Note 28 — INLEIDING1
Reading edition
De boosheid en snoodheid der menschen hebben u voortgebracht! Een blind en redeloos toeval beschikt over u. Er is een tijd geweest, de dagen van het menschdom in zijn vroege jeugd, dat niemand veel en niemand weinig, dat ieder zijn toereikend deel had. Wat wist men toen van recht en wet? Toen kende men geen eigendom, men kende dienen noch gebieden. Alles was allen gemeen. O, was een lust naar meer dan nooddruft, de winzucht niet ontwaakt! De gemeenschap werd verbroken: het eigendom, de diefstal kwam. Recht en wet gingen in haar gevolg: noodzakelijk kwaad helaas! om boozer te verhoeden28.