← Table of contents
Granida

Note 60 — INLEIDING1

Reading edition

Het door Leendertsz. uitgegeven handschrift stelt Granida in 1605. Toen althans werd het voltooid, want het is mogelijk, dat het grootste gedeelte in 1602 en 1603 ligt. Hooft was toen nog kort uit Italië terug (1601) en er schijnt ons niet onbelangrijke overeenkomst van gedachten met de Liederen dier jaren te bestaan (vgl. XXII, XXIII boven). Granida valt dan samen met zijne liefde voor W.B. en Ida Quekel60. In het handschrift is het stuk 1 Maart gedateerd. Den 15den Januari 1605 was Brechje Spiegel gestorven. Tusschen 15 Januari en 3 April ligt, behalve het grafdicht, geen enkel vers. Naar allen schijn61 heeft de Dichter afleiding gezocht in ’t arbeiden aan zijn Pastorale. Dat Hooft zich veel met Herderspoëzie had ingelaten, blijkt uit zijn kennis aan Montemayor’s roman Diana,62 uit Don Diegoos clacht,62 uit de namen van zijn schoonen. Zijn Galathea63 is zonder twijfel de Galatea van den roman van Cervantes, Chariclea64 de heldin van Heliodorus’ Chariklea en Theagenes. W.B. heet Diana. Juliette64 mag iets hebben uit te staan met Montreux’ Bergeries de Juliette, navolging van de Diana. Deze alle liggen van 1601–1603. Dan kiest hij andere namen. Maar Brechje heet, in 1604, wederom Charife, de Xarifa uit de schoonste episode van Montemayor. Den “vondt-baren Montemayor” noemde Hooft hem in 1605, toen hij Felicia, de priesteres van den Dianatempel, liet optreden in een sonnet aan Electra, de zuster der gestorven geliefde. Het vermoeden dat het herdersspel iets aan den vermaarden Spaanschen roman kon te danken hebben, bevestigde zich echter niet65. In 1609 doet Granida zelve dienst. Mithra Granida wordt dan voor goed de zondagsnaam van Christina, de echtgenoote in spe. Een jaar te voren had Hooft reeds voor W. Dia een dialoog tusschen Granida en Daifilo gedicht.66

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings