst aan de Prinses gedacht en een constructie bedoeld, waarin de genegenheid voorwerp was.

I. 17. dat; na “dat” leze men een komma: de zin “die als—het huwelijck van Granida” staat, als een zoogen. absolute constructie, op zich-zelve: op hope dat hij door dat middel aan haren dienst mocht geraken, wanneer T. met Gr. kwam te trouwen.

I. 32. de welcke: slaat op venster; “passeren” hangt af van “siende” als “versuchten” van “hoorende”. Zonderlinge relatieve constr.: gewoon XVIIde-eeuwsch is: sy (door ’t glas siende hem passeren en hoorende versuchten) neemt het selve op etc.; de bepaling bij “passeren” nl. “onder het venster” zouden wij b.v. achter “hem” verwachten; Hooft echter tracht door een relatief den zin nauw aan den voorafgaanden te verbinden en veroorlooft zich daartoe deze bepaling (“onder de welcke”) vòòr het subject van den geheelen zin te plaatsen.

I. 73. “de welcke den eersten—gevangen worden, om opgheoffert te zijn”: dooreenloopen van twee constructies; vgl. de variant.

25. Dorilea’s eerste en voornaamste gedachte is het mingenot: Gesteld al dat Daifilo eens onstandvastig bleek, van wat zoete minne zou dit boschje later kunnen klappen: zij heeft het er voor over. “Kon” en “melde” zien beide op de toekomst. De “hoofdzin” bii 25 en 26 ontbreekt. 27–28 is echter zoo min de “strikt logische” als de “grammatische” voortzetting van 25–26. Immers in 25 is “oft” onderstellend, in 26 voorwaardelijk (“en zoo het dan maar niet uitlekte”), alzoo een dichterlijke samentrekking van twee ongelijksoortige zinnen: de “logische” voortzetting ware b.v. “dan was het nog niet zoo héél erg, want wat een genot zou ik er voor gehad hebben—van wat genot zou dit boschje dan kùnnen vertèllen”.

28. boelage: vgl. 4–6, en 380 in de Rey van Iofferen. Vergelijking dezer plaatsen voert ons tot dit resultaat: het onderscheid tusschen “vryage” en “boelage” in Granida is niet = geoorloofde en ongeoorloofde liefde: vrijage kan wel te ver gaan, boelage kan wel binnen de perken blijven: Maar vrijage rust op een overeenkomst waarbij men zich tot standvastige trouw verplicht houdt: boelage is “vryage sonder meenen”. Boelage echter gaat licht te ver en daarom zoekt D. geestig in 4–6 haar minnespel als vrijage te definieeren: zij is minder lichtvaardig. Het algemeene begrip van het zinnelijke in de liefde ligt in “minne”, terwijl “liefde” in Granida op het ideëele in den omgang der geslachten ziet: een volkomen liefde bestaat er in ’t ineenvloeien van minne en liefde. Vrijage en boelage nu zijn beide “minne”; vrijage is ernstiger gemeend, boelage is spel, schuldig of onschuldig; boelage heeft haar doel in zich zelve; vrijage sluit een “trachten naar iets” in, naar inniger genegenheid, langduriger trouw of een vaste verbintenis. Dit trachten treedt in vrijage soms meer op den voorgrond, zooals 379; uw kouten is plagen en schertsen om minne te verkrijgen; vgl. 56. Soms is vrijen = minnen; wij kennen het nog in beide beteekenissen.—Vgl. 398 en Aant. 1629. Zie Bilderdijk. Vgl. Tijdschrift XI, 263.—Met varianten vindt men dit liedje in het Tweede Nieuw Amoureus Liedtboeck 1605, bladz. 134. (Op de Voyse, De mey die ons de groente etc.)

30. bruyn: in de XVIIde eeuw veelal “donker”, zelfs “bij zwart af”. Kil: fuscus, aquilus, subniger, nigricans. Zie Verdam, Mnl. Wdb., op “bruun” en “brunet”. Huygens, Korenbl., II, 41 (Ed. 1672), Sneldicht op een inktpot: Veel’ bruyne Kindertjens zijn uyt myn’ Buyck geboren. Vergilius, Ecloga X, 39–40: quid tum, si fuscus Amyntas? Et nigrae violae sunt, et vaccinia nigra—is in H. Bruno’s Harderskouten weergegeven met: Sijn bruyn zy niet mis-presen, Kraeck-bezien zijn bruyn, vioolen mede. Bato (in Hoofts treurspel) spreekt (Leendertz II, 389) de lijkbaar aan met: o baer bekleedt met bruine doecken. Ook bij R. Garnier: Juifves, 1536 brunissantes soirees; 1788 Vous verrez un orage Nous embrunir le jour. Nog heden: à la brune = au déclin du jour.—Vgl. de variant, 819, 1234. Vgl. Bilderdijk.

32b. maar zoo hij mij dan eens niet vond.

80. Met een aantal varianten vindt men dit lied in het H.S. dat vermeld wordt Le Jeune, Proeven v.d. Nederl. Volksz. 1828, bladz. 37, J. Tideman, Gedichten van S. van Beaumont, Inl. XXXVIII, Kalff, Lied in de Middeleeuwen, 653: nu op de Koninkl. Bibliotheek. Le Jeune deelt het mede, blz. 133, maar vol fouten—zoo onbetrouwbaar mogelijk; hij maakt b.v. “Wijst mijn brak toch op het wild” van “Weest mijn brack, doet op het wilt”. Sommige bladen van dit H.S., dat de amoureuze ontboezemingen van H. Beaumont bevat en verder poëzie-album is (ook b.v. Hoofts Vluchtighe nimph en het Liedeken van Tobias in Van Manders Gulde Harpe en het Tweede Amoureus Liedtboeck 1605, 111–113 komen er beide met varianten in voor)—hebben een jaartal: b.v. 32 r: 1593; 35 v: 1604; 74 r: 1593; 147 r: 1606; 153 v: 1601; voor de chronologie van de gedichten van Hooft is hier niets uit op te maken. Er is meer dan eene hand in. Met dezelfde hand geschreven zijn fol. 117–118 Vluchtighe nimph, 118–119 Windeken daer dit bos af drilt, 119–121 Snelle gedachten staet wat stil dat à la Hooft ook is; nog de drie liedekens die er op volgen, en het lied fol. 100–103. Met deze hand heeft veel overeenkomst die van fol. 152–153, gedateerd 1601. Noch uit schrift noch uit zinspreuken ook is iets te concludeeren. Le Jeune dateert het “Windeken” zoo maar met 1593 (zie boven).

85. Nú súldy hier met ghéén een kúsjen óf rákèn: een soort chooljámbe (d.i. hinkende jambe), ’t helsch makende jambische spotvers van 12 syllaben uitloopend op trochee of spondee.

’t Schema: ⏒ – ⏑ – | ⏒ – ⏑ – | ⏒ – – ⏒ ).

Men stelle zich voor ’t gebaar van Daifilo of hoe een moderne Daifilo dat zeggen zou, ook in zijn gewoon, ons aller proza: in niet te vlugge, eer langzame kadans, vinger-dreigend, hoofd-nikkend, eindigend in langzaam: óf-rá-kèn; kèn met bij-toon. Hooft kende de chooljambe uit zijn studie en lektuur van de Klassieken (Hipponax, Horatius!). In de Duitsche Litteratuur zijn er bekende aardige voorbeelden van (bij Rückert).

100. schuw = schu, in rijm op nu, 98. De echte Hollandsche vorm nog altijd: u vader, zwalu, ru. Vgl. 96–97.

101. groen: Kil. recens; juvenis; groen visch recens piscis fluviatilis, groen vleesch caro recens; non salita, Lat. viridis. Fr. la verte jeunesse: vert se dit du jeune âge que l’on compare à la verdure du printemps. (Littré.)

129. gnorten: Noord-Hollandsche, eigenlijk Westfriesche woordvorm (gn!) als gnap (netjes, mooi; = knap) e.d. Noord-Hollandsche tongval (de taal van ’t oude Noorderkwartier, boven ’t IJ) is een element van de taal van Hooft en andere schrijvers.

134. In ’t volgende, ook elders in Granida, mooie verzen met trochaeïsche en daktylische elementen.—In het rythme verdwijnt meermalen de laatste syllabe van Daifilo en Granida, maar de apostrofe die de elisie (uitstooting) van den klinker aanduidt, is dikwijls vergeten: Daifilo ick is = Daifil’ick. Vgl. 270: Ick ben Granida indien. Verder: 727, 887, 932.

135. bevijnen: eig. na ervaring, na overlegging of onderzoek tot een uitkomst geraken, een opvatting, beschouwing, overtuiging. Vgl. vonnis (oordeel) uit vondnisse; ondervinden (Gloss. op Cats, Spaens Heydinnetje, Zw. Herdr. I), bevinden, bevinding, en ons gebruik van “vinden”, waarin het voorafgaand zoeken ook op den achtergrond treedt gelijk in Gr. 135 het vinden.

145. heuvels blondt: vgl. de variant. In ’t voorjaar is de natuur in den blonden. Maar zoo vind ik het in de XVIIde eeuw niet gebruikt (daarvoor bij Spieghel, Hartsp. II, 10: Vrolikbleek; bij Sannazario, Arcadia, heet de olijf zoowel “bleek” als “blond”; zie Vlamings vertaling, 1730, passim, en ze heet bij Vergilius zoowel “flava” Aeneis V, 309 als “pallens” Ecloga V). Het landschap van de Granida is een Zuidelijk, het Italiaansche, en hetzelfde als dat van Vergilius’ Eclogae en Sannazario’s Arcadia. Zouden we hier dan niet aan de olijf moeten denken? of aan den wijnstok, die in de litteratuur ook wel blond heet? Toch wel niet aan rijpend koren hier. Men zie, voor een aantal gegevens, het, overigens mislukte, betoog in Noord en Zuid 1890.

193. Afkeerigheid van de zijde van den verkoren beminde.

210. natuyren: “Ze begint al te natuure; ze moet na’er Bruigom toe, ja ze gaat” wordt van een jongedochter gezegd in de klucht De Besteedster van meisjes en minnemoers, of School voor de Dienstmeiden, 1692, Amst., bladz. 27; de natuur (-drift bij uitnemendheid) in zich voelen werken, die aan den dag leggen, en daar “tierig” en dartel van worden. Vgl. Bilderdijk, Leendertz, Kollewijn, Slothouwer. Vgl. nature (Mnl. Wdb., IV, 2202) in den zin van geslachtsdrift: “Die man verliest [door onmatigheid] sine nature”; en nature in den zin van “de genitaliën” (nog in de volkstaal).

217. maar wel: al kan het niet uitspreken, hoezeer het verlangt.

237. Een gebruik van “ander” dat wel aan de Romaansche talen ontleend is.

283. “Noch” 282 is = “en ook niet”, Lat. neque: en al strekken onze zorgen zich niet uit buiten den kring van het landelijk leven, waarin wij geboren zijn. Zie het Glossarium.

288. Zoo hij alles niet met wijsheid wist te verborgen, dan ...

292. De genitief “minders” hangt af van list: genitief “niemandts” van minder. Niet = geen minders list, maar = niemands mindere ontruck hem, zijn meerdere, iets door list.

301. “Beleefd” zegt in XVIde-en XVIIde-eeuwsch meer dan tegenwoordig. Het beteekent vaak die echte wellevendheid die uit een fijn opmerkend en onderscheidend en edel hart voortkomt. Het is dan = fair, gentlemanlike. Daifilo is, voor Granida, als een gentleman. Vgl. b.v. uit van Manders Gulden Harpe (Ed. 1607, bladz. 369): “Al wat wij hebben, ’t is—Van Godt, die seer beleeft—Sonder verwijten gheeft”. Het kan voorts op velerlei manier omschreven: vriendelijk, minzaam, goed, billijk, royaal, netjes, humaan etc. Beleefd is ook het echt oud-Hollandsche woord voor “beschaafd”. Tegenover de “courtosy”, de Zuidelijke Hofbeschaving, stelt Roemer Visscher de volksaardige “beleefdheid”.

305. wiens = wier; slaat op sielen 303. Wiens als 2de n. val enkelv. vrouwl. en als meerv. is niet ongewoon: vgl. 1412.

306. om beslommert: “met moeyten” is voorzetselbepaling bij beslommeren: zich met iets beslommeren.

307. is voor u bekommert: bekommert is partic. van “hem bekommeren”, zich met iets bezig houden. Voor heeft hier, zooals ook uit het verband met 306 blijkt, de nuance van “in de plaats van”.

355. als grootachtbaar geëerd.

357. om lieffelijck de Werelt te verbasen: tegenstelling tot 351–352.

365. heeft zich ooit zoo vernuftig getoond.

373. lodderlijck: vgl. bij Vondel in ’t gedicht op Konstantijntje lodderoog (lodder oog?) van ’t lieve kinderoog. Lodderlijk kan ook, min gunstig, verleidelijk beteekenen.

378. “ty” is getij, seizoen “gheset” is het vastgestelde, het gezette, de wet (vgl. ’t groote Wdb., Verdam, Mnl. Wdb., Kiliaen de Woordenboeken op Hooft): “tygheset” is wat afhangt van het seizoen, “Uw loncken” behoeft niet opgevat als derde naamval: Uw lonken is een van het seizoen afhankelijk iets (en dat seizoen is de Lente, vgl. in den dialoog van Daifilo en Dorilea, 205 en vervolgens), terwijl de menschen die eenmaal buiten de natuur gegaan zijn, ten allen tijde door verliefdheid gekweld worden: dààrom ook mag hun lusten hun een wet zijn: de natuur zelf regelt al hun behoeften nog (zie 313).

384. schaduthroons: Woordspel—het woord moet hier ongetwijfeld in dubbele beteekenis genomen uit het verband van vers 384 tot 381 volgt de beteekenis baldakijn, maar de dichter denkt er bij aan de tegenstelling die geschilderd is in 436–467: “schaduwtroon” is ook = “troon die geen wezenlijke waarde heeft”, “geen geluk waarborgt”. Tn dezen zin is het een woord van Spieghel (van wien Hooft mogelijk ook de menigvuldigheid van adjectieven met -rijk en -ziek heeft), die in zijn beschrijving van het Hol van Plato, Hertspieghel III, 70–118, de aardsche dingen, omdat ze niet dan de schaduwbeelden van werkelijkheid (zie de voorstelling op zijn prent van het “Antrum Platonicum” van 1604, te vinden in de uitgaven van den Hertspieghel van H. Wetstein 1694 en Pieter Vlaming 1723) en dus ijdel, onreëel zijn, schaduw-dingen, “schaduw-goed” noemt en de liefde tot deze dingen “schaduw-min”: zoo zegt hij van den gastronoom, dat hij “ghuwt na schaduw-taart en vla met open mond”: de overdrachtelijke en de eigenlijke beteekenis zijn hier één, en de prent geeft de etymologie van het woord: men ziet de schaduwen op den muur. Het begrip van de onwaarde van dingen die maar vleien met wezenlijkheid, wordt elders, ook bij Spieghel, uitgedrukt met woorden als “valsch”, “ijdel”, “schijn”, “waan”. Let voor de beteekenis van “schaduthroon” in 384 op de tegenstellingen in de vier laatste koepletten van het lied.

392. In het gezongen minnelied vindt de Herderin haar eigen gewaarwordingen, het “schalcke Lietje” treft de waarheid, en zij bloost: maar wat kan dit schelen, wanneer ook de beminde bloost en zijn wederkeerige liefde verraadt? vgl. 401. 393 is het antwoord op deze vraag. Zie A. 397.

396. dunne slaep: vgl. b.v. Palamedes 407; nog in Drente dun-slaoperig: die onrustig en ieder oogenblik wakker is; Kil. dun-slaepigh, levisomnus.

397. Bij vele volken (Slaven, Germanen, Grieken en Romeinen) is de appel een symbool van liefde. Appels schenken, met appels werpen, een appel met elkaar eten was liefdesbetuiging; van appelen droomen, liefdesgeluk. Verliefde vrouwen zenden, volgens Lucianus, aangebeten appels aan hun beminden. Bij de Atheners beval een wet van Solon de pasgehuwde vóór den bruidsnacht een kweeappel te eten. Aphrodite werd wel met een appel op de hand voorgesteld. In de Idyllen van Theocritus is dikwijls van de gebruiken sprake, die Hooft in zijn lied te pas brengt; vgl. vooral Ecl. III, 64.

402. ’t uwaerts: voor t’uwaerts. De drukfout (schrijffout) ’t voor t’ (te), en t’ voor ’t (onzijdig lidw.) komt veel voor in deze tijd: maar t’ kan ook wel aanduiden proklisis van ’t lidwoord: t’onderste, t’arme kind, dus de nauwe verbinding. Vgl. 493, 1011.

411b. Elk een anderen kant uit.

421. Palemon: herdersnaam uit de Eclogae van Vergilius.

425. d.i. zoete heuschheid van zede. Heusheid = humane welwillendheid.

435. Liete voor liet: als wierde, werde voor werd, hielde, krege, grepe, stonde, scholde etc.: Indicatieven; waarover, bij de oudere schrijvers als in hedendaagsche tongvallen, van Helten, Vondel’s Taal I, 45–47.—Men vergelijke in Granida 1377 ick rees’, 1516 ick coos’.

449a. Argeloosheid die niemand belaagt, bij wie het veilig is.

488. Als zoo menige andere plaats in Granida is ook deze proverbiaal: zie de Litteratuur bij Harrebomée, Spreekwdb i.v. hoveling. Bij Roemer Visscher, Sinnepoppen 1614, LIX van het Tweede Schock, wordt onder het opschrift “Jong Hoveling, out schoveling” door een prentje met een weggeworpen ruiker naast een ruiknr in zijn vaas, aangewezen hoe ’t met oude dienaars pleegt te gaan.

493. Deze en de voorgaande regel zijn platonisch op te vatten: “goetheyt” en “schoonheyt” als de hoogste schoonheid en goedheid, nl. God.

495. Daifilo vergelijkt zijn leven bij een slaap, waarin de droombeelden de dingen rondom hem en zijn eigen handelen zijn; wat ons dag schijnt is een nacht; de zon aan den hemel is slechts een somber nachtlicht. Doch in de ideale verschijning van Granida heeft het Goddelijk licht hem toegeschenen en heeft het Hoogste zich aan hem geopenbaard. Voortaan leeft hij een hooger, het eenig ware leven. De Liefde wordt hier voor Daifilo godsdienst. Hier en ook verder is Hooft platonisch en in den geest van Spieghel. Ook in beelden en woorden is er overeenkomst met het derde Boek van den Hertspieghel, waarin het hol geschilderd wordt: vgl. b.v. de “lamplichts schaduw-beelds” Hertsp. III, 111 met Gran. 498; “van die schaduwbeelden moet de mensch bij Spieghel zich in het Godlick Zonnen-licht” laten leiden; zie ook Aant. 502.

500. De “schoonheyt’ is in Granida het ideale in de verschijning der vrouw, de afspiegeling van den edelen geest in het uiterlijk, die niet slechts als het stoffelijk lichaam waarin de schoonheid zich vertoont (d.i. schoonheyts lichaam), op de zinnen werkt, maar den geest verheft.

501–502. De accenten die men in Granida hier en daar nog aantreft op de teekens oo en o (zie b.v. nog 1347–48, 1368–69, 483–84, 629–30, 1569–71, 1581–83) herinneren aan de manier om een bestaand verschil in de o-klanken ook in de letters aan te geven: ’t klinkergeluid van ooghe, droom (uit au) zweemde (als nog in b.v. Zeeuwsche tongvallen) eenigszins naar donker aa-geluid en deed eenigszins aan als tweeklank; ’t geluid van koning, komen had dat niet (niet uit au). Nu gaf men in ’t eerste geval het o-teeken een accent. En zoo deed men ook bij ’t nog bekende, in Holland (overal?), verdwenen; in ’t Oosten welbewaarde en door de dichters meest gehandhaafde verschil dat bij op - top, vol - tol, wol - mol zich voordoet, dat vroeger evengoed Hollandsch was en van zeer ouden oorsprong is. Bij top, tol, mol gaat de mond verder open (de kaakhoek is grooter), ’t geluid is anders dan bij op, vol, wol, (Hollanders hebben altijd den klank van op, vol, ze hooren het verschil niet). Rondom 1600 nu duidden sommige schrijvers ’t geluid van tol, top aan met het accent. Spieghel had zoo te doen vóórgesteld, maar ’t werd geen algemeen gebruik. Nu en dan komt het in Hooft’s schrijven nog te voorschijn. Zie over die verschillende o-klinkers en die onderscheiding het voortreffelijke proefschrift van Dr. K. Kooiman, De Twe-spraeck vande Nederduitsche Letterkunst uitgegeven en toegelicht 1913, alwaar de verdere litteratuur opgegeven; 130–135)

502. dickheyt der ooghen: vgl. 497: eigenlijk grauwe staar? Vgl. iemand “de schillen van de oogen lichten”; de “schellen vallen” iemand “van de oogen”. Kil: Schelle in d’ooghe: nervosa quaedam in oculis adnatae membrane excrescentia: onyx, albugo. Vgl. Hertsp. III, 48: “dwaalbaar ewigh blijven zij, die sporen ..., in laat-dunks schaduw-licht, Zo uyt als hoogh te zien, met perl (Kil. perle in d’oogge = argema, albugo) of schil-gezicht”.

511. 511–512 bevat de toelichting tot “dat sy niet kan” in 510. “Dat” in “dat kan zy niet” 511b slaat op “sy wil al willen dat ghy wilt”. 511a; “het” in “soo langh ghy ’t haer verbiedt” 512b slaat op het één willen zijn, waarvan in deze regels sprake is: “dat sy niet kan” 510 is dus aan te vullen met: zonder te sterven. Vgl. Kollewijn, Slothouwer.

517–518. vgl. voor rijm en rythme 256–57.—Iets anders 177–78 483–84.

523. Gij vliegt te hoog met uw gedachten.—Houdt = halt! zie 1463. Halt is de later Nederlandsch geworden Duitsche vorm.

524. Namelijk de naam van Heer: “want vroeger was ik een vrij man”. Vgl. 526 (se: dien naam; “met dienstbaarheid”: tegelijk met de dienstbaarheid)’

534. “U” is accusatiefvorm in Nominativo. Vgl. “als ik hem was”. Zin: kan ik niet één zijn met u, dan zal ik tenminste uw eigendom zijn. Vgl. 504, 507–508.

541. ’t Rythme is niet: van haere schóónheytsstrael, alsof we hier met de samenstelling schoonheidsstraal te doen hadden. Hare schoonheyts is hier vooropgebrachte tweede naamval: dus = van den straal van hare schoonheid; ’t rythme is dus: van haere schóónheyts stráél, gelijk accent op schoonheid en straal. Vgl. 913: niet: van bey de, Véchterssielen, maar: van bey de Véchters sielen. En 679 waar in Uw groove lichaems kracht niet het woord lichaamskracht bedoeld is: ’t rythme is: Uw gróóve líchaems krácht, evenzwaar accent op de drie syllaben. In 803 is niet te lezen Vriéndenkeur, maar: Vriénden kéúr; vrienden is de vooropgebrachte tweede naamval van ’t meervoud.

543. eyndelijck bescheyt: afdoend (definitief) antwoord.

644. Van ’s Conings mogentheyt: evenals in de titels Zijne Majesteit, Zijne Hoogheid (vgl. hoogh in ’t Gloss.), Zijne Edelheid, Uwe Genade e.d. wordt hier de essentieele eigenschap voor den persoon genomen. Vgl. 1835.

546. Blijde Goden: vgl. θεοί μακαοες, ῥεῖα ζώοντες bij Homerus; vgl. Schiller, Das Ideal und das Leben, strophe I.

548. De Wispelturige Fortuin, uitdeelster van geluk en ongeluk is hier voorgesteld met duizend aangezichten. De Goden zullen bewerken dat zij haar lachendst aangezicht tot hem keert.

560. Dat ik voor aanzienlijk en onaanzienlijk, het gansche volk, heb doorstaan.

561. Zoo als de dingen, die ik verricht heb, het eischen: “uytgherecht” behoort bij “saken”: vgl. “ghenakende” 829, “uytghestaan” 1453, “ghedaen” 1454, “gheleden” 1455 en verder passim; “opghehoopt” 614 kan op twee wijzen worden opgevat.

653. Een zeer merkwaardige afwijking in het rijm begint hier, loopend tot 691, waarmee Tisiphernes rede een kunstig cachet krijgt: aaba—bbcb. Hierover is te lezen Dr. A. Zijderveld in Nieuwe Taalgids XII, 1913.

569. De boden der ziel zijn de zinnen, zintuigen 568. De zinnen zendt zij uit om voor haar te zien en te hooren; het vernomene deelen de zintuigen haar mede. “Dat” in 568 slaat op het “verheughen” 567.

571. Hemelsche Venus: Hooft denkt hier waarschijnlijk aan de Ἀφροδίτη Οὐρανία, die Grieksche wijsbegeerte later als de zuivere, geestelijke liefde tegenover de zinnelijke stelde. Vgl. 501–505, 774–794, 1428–1445.

574. haer verwonderen: zich verwonderen, met sterker en vaak edeler beteekenis dan nu: een en al genietende bewondering zijn.—572. het minst: iets, al is het ook nog maar zoo weinig.

578. heerschappie: viersilbig, ’t zij heerschappië, ’t zij heer schappije waarover Aant. 970.

605. Arsaces, grondvester van het Parthisch rijk.—Wiens slaat terug op mij. ’s Werelts vrees is bijstelling bij Parthen.

623b. Wat staat gij naar ’t geen ik eisch voor mij?

629. roosen: kransen van mirte en rozen waren onafscheidelijk van de gastmalen der Ouden. Bij hun drinkgelagen bestrooide men ook vloer en rustbedden met rozen.

630. Wilt gij den koning vervangen? Het is alsof S. (de verwijfde laatste koning van Assyrië) A. (den geweldigen titan der Grieksche Mythologie die den hemel op zijn schouders torst) wil aflossen.—631: “Goden past op uw hals, straks stort heel uw Hemel in!”

635a. Dul staat hier met de kracht van “dol makend” d.i. aanvurend; vgl. Baeto (Leendertz 360): “de woestmaeckende trom, d’aenschennende trompet”; vgl. droge dorst 275: die droog maakt; bleeke dood 702; “gezonde kost” e.d. “Opstekend” is eveneens aanwakkerend; zie de varianten.

657. De buien van de hartstocht (653) zijn als de wind, die zijn kracht breekt op de klippen; zoo breekt uw razernij haar kracht op den koning en ons, die u niet vreezen.

665. verbluft: Herman van Woerden vraagt in den Geeraert van Velsen (IIde Bedr., 3de Toon.: “Daer toe gheboren wy,—Dat wy, in dienstbaerheidt verbluffet, zouden teelen Voor beulen onze zoons, onz’ dochters voor bordeelen?”: hier in de sterke beteekenis die verbluffen nog in Overijselsch heeft: nl. een kind, een jongen, een jongmensch voortdurend zoodanig slecht behandelen, dat alle besef van zelfstandigheid, gevoel v. eigenwaarde en behoefte aan vrijheid en daarmee alle lust en wakkerheid weggaat; van een zoodanig onderdrukt en geestelijk uitgedoofd schepsel zegt men, dat het “verbluft”, “totaal verbluft” is, dat ze ’t heelemaal “verbluft hebben”.—Maakt het in de oudere taal zooveel sterkere verbazen, in Lucifer 847 (vgl. de Aant. in de Editie van Cramer, Zw. Herdr. IV) niet een dergelijken overgang van beteekenis als verbluffen? Hier een ander etymon voor aan te nemen is wel onnoodig; Overijs. verbluffen is een sterk woord! Vgl. hiertoe Hooft Ed. Leendertz, I 38 koepl. 2, I 187; Lucifer 784; en verder vele plaatsen; Asselijn, Stiefmoer 1684, bladz. 13: “Ik laat my zo licht niet oversnorken en verbaasen” = overdonderen; vgl. Noah 47–50 IIde Bedr., en Gulden Harpe (1607) 125, “Ghy die Christum bemint, Ghesint, hem nae te volghen, Bedroeft u niet verbaest, Al schijnt by naest Dat op u raest De werelt etc.

670. De volken, waar wij als stadhouder, ieder in ’t bijzonder over gesteld zijn.

679. sonder belul: behoort bij kracht; “groove” bij lichaam.

684. ken ick haer: met eenigen klemtoon op “ick” en mèèr klemtoon op “haer” (let op het woordspel)’

690. oordelaers: de tweede syllabe is toonloos, evenals in “oordlen” 1286 en Hgd. urthel en urtheln. Vgl. vordel, leisel, achtel e.a.

697. my is datief; teghenstaen heeft hier zijn oorspr. beteekenis: “die zich tegenover mij durft stellen”.

722. van dien: “dien” is datief van dat; slaat op “het schoone” 720.

727–30. Constructie, daaruit ontstaan dat twèè constructies door elkaar gedacht worden (contaminatie): maer leyden moet etc.” doet onderstellen een voorafgaand: waartoe dient het den Herder zoo hoog te staan, daar gij hem toch niet tot Heer moogt kiezen (—maar uw leven leiden moet etc). Met dien u etc.: met een dien anderen voor u kiezen zullen, uit de weinigen die men voor u geschikt acht.—andren is vooropgebrachte tweede naamval, vgl. de Aant. bij 541.—Voor Granida, houdt zie Aant. 134.

731. wat leyder boodtschap: deze adjectiefvorm (evenals aenghenamer in dit vers) is van oorsprong een genitief na wat, in de Middeleeuwen reeds niet meer als zoodanig gevoeld: v. Helten, Vondel’s Taal 131–135. In het oud-Germaansch staat na wat de genitief meervoud en in de latere taal komt die constructie nog voor: in gevallen als wat manne dat hi es is manne meervoud maar de genitief kan niet blijken, in gevallen als wat feldere manne dat Bave was (met adjektief!) is er nog een genitief-vorm maar de verbinding werd zeker niet meer als genitief gevoeld. Later kwam na wat het enkelvoud waarbij dan het adjektief nog in den vorm met -er (van oorsprong de meervoudsvorm) kon staan, ook bij manlijke en onzijdige woorden: wat sonderlingher volck (Spaensche Brab.), wat aerdiger quant (Geestige Liedekens, in Kuisheidskamp); wat schoonder Hoy hebt gy gewonnen (Paschier de Fijne). Leyder in Granida 731 is genitief van ’t adjektief leid, leed. In dialekten zijn van dit gebruik nog sporen: in ’t boeren-Overijselsch wat schoonder kind. Vgl. in Starings Hoofdige Boer: “Wat raarder kuur!”—

753. Het braef —ghespeel van windt: het krachtig geluid der blaas-instrumenten in tegenstelling met de zachte tonen der teedere d.i. gevoelige, licht bewogen snaren van het strijk-instrument. Vgl. Pels, Horatius’ Dichtkunst (Ed. van de Werken van N. V. A. 1707, bladz. 17): De plicht der Reije was, het zy ze zong, óf speelde Op wind-, of snaartuig.

757. In regel 757 vormt spel en sang-menging één enkel woord: spel-en-sang-menging == ’t edele mengen van spel-en-sang. Spel en sang zijn samen het eerste lid van de samenstelling.—Eenigszins anders is het met 756. Gerythmeerd moet: Van ménsch of vógels kéél; niet: Van mensch of vógelskeel. Fr is hier niet een samengesteld woord; mensch of vogels is vooropgeplaatste tweede naamval, vgl. Aant. 541. Rondom 1600 kon mensch wel gelden als genitief, zooals ook vleesch (des vleesch). gras (“een bloem des gras”), maar waarschijnlijker is misschien dat de tweede naamvals-s hier bij mensch of vogel sámen behoort (naar Hooft’s bedoelen), m. of v. als eenheid genomen; of is hier vrijwel gelijkwaardig met en.

761. plach heeft hier zooals meermalen, vooral bij Cats, duratieve functie == ons pleegt: zie Spaens Heydinnetje, Zw. Herdr. I, Aant. 94 en Gloss.

766. In de Rey zijn de genietingen bezongen, die de wereld ’s menschen vijf zinnen biedt, de “gaven” van strophe I: str. II aan het gezicht; str. III aan het gehoor; str. IV aan den reuk; str. V aan den smaak; str. VI aan het gevoel. Str. IV noemt de voornaamste reukwerken: W. Myrrhe en A. zijn welriekende harsen; C. en Musc dierlijke stoffen met scherpen reuk. De ambre is hier de “grijze amber”, wel te onderscheiden van den “gelen amber” == barnsteen, en den “witten amber” == spermaceti. Zie Verdam, Mnl. Wdb. i. v. “ammer”. “Onbesmet” behoort bij “reucken”.

772. Maar gebruikt hij er meer van, dan de honger eischt.

803. Vrienden als vooropgebrachte tweede naamval. Niet te lezen: daer vriéndenkeur maar daer vriénden kéúr.—Vgl. hiervóór Aant. 541.

824. gheluck: de toevallige uitslag van het tweegevecht.

850. Kasteelen, zonder fundament in de lucht opgetrokken.

857. Achter “liefde” leze men een komma (vgl. 675) en vulle aldus aan: een onbeproefde smarte voor hem: hij heeft de liefdesmart nooit ondervonden: “daer hyse voedt in ’t harte”, 858, staat hiermede in tegenstelling, gelijk, “openbaert—niet” met “klaecht”, waarop de nadruk valt. In 859 heeft “selfs” den nadruk.

895. Indien andere lieden het verzuimen, het is, etc.

909. Maar zoo ik nu, in geval hij u verslaat, toch tegen hem op zal treden, kan ik het dan niet evengoed het eerst ondernemen? Daifilo’s antwoord is: neen, want die strijd tegen mij zal hem dan afgemat hebben en zoo lijdt hij meer gevaars van twee dan van een. “bey de vechters” 913: Ostrobas en zijn tegenpartij.

915. bleeft: Verdam, Mnl. Wdb., I, 1305–1306.

928b. leydt etc.: “ligt de moed voor hem in” = meent hij dat de moed in ijdele redeneeringen is gelegen?

932. Al verleende Vulcanus het door zijn tooverkunst dubbele hardheid.

934. Het is niet de zorg voor zijn wapenrusting, die hem ophoudt. Dàcht hij zoover (nl. aan zijn wapenrusting, om werkelijk tegen mij op te treden): als hij maar zoo ver dacht! maar dat dòèt hij niet: Ik acht veeleer etc.

949. ghewenscht: vgl. Lat. optatus, Fr. désiré, Hd. erwünscht.

963. ’t Zal noodig zijn, dat ik u de blijde maar verberge, opdat de heftigheid der blijdschap niet te veel verge van uw, door overmatige vreugd ingenomen hart en uw verteederd gemoed niet te sterk aantaste. “Van nood” 960 = noodig. “Swack” = sterk aangedaan, week.

970. heerschappie: d.i. heerschappië, viersilbig, blijkens al de volgende vijfsilbige laatste regels. Dit heerschappie stelt de vraag aan de orde of het teeken ij in Granida de waarde ie heeft, wat het oorspronkelijk had. Regel 1045–1047 keeren zije—strijen—Heerschappije als rijmwoorden terug maar ’t laatste staat hier met ij, derhalve zou 970 i drukfout kunnen zijn voor ij, maar blijkens het Handschrift (Leendertz II, 175) was het schrijf-afwijking, ouder nog niet verdwenen schrijfwijs; in ’t toenmalige schrijven kan i voor ij staan. In de i van 970 hebben we geen steun voor de meening dat we zi-je, stri-je zouden te lezen hebben. Maar, ook ij hád eenmaal de waarde i (ie). Of echter rondom 1600 in Amsterdam nog met ie-klank gesproken werden de woorden die in ’t schrijven ij hadden, dan wel reeds een ei-klank gehoord werd (de waarde van ’t oude ij-teeken was dan metéén veranderd), daarover zijn de meeningen verdeeld, uitgemaakt is dit niet. In ’t laatste geval zou ’t eerste heerschappie, 970, eenvoudig gelijk 1047 en dus i = ei zijn; in ’t eerste zou Hooft’s ij-teeken de waarde hebben van i, ie.—Men zie hierover het Aant. 501 aangehaalde proefschrift van Dr. K. Kooiman, 120–130, en de daar aangehaalde litteratuur.—In het Handschrift staat volgens Leendertz II 177 ook in 1047 heerschappie, wat de oudere schrijfwijs bevestigt, terwijl de zaak dezelfde blijft. Regel 1135–36 staat ook bij Leendertz 180 waerdije, slavernije.

1013. Dese: nl. die eerste koningen, “d’ouden” van 1020. Vgl. van de constructie 1026 waar de plur. “haer” ook op een voorafgaand sing. slaat. “rechtvaerdich” is hier rechtschapen.

1029. De oude koningen beschouwden zich als de dienaren van het volk, het regeeren als een plicht (1020), waarvan zij zich gaarne ontheven zagen, hoewel de stem des volks hun die opgelegd had.—daer, 1028, = wanneer; in ’t geval dat.

1049b. Het “trecken” van hoop en vrees: zij trekken hem a.h.w. elk naar een anderen kant.

1078. besluyt: Imperatief: Granida spreekt tot zich zelve, evenals 1085–1099, 1101–1104.

1096a. En al was dat niet zoo.

1100. Dit vers te lèzen: Daifil’. Hij keert.—Hy keert. Aym’ Ayme! Wat beswaer: “Ayme” met toonlooze e.—Toch wel = ai mij.

1102. Geen leed zou mij dan kunnen krenken; tenzij het ook u trof.

1112. Oud-Hollandsch is aan ’n zijde gaan, met het lidw. van onbepaaldheid; wij zeggen het met het bepalende lidwoord: aan de kant gaan. Alzoo een niet = één.

1118. Daifilo roept de voester om bijstand: hij begrijpt niet wat haar scheelt; in haar uitroep is iets dat hem beangst maakt.

1136. u slavernije: u ootmoedig te dienen. Vgl. 1603, 1610.

1144a. Hoe wel: mogelijk niet te lezen als ons, “hoewel”, maar hòè wèl = hòè zeer.

1160a. Zoo duur mogelijk.

1176. Dat door duizenden, als een zaligmakend leven gewenscht wordt.

1235. Vgl. 1243–1244: de Uchtend, Eos of Aurora, de godes van den dageraad bij de Ouden, de voorloopster van haar broeder Helios, de zon; hier voorgesteld met “gouden cruyn”, d. i. het bovenste gedeelte van het blondgelokte hoofd komt uit—omkranst met rozen.

1239b. Zie, hoe hij mij daar reeds ontmoet.—[Heeft de Hollandsche jagers-uitroep (bij ’t ontdekken van de haas) “waar’k’em weet!”. (“werkenweet”) ’t zelfde gebruik van waar en zelfde zinsvorm?]

1245. Reeds de Ouden hielden morgenster (Lucifer) en avondster (Hesperus) voor één en dezelfde en noemden haar de ster van Venus. Hesperus werd in den Griekschen bruilofszang gevierd, als de geleider van den optocht, die de bruid ’s avonds naar het huis van den bruidegom voerde; vgl. Vergilius, Ecloga VIII, 29, 30: vgl. 1247–1252: Zie vooral: Bruiloftsang op het Huwelijck v. W.J. Hooft en J.C. Quekels (Leendertz I, 49) evenals de Granida van 1605 (ook in den vertaalden Misogamos Leendertz I, 321, vers 23–25; vgl. Huygens Ed. Worp I, 189, 14–15); in den Bloemhof van de Nederl. Jeught, 1608, staat pag. 7 kol. II: Als die clare Maen gaet rusten Eer den rooden dach verschijnt, Staet soo schoonen sterr’, en blinckt, Die de Goden al doet lusten, Nimphe laet ons met gheneught Slijten onse jonghe jeught.—1252 “d’uw” nl. Venus: de ster zelf heet dan 1249 “Godin”. Doch mogelijk identificeert Hooft hier de ster met Venus zelf, en dan is “Godtheyt” op te vatten als in Aant. 1251 is uitgelegd.

1250. aen den avondt: òf “a. d. a.” is “van avondt”; òf “aent” behoort bij nemen = “nemen van”; (de ww. van nemen, ontvangen, verzoeken, hebben Mnl. “aan” = “bij”: nog in “ontleenen aan”, “een voorbeeld nemen aan” e. d.; vgl. Mnl. Wdb. I, 68–69).

1251. Indien ick etc.: Tisiphernes bidt de morgenster, haar heerschappij nu te eindigen, opdat Granida spoedig rijze. Dezen dag zal het huwelijk voltrokken worden en hij verlangt reeds naar den avond. Keer dan van avond des te vroeger weer: de avond, waarop (wanneer) ik (met Gr.) mij willig onder uw heerschappij zal stellen en geen Godheid vuriger dan de uwe zal vereeren. Vgl. vooral den Bruiloftsang voor W.J. Hooft, waarin de Avondstar de Gelieven “te bedt comt wijsen”, naar Oud-Grieksche opvatting.—“Godtheyt” is hier misschien = de eigenschappen van den God, i. d. beteekenis van de Godin zelve. Vgl. A. 1245.

1289b. van wythgenomen sinnen: van niet alledaagsche enigingen.

1313. ’s Nachts rust het lichaam van de vermoeienissen van den dag: toch komen de droomen dan, buitentijds, den gèèst kwellen met het leed en de moeite (arbeid), die over dag het lichaam plagen.

1323. de volle kamer: waar de kamer vol van is en geheel blaakt.

1326. Maar opdat de tegenwoordigheid van de Godheid daaraan gekend mocht worden.

1331a. Oly-kleurt ghesicht: oogen met den glans der olijf; zie variant.—H. geeft met dit epitheton het γλαυκὼπις (Αθήνη) van Homerus weer: welches einen eigenthümlichen leuchtenden Glanz der Augen ausdrückt, einen ahnlichen Glanz wie den des Mondes, der schimmernden Meeresflache, der Blätter des Oelbaums (Preller, I, 154; vgl. ald. de schildering van het uilenoog 155). Dit laatste helpt op weg: Inderdaad geldt γλαυκός ook van de ἐλάα, den olijfboom en zijn vrucht en van het ἐλαιον, de olijvenolie. Γλαυκός staat ook bij χλόη, ὀπώρἁ θάλαττα; de maan is bij Empedocles, Euripides e.a. γλαυκῶπις: de variant schijnt dus minder vreemd, groen en geel liggen dicht bij elkaar: echter treedt de voorstelling van het “schimmernde” “leuchtende” op den voorgrond. In den Brief aan de Kamer In Liefde Bloeiende 1600 spreekt Hooft van Thalia’s “groen lieflijck ooch”. Dat de Dichter juist op olijfkleurig komt, is begrijpelijk: Athene staat in de nauwste betrekking tot den olijfboom: op niet ongewone wijze wordt het attribuut der godes hier, per metonymiam, in verband gebracht met haar oogen. De jambische maat deed oly-kleurt voor olijf-kleurt kiezen; vgl. Six van Chandelier, Poësy 1657: Daar vaart Messias van de oliheuvels top (12); Het zy ontrent het dal van Josafat,—Of langs den bergh, naa ’t blad—Van d’olipruim genoemt, (104); Hoe springht de bergh en ’t olibosch? (Hemelvaartssangh 496); (God)—sondt synen vreedeboo, van booven,—Greep Engelands, en Hollands hand,—En bondt se, met den oliplant, (488): Tijdschr. III, 263.

1331b. vlechten blondt: blonde en rossige haren vinden wij door de Ouden op hoogen prijs gesteld, zoowel bij Goden en vrouwen als bij slaven en paarden. De dichters van den Renaissancetijd namen deze voorkeur over: blond haar was toen, internationaal, onafscheidelijk van de schoonheid der jeugd. Bij de Ouden zijn blond. Apollo, Demeter (Ceres), Bacchus, de Chariten, Ganymedes, Rhadamanthys, Hylas, Odysseus, Menelaus, Achilles ξανθός, flavus), e.a., vgl. Verg. Aen. XII, 605; Hor. Carm. I, 5, 4; II, 4, 14; III, 9, 19; Theokr. Eid. II, 16, 78; Catull. LXIV, 98. Bij Hooft heeten blond: Apollo, Venus, Aurora, Thalia (Leendertz I, 7), Ganymedes, Ariadne, Helena; vgl. Leend. I, 15, 21, 31, 42, 45, 54, 65, e. e.); de Vrouw “Italia” in den Br. a.d. Kamer In L. Bl.; ook Granida: 1329a; vgl. 120, 184. Bij Vondel: Apollo, Venus, de Minne-goodjes en Urania in de Geboortklock, Joseph, Ifis, Hageroos, Ursula en Aethereus en de jongeling die Ursula verschijnt, e.a.

1332. bleeckheyt des ghedaents: Uit het verband blijkt wel, dat men aan de gelaatskleur moet denken. Vgl. in het Claechleidt van 1608 (Leendertz I, 66): “haer gedaente bleeck”, van “bestorven wangen” gezegd; Geeraert van Velsen V begin (Leendertz II, 257): “bleeck ghedaene flaeuwt”. “Ghedaente” is hier = uitzien, bepaaldelijk van de kleur. Vgl. Mnl. gedane, Nat. Bl. VII, 463, VIII, 224, Mor. 3563. Wat is bleeck nu? Bij Hooft noch bij andere dichters is bleek = blank. De Godin is Granida in alles gelijk (1329) en wat Granida betreft, moeten wij aan bleekheid door hartstochtelijke liefde (voor Daifilo) denken. Bleek is de kleur van het minnewee. Horae Belgicae X, No 48: “Dijn scone verwe is bleec gheworden— Van overgroter minnen tot mi”; Cats, Spiegel v.d. Ouden en Nieuwen tijdt, deel I, Liefdes Kortsprake, staat van de jonge maagd: “Isse teer, swack, en bleyck? denckt datse bequamer is om het pack der liefden, als om meulesteenen te dragen; gelooft de Medecijnen en Natuyr-meesters, die hier in klaer spreken, en zijn gewoon te seggen: Pasles couleurs, désirs mal accomplis: Vrysters, ’t bleyck van uwe wangen Koomt van eenigh soet verlangen; Fille pasle, Demande le masle: Pleycke verwen, Paren of sterven. Zie nog Taal en Letteren VII, 209. Granida verkeert in uiterste verliefdheid, Minerva vertoont zich “Granid’in als ghelijck”, wat dan geschilderd wordt.

1335. Voorsichtigh: want “die den vrede wil, moet zich bereid houden voor den oorlog”.

1340. Crijchsduyend gras: de speer van Minerva. Minerva is zoowel godes van den oorlog als des vredes. Hier echter is de Minerva Pacifica geschilderd. De olijftak is als zoodanig haar symbool en dus het tegenteeken van den bamboesstaf (die met of zonder spits een krijgswapen beteekent), waarmede zij anders wel werd voorgesteld: “die” slaat op “olyventack”; de Ouden hadden speren en lansen van bamboesriet.—Een gras dat oorlog beduidde, is er niet. Bilderdijk raadt: “glas” voor “gras”, t.w. het kristallen schild. Maar 1605, 1615, 1636 hebben alle drie “gras”. Buitendien, conjectuur is overbodig. “Gras” is hier = riet en een vertaling van “gramen” of van “graminea hasta”. Facciolati-Forcellini (ed. 1831): Gramineae hastae sunt ex arudine Indica, Itali dicunt canna d’India, qua utebantur veteres pro hastis: de quibus ita Plinius 16, 36, 65. Arundini quidem Indicae arborea amplitudo, quales vulgo in templis videmus, h.i. in manibus simulacrorum, quemadmodum de Minerva Atheniensi ita refert Ampelius 8. Ipsa autem Dea habet hastam de gramine. Niet op deze plaats kan Hooft zijn “gras” geplukt hebben, daar Ampelius’ Liber memorialis eerst in 1638 door Salmasius werd uitgegeven. Prof. J.C.G. Boot deed ons aan de hand Cicero, In Verr. act. sec. L. IV, 56, 125, ook bij Forcellini vermeld, en hier moeten we zeker wezen. Cicero spreekt hier van den Minervatempel te Syracuse, door Verres geplunderd, non ut ab hoste aliquo, qui tamen in bello religionem et consuetudinis iura retineret, sed ut a barbaris praedonibus vexata (LV, 122). Na de beschrijving der geroofde kostbaarheden volgt er: Etiamne gramineas hastas—vidi enim vos in hoc nomine, quum testis diceret, commoveri: quod erant eius modi, ut semel vidisse satis esset: in quibus neque manu factum quidquam neque pulcritudo erat ulla, sed tantum magnitudo incredibilis, de qua vel audire satis esset, nimium videre plus quam semel: etiamne id concupisti?

1345. rust: nl. de rust, die u nu bij de goden bereid is.

1346. Die u reeds minde, toen gij nog in de wieg laagt.

1351. de weerliefd: Gelijk anders de liefde in ’t algemeen, is hier ook de “weermin” (252, 514) vernuftig gepersonificeerd en vergoddelijkt.

1359. ontslaet: Imperatief. Vgl. 1585.

1361. aentrekken: evenals “aandoen” van eigenschappen, waardigheden, het treden in een toestand; vgl. Rom. XIII, 14, Eph. IV, 24, 1 Cor. XV, 53, 54. Gr. ἐνδύομαι, lat. induo.

1375. Moeten wij aan bedaren hier niet misschien toekennen de beteekenis die zich schijnt voor te doen in Vondel’s Kranke troost, strofe III: Die het zwaert—grimmigh ruckten uit der scheide—Nu bedaert [nu weer in de scheede teruggekeerd] Wat dan de oorspr. beteekenis van bedaren zou kunnen geweest zijn. In ’t Friesch ook: “terecht komen” immers: “waar is dat bedaard?”

1395. wel geeft den zin de kracht van: ’t Is toch niet mogelijk, dát kan toch niet, dat Gij mij zoo oud hebt laten worden om....

1411. bescheiden reên: duidelijk verslag.

1419–1422. mensch = eenig mensch.—In de mythologische geschiedenis van Perseus komt ook Pallas Athene voor; en Perseus werd ook met het Perzenrijk in verband gebracht.

1427. u prijs: vgl. 1603 uw minste dienst, 1695 haer dienst: “u”, “uw”, “haer” noemen het object in het werk woordelijk begrip, zooals Spagnens haet in Huygens Aan de vrije Nederlanden = haat tègen Spanje. In 1542 kàn sijn wraeck ook ànders opgevat. Vgl. Spaens Heidinnetje, Zw. Herdr. I, Aant. 918 en 625.

1434. crachten: de Liefde wordt hier voorgesteld als een god en “crachten” zijn de daden van dien god, als openbaringen en teekenen van die krachten. Vgl. 1612.

1453–1454. Vgl. Aant. 561. Arbeyt heeft ook hier wel de ruimere beteekenis van “moeite”, “inspanning”, “zware arbeid”: vgl. 560: een beteekenis die weer in 1454 misschien ook heeft (vgl. ons in de weer zijn, zich weren). Treffende sorch: zorg die iemand niet in de kleeren gaat zitten, waarvan lichaam en geest afneemt en slijt, die je aanpakt? of = “treffelijk” d.i. “buitengewoon”, “uitstekend”, maar dan meer etymologisch = “waarvan iemand zich getroffen voelt”, “verwonderd staat”, “waar hij respect voor heeft”?

1463. Lees: besind u, houdt (halt!). Maar zie Leendertz noot.

1467. ’t Geluk, de Fortuin (als Godin, vgl. 1476: haer!) is onredelijk, niet ik.

1470. Vaetse: d.i. vatse (vaten is vatten): nl. de reden waarom de Fortuin zoo handelt: zie 1466–1470; vgl. ook 1477: “gij duidt (legt uit) het doen van het Geluk verkeerd, wilt niet naar reden luisteren”. In 1466–1470 wordt reden dan in tweeërlei zin genomen, in 1466 nl. is het = ons rede, verstand, redelijkheid, vervolgens ons reden grond, beteekenissen die beide aan reden eigen waren in de oudere taal. Bij Hooft, als bij Vondel (vgl. v. Helten Vondel’s Taal, I, 82) is het singulare reden meestal = verstand, rede, billijkheid, redeneering, reden, grond (plur. redenen en reên) en het plurale reden meestal = woorden, redeneering (sing, rede; ’t staat bijna altijd in ’t meerv., dat ook reên luidt). Vgl. nu het Gloss. op rede en reden, de plaatsen aldaar. Toch vindt men ’t wel eens andersom. En somtijds kan men niet eens zeggen met welk van de beide woorden men te doen heeft, wat z’n oorzaak o.a. ook hierin heeft, dat zoowel reden als rede de beteekenis van “redeneering” hebben kan, zooals ook wij bij redeneering dàn meer aan de woorden, dàn meer aan het redebeleid denken, dàn weer niet eigenlijk onderscheiden,—waardoor ook de pluralis reden = den singularis reden kan worden. (vgl. 1707). Soms kan men te doen hebben met den Infinitief reden (vgl. 1674). Reên 861 is wel plur. v. reden, grond. Reden 599 kan ook plur. van rede zijn, dat dan hier de beteekenis van “grond”, “aanspraak” = reden heeft.

1471. Hoe nu toe?: XVIIde-eeuwsche uitdrukking (ook hoe dàn toe?) met de kracht van “wat nu?” (“wat dàn?”), “hoe nu?” (“hoe dàn?”) [zie 1633], “wat moet ik nu?”, “wat zal er nu gebeuren?”. Hier, 1471, is men geneigd, met het oog op het antwoord (vgl. ook 1509–1513, te omschrijven: “waar moet dat naar toe?”, “waar moet dat heen?” en met dit soort van vragen komt de uitdrukking oorspronkelijk wel overeen: toe is = “verder” en geeft richting aan; vgl. ons “hoe nu verder?” en Aant. 1628.

1490a. Vgl. voor de constructie: Cats, Spaansch Heydinnetje 47: en wie het maer en sagh; 484: van die haer maer en sagh.

1495. Lees een komma achter “Van waer”: “zijn scharp—dallen” is een absolute constructie: daar zijn scherp etc. A. I. 17, 1519.

1499. beseten landen: mijn eigen landen, tegenover die welke hij van den koning bestuurt; vgl. 1507.

1509. Wat mij aangaat. Vgl.: ik voor mij.

1519. Welck pack—om draghen: absolute constructie; zie Aant. 1495. Eigenaardig is voorts de nauwe verbinding van 1519–1520 met den voorafgaanden zin door het relativum: En daar dit pak voor mij te zwaar is, behaagt het herdersleven mij beter (zie A. 1520.) Vgl. A. I. 32.

1520. doet behaghen = behaagt; subjekt is “Een lagen harders rust”. Vgl. Mnl. Wdb. i.v. doen (II 234–235). Gewoon in Duitsche dialekten; vandaar in het volksaardige lied; en bij Heine: “Sie—Thät nochmals durch das Fenster sehn”—; bij Zach. Werner: “Das grosse, das ich that vom Vater erben”—; Doch war’s, als ob sein Geist sich zwischen uns that schieben”. Er is iets voor te zeggen, dat ook 1730 zoo is op te vatten. Denk aan ’t gebruik van do in t’ Engelsch. Vgl. voor het recht verstand van deze vervoeging ’t gebruik van “doen” in 429, 657, 1060, 1240, dat wij nog kennen: “Regent het?” “Dat doet het”, “Vergissen doet hij zich zeker.”

1529b. Objects-genitief. Vgl. 1136, 1603, 1610.

Begin Vijfde Bedrijf: De geest van Ostrobas verschijnt aan Artabanus in den droom. Dit soort verschijning komt ook voor in Hooft’s Geraerdt van Velsen en Bato en in vele stukken van de XVIIde eeuw, ook bij Vondel. Vgl. ook Vondel’s Sonnet vòòr de Palamedes (’t En leed geen zeven jaar, etc.)

1561. Vgl. A. 1235, 1331 b.

1573. breijen: vgl. Gr. ὑφαίνω, Lat. texo, ons “brouwen”, “smeden”, “rokken, berokkenen” (eig. de wol op ’t spinrokken winden).

1591. Leydstar: als ster van Venus, de “poolster” wanneer zij zich richt; vgl. in het Sonnet aan de oogen van de geliefde: “Leitsterren van mijn hoop”. Vgl. A. 1245. Bij Roemer Visscher, Brabbelingh, ’t Eerste Boeck, IVC, heet het van een liefje: “Ghy zijt mijn leytster, rechtsnoer, compas en clock”.—De gewone beteekenis van Leidster is al in ’t Mnl. “de poolster” (vgl. Eng. loadstar), de bekende ster van den Kleinen Beer, “cynosura”, “tramontane” (vgl. Mnl. Wdb. en Kil.); overdrachtelijk b.v. van Maria (de Stella maris!): “die leedsterre, die ter havenen der salicheden alle menschen wel can leden” (Sevende Bliscap van Maria); bij Willems Oudvl. Liederen, 463, heet ze: O noordersterre klaer.

1595. De nachtegaal was in de middeleeuwen de vogel der liefde, die het samenzijn der minnenden vervroolijkt met zijn gezang, hun geheimen kent en hun plannen begunstigt. Dikwijls is hij de bode in het volkslied. Vgl. Kalff, Lied in de Middeleeuwen 355–363, 370.—vlied uyt geldt de vogeltjens van 1593 zoowel als den nachtegaal, maar hij moet vooruit vliegen, de eerste zijn.

1602. aen u te slaven: Hooft denkt aan lat. servire, van servus = slaven van slaaf, en construeert dus = servire cui, met datief.—Vgl. echter Mnl. dienen; en overeenkomende oud-Germaansche werkwoorden met den datief.

1603. Vgl. Aant. 1427.

1612. crachten: A. 1434.

1621. hartsen: tweede naamval van Duitschen oorsprong, afkomstig uit onder Duitschen invloed staande liederen, zeker wel de heele uitdrukking mijns hertsen bloed, die Hooft hier teeder vindt, goed om ’t gevoel van Granida te vertolken.

1627. wesen heeft den klemtoon, niet Daifílo: of ik ’t mogelijk zelf niet bèn.

1628. Nu toe = pak aan nu, flink: het zelfde aansporende en aanzettende toe, als dat wij nog hebben in: toe nu, toe dan, toe, toe toe; vgl. Aant. 1471 (vgl. Mnl. Wdb. II, 875 onderaan). Aangaande het nadrukkelijk vooropkomen van nu, vgl. 1359 en 1585.

1629. boelen: ook in goeden zin = minnen. Het is niet noodzakelijk het woord hier in onedelen zin op te vatten, tenzij “boelen” er plur. van “boel” is, dat anders, evenzeer, van geoorloofde en ongeoorloofde liefde beide geldt.

1676. Ziedaar nu zijn getrouwheid, waarvan gij den mond zoo vol hebt gehad.—Zie het Gloss. op werck maeken van.

1690. beleyt—vervolch: ik begrijp noch hoe men dit overlegd heeft (het oorspronkelijke plan), noch hoe het zich verder heeft toegedragen (de uitvoering van het plan).

1727. Bet—waerdich = waardiger: de zin is aan te vullen met “dan iemand”: gij zijt waardiger dan iemand (dan ik zelf ook!) met elkander te bezitten, dat wat gij bereid zijt, òm elkander, te ontberen: ’t is recht dat etc. Vgl. 1502.

1761. dit huwelijck maken: Inifinitief zonder “te”. Vgl. 212, 411, 1125, 1325, 1595, 1759. 1694, 1841 kunnen ook anders opgevat worden.

1767. van gouwe. Vgl. Nieuwe verbeterde Lusthof 1607, pag. 20: Gheen croon soo schoon van Gouwe; ibid. 50: Met zijnen pijl van gouwe.

1770. “Waerdich” is dierbaar en hoort bij “roem”; de dierbare, waar uw hart op roemt. (1636 heeft: uw waerdigh’.) De staf van goud 1767 is de scepter. 1767–1770 slaat op 1765–1766. De Rey prijst hem gelukkig om zijn verheffing: doch niet daarom prijzen zij hem gelukkig, dat een koninklijke staat hem te beurt valt, zij weten te goed, dat ook Daifilo zelve niet daarin het hemelhoog verheven zoekt (1767–1768 voorkomt een tegenwerping: wij weten zeer goed dat gij u den scepter niet aangenamer dan etc.): maar dìt is het, dat gij in onverbrekelijke trouw één wordt met etc.

1772. Uitverkoren eigendom.

1804. Constr.: (Het) blijckt, de Goden te begeeren dat ghy twee vereenicht blijft = het blijkt, dat de G. begeeren, dat: accusatief cum infinitivo als subject.

1807. Reeds genoeg doorgestaan.

1814. De Ouden reeds kenden het rad als teeken van het wisselvallig, het omslaande geluk (zie voor plaatsen Dr. Montijn, Spreekw. en spreekw. uitdr. der Romeinen) en de middeleeuwen namen deze voorstelling over (zie voor de Litteratuur daarover ’t Leidsche Tijdschrift XIV, 136), die juist door de plaats bij Hooft voldoende wordt toegelicht.

1846a. In teghendeel van dit: van zijn kant en in overeenstemming hier-mede: alles is nu ten goede beschikt, dat nu ook het geluk etc. Vgl. uit Cats: Daar staat de jongelingh en biet zijn rechterhant,—En krijght in tegendeel een gunstigh wederpant.

1861a. Soon v. Persen: Jacoba v. Beieren noemt zich, tijdens het leven van haar eersten man, Jan v. Touraine, den zoon van Karel VI, Koning v. Frankrijk: “Dochter van Vrancryck” (v. Mieris, Charterboek van H. en Z., IV, 394: charter v. 24 Dec. 1416). In een charter v. 13 Febr. 1418 heet Jan v. Beieren: Sone v. Henegouwe, v. Hollandt, ende v. Zeeland (v. Mieris, IV, 521; e.a.). “Sone” is Mnl. prins; vgl. Infante.

Notes in this chapter

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings