Note 53 — INLEIDING1
Reading edition
Wij hebben thans het thema onzer Pastorale uiteengezet. Doch, nog van een andere zijde eischt zij toelichting. Negatief hebben wij den tijd van haar ontstaan gezien. Ook het positieve beeld ontbreekt niet; wij gaan het opmaken uit de handelingen der personen. Is zijn omgeving zóó verdorven geweest, hoe zal de auteur zichzelven onbesmet bewaard hebben! De Renaissance was bodemloos subjectief. Er was geen bewustzijn van goed en kwaad. Genot en bevrediging der ijdelheid stonden aan het einde van alle streven. Zijn doel te bereiken was deugd. Hieraan toetste men de waarde van doen en laten, aan géén zedelijk beginsel. Evenzeer subjectief en gevaarlijk echter, hoewel dan in tegengestelde richting werkend, was de leer der “Klare, naakte waarheid, door de Natuur in ’t redelijk verstand geprent”. Tasso sprak haar uit met het woord: Wat behaagt is geoorloofd,53 en dit is de zin van den leefregel waarom de Rey van Iofferen de Nymphen benijdt in het eerste bedrijf van Granida: “Ons lusten is ons als een wet”.54 Doch wijsgeeren hebben geoordeeld, dat de verwezenlijking van dezen droom de eindpaal der geschiedenis is en Daifilo en Granida, als anticipatie’s van deze toekomst, hebben den strijd van lust en plicht niet gekend. Met wat zekerheid besluiten zij, voor de gewichtigste beslissing. Zwakheid mag de Princes, de overweging van haar best den Herder een oogenblik hebben doen aarzelen,—geen twijfel aan de wettigheid hunner keuze. Zij is wettig, want—het hart beveelt; anders: “als het meest gegrondt in reden.”55 Op zich-zelve, moet de lezer, met hen, de schaking van hun standpunt billijken. Evenwel,—de schaakpartij is, als zedelijk feit, zeer samengesteld. Laten wij kortweg vragen: bevalt u die herder? Het antwoord mag als “bekend” verondersteld worden. Vanwaar dat wij tusschen ons en Daifilo geen gemeenschap wenschen, terwijl wij hem toch voor den edelsten en beminlijksten der menschen dienen te nemen? Er steekt in Daifilo, behalve de edelste en beminlijkste der menschen, nog iemand anders: hij weet het zelf niet, hij zou zich ontzetten, wanneer hij het wist, en toch, hij is een gewetenlooze schelm, een geveinsde huichelaar en verrader. Of is hij het niet? Want voor hem, voor Granida, valt het verbrijzelen van het ouderhart, valt het verderven van het levensgeluk van een edelen Tisiphernes, valt hem verraden niet onder de zedelijke beoordeeling. Zij kunnen niet dan goed zijn. Hem en haar mag men het niet aanwrijven: wel weten ze dat zij leed berokkenen: zoo dit in tegenspraak is met hun aangeboren goedheid, deze ongerijmde schepselen hebben zich-zelve niet gemaakt, het is de schuld van hun Schepper, den dichter. Hun Schepper drage de schuld. Hij is de schelm: het kind van zijn tijd. Hij laat de Voester, in wijsheid en deugd grijs geworden, liegen en bedriegen en de Goden onteeren. Hij emancipeert Granida van haar onbesproken dochterliefde. Het is prijselijke voorzichtigheid, die aan Daifilo de woorden in den mond legt: