← Table of contents
Granida

Note 76 — INLEIDING1

Reading edition

De Lyrische poëzie der Renaissance schittert voor altijd. Het Epos kon haar bodem niet voortbrengen. Wel een Hoofsch kunstepos, niet het epos der middeleeuwen, dat uit het volk voortkomt. Ook voor het Drama zijn haar dichters bezweken. Zij volgden modellen die drama’s heetten zonder drama te zijn, en zij waren Renaissance-menschen, die niets wisten van de zedelijke natuurwetten waarvan, voor individuen en maatschappijen, de uitkomst van den strijd om het bestaan afhangt. Het wezenlijke drama echter heeft een zedelijken grondslag, het is de voorstelling van de zedewet in het menschenleven, eener hoofdgedachte des dichters. Italië heeft nieuwe dramatische genres geschapen: de Opera, de Pastorale. Juist zij bewijzen haar onvermogen. Het ondramatische gaat er vergeefs in het lyrische schuil en de scheur door het hart van Hooft’s Pastorale hebben wij aangewezen. In het Herdersspel maakt het Italiaansche drama zich los van het verkeerd klassiek model, en dit is aan de samenstelling van het geheel niet onvoordeelig geweest. Het schema van Velsen en Baeto, op die leest van Seneca geschoeid, ziet er wat anders uit dan dat van Granida. Inderdaad moet men de verdeeling der stof in bedrijven, der bedrijven in tooneelen hier prijzen: om het vroege jaar 1605, trekt men er zelfs nieuw wantrouwen uit tegen de oorspronkelijkheid. Maar het echte kunstwerk geraakt er niet door tot stand. De kranke hoofdgedachte, de nieuwe mensch, heft zich in dien mensch weer op. Het is alles zonder beginsel en innerlijke eenheid. Ook is er bij niemand een spoor van strijd. Men kende geen zedelijke conflicten. Alleen,—Tisiphernes aarzelt een oogenblik zijn helm te leenen: een punt van Eer! In overeenstemming met den tijd-zelven. En wat beslist het? Spitsvondige berekening. Ook Gij Tisiphernes!76 Niet uit elkander, maar op elkander volgen de gemoedstoestanden der helden; zonder geschiedenis zijn hunne handelingen. Dit raakt het dramatische en de karakteristiek. Al de personen zijn onveranderlijke typen. Daifilo is de gewelddadige samenvoeging van den herder en den hoveling, de vaste figuur der Pastorale. Zullen wij een scherpe kritiek gaan oefenen? Zich boos op hen maken leidt niet tot de vruchtbare beoordeeling en de verzoenende verklaring van hun bestaan. Granida is van A tot Z zulk een typisch herdersdrama, dat het juist hierdoor genietbaar is. Alles werkt er in samen tot het volledig karakter der soort en dit behaagt ons. Voor elk der personen afzonderlijk geldt dit oordeel weer. Zij spreken verstaanbaar van hun geboorte-eeuw. Zij verklaren, hoe zij geworden zijn en hoe bij elkander gekomen. Daarbuiten merken wij nog op, dat Granida zich onderscheidt door een kloekheid, die al de mannen beschaamd maakt. Zij wint het zelfs van Daifilo. Zij en haar herder brengen de handeling te weeg. Granida is, Dorilea niet meegeteld, de bestgeslaagde. Dit teekent den poëet, die meer verstand van vrouwen dan van mannen had. Zwakke mannen behoeven krachtige vrouwen. Maar ook “Granida Schoon” is, helaas! niet volmaakt. Beter dan kritiek is het, te letten op het pathos en de innigheid waarmee de gelieven hun liefde vertolken. Hierop heeft de Renaissance zich inzonderheid verstaan en men sla b.v. Boccaccio’s Amorosa Fiametta. (De verliefde Fiametta. Tot Amsterdam, voor Abraham Latham, 1661) slechts op, om de verwantschap te gevoelen. Dit plaatst ons op het rechte standpunt. Zoo zich ontboezemen als de prinses en de herder, die nooit in ’t gebruik der woorden te kort schieten; zoo als Tisiphernes nadrukkelijk, en toch niet onwaar, zijn smart en droefheid klagen; zoo echt snoeven als Ostrobas wien elk woord heilige ernst is, dàt verlangden de liefhebbers van litteraire kunst toenmaals. Zij waren hoegenaamd niet realistisch, ten minste niet als er in verzen of door herders gesproken werd. De vorm, de beoefende vorm die het bewijs der overwonnen moeielijkheid zelf was, die alles volledig zeide en toch gemakkelijk en sierlijk, dat heeft Hooft met zijn tijdgenooten in De Rojas’ Celestina, Montemayor’s Diana, in de Fiametta. in Sannazaro’s Arcadia, in Granida bewonderd. In Granida praten allen goed. Ook de Voedster is van de partij. Zij verstaan het, het juiste, werkende woord op een goede plaats te zetten. Hoe de dichter zijn taal meester is, dat bewijzen de zangen en reien, die met de menigvuldige monologen het lyrische in den dialoog versterken; Dorilea’s lied is een juweel onzer poëzie: er is geen woord te veel en alles is er in gezegd. Zijn er moeielijke plaatsen, men bedenke dat litterarische kunst niet als gesneden kòèk behoort genuttigd te worden. Ook Muziek en Schilderkunst bestudeert men, vooral als de kunstenaar boven ons staat, of ons, met of zonder tijd, vreemd is. Elk dichter van beteekenis, in verzen of proza, heeft het natuurlijk recht, niet voor iedereen en bij de eerste kennismaking amicaal te zijn. Elk vervlogen tijdvak eischt studie.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings