Note 4 — INLEIDING1
Reading edition
Overal elders in het litterarisch Europa werd in de XVIIde eeuw het galante Herderdom door de hoogere standen met open armen ontvangen. Het verhaal dezer ontvangst is even pikant als dwaas. Vorsten en vorstinnen, gravinnen en graven vertoonden het Arkadisch bedrijf, op groote schaal, in het leven-zelf. Doch in Nederland heeft het Bukolisme niet tot bloei kunnen komen. Het was hier toenmaals een tijd van groote kracht: de tijd onzer manlijke rijpheid: een tijd van groote doeleinden, van durven en wagen. Wij stonden als mannen in ons Kalvinisme: ook wij hadden onze zege’s op Spitskop. De natie was burgerlijk. Hecht was de grondslag van burgerlijke zeden, waarop het gebouw der Zeven Provinciën verrees. In zijn Houwelick (1625) heeft de veel gesmade, door slechts weinigen gekende Cats den codex neergelegd van het toenmalig huisgezin: het huisgezin, dat de maatschappij-zelve draagt. Een vonnis over Cats uit te spreken, is de XVIIde eeuw, de natie in haar besten tijd veroordeelen4. De samenleving nu, waar de wijsgeerige waarnemer zulk een wetboek uit putten kon, is noch zat, noch sentimenteel geweest. Zatheid en sentimenteelheid is willoosheid en verveling. Natuurlijke gezondheid is handelende kracht. Al heeft echter de Herderspoëzie bij ons niet willen tieren, toch neemt zij in onze Letteren een plaats in: de Renaissanceletteren waren internationaal, ondanks hun individualisme. Doch juist de geschiedenis der Bukolische Idylle te onzent bewijst, dat de Idyllische stemming ons in het Gouden Tijdperk vreemd was. Een Bukolische kleur draagt onze Litteratuur in de eerste dertig jaren der XVIIIde eeuw: hoe weinig heeft zij toen voortgebracht, dat, zich boven ’t middelmatige verheffende, van genie getuigt, van oorspronkelijk, persoonlijk leven. Vóór 1650 heeft de Italiaansche smaak eigenlijk geen vat op onze dichters kunnen krijgen. Eerst in de tweede helft der eeuw begon men zich er mee in te laten: het nationaal karakter was toen aan het verzwakken. Zoo de Pastorale in de dagen van krachtigen bloei zelfs door een van Vondel’s uitstekendste gewrochten vertegenwoordigd wordt,—de Leeuwendalers van 1647 is ook het meest nationale en meest realistische zijner drama’s: de onvervalschte Pastorale echter is realistisch noch Hollandsch. En hoe was Vondel tot het plàn van zijn Landspel gekomen? De Pastorale was overal elders ook allegorische Feest-vertooning geworden en een Landelijke Allegorie leek den Dichter de beste vorm om, heugelijk, dramatisch te vieren den vrede, die het glorierijk einde was van de rampzalige en beroerlijke tijden waarin het burgerlijke en landelijke Nederland zoolang gedompeld was geweest. Ook was Rodenburg er hem in voorgegaan de Pastorale op vaderlandsche zaken toe te passen, en dat beide stukken de personen en namen van Heereman en Vrederijck gemeen hebben, bewijst voldoende, dat Vondel deze proefneming gekend heeft5. Heel iets anders dan zijn landtooneel was ten jare 1634 de vertooning in Krul’s Amsterdamsche Muziekkamer: de tijdgenooten hebben op het Romantisch Pastorel-Musgck-Spel. dat men hier opera-achtig opvoeren zag, weinig of geen acht geslagen. Eigenaardige beteekenis heeft de Angeniet van Bredero, vijf jaren na zijn dood, in 1623 verschenen. Men mag dit stuk een zónderling soort van Pastorale noemen,—een Pastorale is het. De tegenstelling van oprechten eenvoud en verdorven beschaafdheid is er het thema. Een ongelukkige liefde had den realistischen schilder van het lagere volksleven indachtig gemaakt, hoe elders in Europa vele dichters hun teleurstellingen, hun liefdesmart in herdersdrama en herdersroman gewoon waren uit te klagen. Zoo stortte ook hij zijn hart uit over de practische lieden die penningen boven degelijkheid en talenten stellen, en geeselde er de ontrouwe coquette. Reeds in 1617 had de Trouwen Batavier van Rodenburg het licht gezien. De Leeuwendalers was ten deele aan Guarini’s Pastor fido, voor een ander deel aan Tasso’s Aminta ontleend. De Batavier is een navolging van den Pastor. Vondel’s stuk echter speelt in Arcadië: Rodenburg kiest zijn tooneel in Batavia en stelt den tijd in den tachtigjarigen oorlog, omtrent 1595 kan men zeggen misschien. Wij vinden er ons in den Haag en te Leiden verplaatst. Desniettemin is Heereman hoogepriester van Diana en afstammeling van Hercules gelijk Zeegheer van God Pan. Het is mogelijk dat de dichter (men kent hem er voor) de ongepolijste klucht langs dezen weg wou tegenwerken.5 Dit was dan een misrekening: het stuk is al te zonderling.