Note 31 — INLEIDING1
Reading edition
Als de Renaissanceletteren in ’t algemeen, als de Pastorale in ’t bijzonder, is Granida door en door Hoflitteratuur. Men bemerkt niet, dat er buiten het Hof en de verdichte herders nog een volk is. Dit is door de herders vervangen: doch toonbaar gemaakt, geschikt om op de hoftheaters te figureeren; of, het wordt slechts nominaal, zonder nadere aanduiding vermeld. En evenwel is dit herdersspel een vorstenspiegel. Nooit is in Europa de vrijheid en het recht van den onderdaan zoo menschonteerend met voeten getreden als toenmaals in de Italiaansche staten. De schandelijkste tyrannie gaf het land aan de meest gewetenlooze politiek prijs. Italië was een chaos, ééne zee van onbeschrijflijke verwarring: het was de schuld van haar vorsten. Alles scheen overgeleverd aan een booze macht, aan de woeste Fortuin als aan den Tyran der Tyrannen. Die Fortuin heet de dichter: Geluk! het speelzieke, het redelooze en blinde, het dolle, bulderende Geluk! De vorsten zijn haar speelballen en zij vervolgt zelfs den geringe. Wel krijgt men in Granida, evenals bij de Ouden, nù den indruk dat de Goden en het Geluk samen regeeren, dan weer dat zij afhankelijk zijn, óf het Geluk van de Goden, óf de Goden van het Geluk, maar het is toch wel zeker dat de maker meer de Bulderende gevreesd dan op de Onsterfelijken vertrouwd heeft. Ostrobas is de Tyran: de Coningh is de monarch van echt koninklijke roeping, dien de dichter tegenover hem stelt, de dienaar van zijn volk.31 De overdrijving in de karakteristiek des eenen is de satire, de onwaarheid in die des anderen is de tendens. De zachtmoedigheid, het geheele stuk door als vorstelijke eigenschap bij uitnemendheid geprezen, moet in den koning het toppunt bereiken: wreedheid kenmerkte de Italiaansche grooten. Ook is hij het type van vroomheid; met het gebed en den deemoed van een Christelijken Job, draagt hij zijn lot, als de troost van zijn ouderdom hem ontnomen is, en blijmoedig ontvangt hij den schoonzoon, die de wil der Goden hem toezendt32. Zeg niet, dat hij een idioot is: hij is de goedheid-zelve. In Daifilo heeft hij den natuurmensch zonder ondeugd ontdekt, dien hij-zelf ook voorstelt. Hij is het eens met de Voedster, dat een edel hart alle andere edele harten beminnen moet33; hij vraagt wat de mensch is, niet naar zijn afkomst en zijn bezittingen: