← Table of contents
Granida

Note 77 — INLEIDING1

Reading edition

De Oudheid verwekte bij het Patriotisme een naijver, om in de moedertaal te doen, wat de Romeinen in het Latijn gedaan hadden: een letterkunde in ’t leven te roepen, die zich met de Oude vergelijken mocht. De Romeinsche Letteren, die men als model beschouwde, kenmerken zich door buitengewone zorg aan den “stijl” besteed: deels door juistheid van observatie der gedachte en daardoor volkomenheid van vorm, deels door fijn oor voor rhythme, deels door overdrijving, spel met uiterlijke fraaiigheid. Doch zij vertegenwoordigen daarin niet de volkstaal: hier is zulk een kunsttaal, schepping van talentrijke geesten uit ruwe stof. De navolging der Klassieken werd dus van-zelve taalschepping in ruimen zin. Men vormde nieuwe woorden, nieuwe vormen, een nieuwen zinsbouw, nieuwe figuren, nieuwe tropen, nieuwe stijlversieringen. Het Latijn oefende hierop grooten invloed. Vooral ook door haar Rhetorische kunst had Rome geschitterd en heel haar Letteren droegen een rhetorisch karakter. Dit voerde de Renaissance tot de vlijtigste studie van figuren, tropen en epitheta. Men beeldde zich verkeerde begrippen omtrent den kunstvorm in. Deze moet één zijn met den inhoud. De Renaissance nam den vorm voor iets zelfstandigs. Het genie hield de groote dichters op den goeden weg. Doch er is ontzettend gezondigd. Dit formalisme had nog andere oorzaken. Het taalscheppen werd verleidelijk. Men ging scheppen om het genot van het scheppen. Zoo ontstond de Vernuftspoëzie, een internationaal verschijnsel. Naarmate de oorspronkelijke kracht uitgeput raakte, ontaarde dat spelen met de taal; het werd een krankheidssymptoom. In den goeden tijd echter was het de liefde, die overdreef, die vertroetelde, die uitspatte. Het was geen aardigheid, geen zoutelooze mode, het was de eigenaardigheid van het karakter des tijds. Dat karakter nu ook van die zijde te kennen, is de eerste voorwaarde, waarvan het genieten onzer vroeg-XVIIde-eeuwsche schrijvers afhangt. Wij moeten dat “taalgenot” kunnen meegevoelen. Men vindt het beeld soms leelijk, dat Vondel den tragedie-, den hekeldichter voorstelt aan het diner van het vaderlandsch idioom te gast gaand, met den hartstochtelijken eetlust van den gastronoom.77 Maar het kan niet juister. Als wij den smaak eenmaal weg hebben, zullen wij uit ons-zelven van “lekker” gaan spreken. Men vergete niet, dat ons hedendaagsch Nederlandsch naar de driehonderd jaar gaat en toen geworden is: wat nu oud wordt, was toen jong, wat men nu napraat, werd toen gezegd omdat het juist, aanschouwelijk, weergeven van een aandoening was, wat nu gebondenheid is, was toen vrijheid. Eerst wanneer men in de taal dier groote eeuw de Republiek der Zeven Provinciën gaat voelen, zal men het rechte behagen scheppen in het treurspel van Vondel en Hooft. Dan worden wij een orgaan rijker, trekt een nieuwe werkelijkheid ons oog en gemoed binnen. Dan hooren wij den krachtigen, nationalen harteslag in de “Nederlandsche Klassieken”. Wij zullen de bladzijden met genie geschreven zien. In Granida zult gij de worsteling vernemen, de ééne groote worsteling, hier om Geestelijk Eigendom d.i. de Taal, gelijk ginds om de Vrijheid, het Recht en de Eer.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings