← Table of contents
Nederlandsche Sagen en Legenden

Kabouterwraak of de vrijage van Hilbert en Japikje

Reading edition

Ze konden bij malkander niet komen ….

Hilbert liep fluitend over 't Ellertsveld, en hij dacht aan niets. Van de andere zijde kwam Japikje, en ook zij dacht aan niets. Toen ontmoetten zij elkander, en beiden dachten ongeveer hetzelfde.

Hilbert peinsde:

“Dat is een aardig wicht, om een poossien mee te vrijen.”

En Japikje dacht:

“Dat is een aardige vent, en vroeg hij me maar, om een poossien te vrijen.”

Hilbert kwam uit het Zuiden van 't Ellertsveld, waar de manskerels niet voor een klein geruchtje vervaard zijn, en Japikje uit 't Noorden, waar de wichten zich niet laten kennen.

Ze gingen elkander voorbij, en Japikje zong:

“Moeder zet mien mussien teregt, t' Aovend kump mien vraoijer, Komp ie niet, ik hael um niet, Al komp ie van mien levent niet.”

Zingende antwoordde Hilbert:

“Spien mooi meissien spien Spienst du niet Dan wienst du niet Dan kriegst doe t' aovond oew vraoijer niet.”

Ze sloegen zich lollig tegen de dijen, keken om, en lachten tegen elkaar.

“Hoe heet je?” riep hij voortgaande.

“Alberts Japikje.”

“Ik kom Zaterdagavond, om 'n poossien te vrijen.”

“Dat mag om mien part wel wezen.”

Vervolgens liepen ze weder door, ieder de eigen richting.

Uit vreugde zong Hilbert 't lied van zijn kinderjaren:

“Rondom de ketel! Wat zullen wi t' aovend eten Broam, broam, sprikken, Leêr, leêr, lappien leêr Doe er uut en ik er weêr.”

Bladzijde 138Uit de verte schalde haar vroolijke stem:

“Haken en oogen, Tikke, takke, toogen, Wit pampier Zwart pampier Zoo komt Pouwel Jones hier.”

Toen tegelijkertijd:

“Lange, lange riegel Twintig is de stiegel, Dartig is de riegellang, Veertig is de ummegang.”

Ze keken om, en ieder zag een zwarte stip, dat was de ànder, die den volgenden Zaterdag zou vrijen.

De week was eindeloos lang. Waren dat gewone etmalen van vier en twintig uren, en was een uur niet méér dan zestig minuten? Dat was een plaagzieke zon, die in het Oosten niet wilde rijzen, naar het Zuiden niet wilde keeren, uit het Zuiden niet wilde dalen. De wijzers der klok kwamen nooit vooruit, en de koekoek kwam slechts schaarsch uit zijn huisje. Iedere dag had berouw, dat hij gekomen was.

Ten laatste echter ging de tijd zijn noodzakelijker gang. De Zaterdagavond verscheen, of hij nimmer geaarzeld had, en Hilbert liep over het Ellertsveld, naar Japikje toe. Ze wachtte hem reeds.

De avond was donker.

En ach, wat de uren in de afgeloopen week verzuimd hadden, haalden ze nu in. In een oogenblik vervloeide de donkere avond in den duisterder nacht. Vóór Hilbert eigenlijk goed begreep, dat Japikje in zijn armen had gerust, drong het fel-gewapende licht van den dag op tegen den zwarten burcht aan den horizon, en 't heir der zonnestralen deed er zijn glorieuse binnenkomste, terwijl zes hanen tegelijkertijd de blijde overwinning bazuinden.

Woorden had Hilbert niet veel. Hij keek Japikje aan, en vroeg:

Bladzijde 139Hij wachtte gespannen op haar antwoord. Doch bij haar was het … wel vrijen in den avond, doch overdag geen vertrouwelijkheid. Hij zou 't moeten ervaren, hoe er bij een Drentsch meisje, dat haar manieren kent, een groot onderscheid is tusschen minnekoozen en de liefde; om van 't huwelijk nog heelemaal niet te spreken. Ze bezag hem wel minder minachtend dan zij 't haar andere vrijers deed, bij het licht, doch hij mocht er zich nog niet op beroemen, haar uitverkorene te zijn.

“Mi lust niet, 'k doe bedanken,” lachte zij.

“Hold op met oew praeties. Ik wil oe niet, en zie, da'j een ander kriegt.”

“Mag ik dan Zaturdagavond weer een poossien met oe vrijen?”

“Nee!”

“Mag ik dan nooit weerom kommen?”

“'t Volgend jaar, niet eerder en niet later. Je mot op denzelfden dag kommen, en dan wi'k—dan wi'k—” ze schaterde, “met oe trouwen, allenig met oe.” Ze trok hem aan zijn neus, draaide in den ronde, en liep van hem weg, zonder nog om te zien. Met verwonderde domheid keek hij haar na, totdat 't laatste tipje verdwenen was.

Den volgenden Zaterdag ondernam hij denzelfden tocht als een week geleden. Zijn vriend Lammert was meegegaan, omdat hij in 't Noorden ook eens de wichten wilde zien, en hun gemeenschappelijk avontuur verbroederde hen. Ze liepen tot aan de boerderij. Alles was donker. Hilbert kuchte, floot, Lammert klopte tegen 't venster. 't Was zoo stil, als stonden ze voor een onbewoond huis.

Lammert krabde zich 't hoofd.

Bladzijde 140“Was ik maar in 't dorp gebleven,” peinsde hij wijsgeerig, “daar had ik met Trientien een puossien kunnen vrijen.”

“Waar zou ze wezen?” vroeg Hilbert.

“Dat komt er nou van, dat je mien mee wol hebben. D'r is op de stoel nog geen plaats voor een, en nou moeten wij er met ons beiden zitten.”

Eensklaps zagen ze, dat op den weg twee gestalten stonden. Er was een afrimpeling van hun wezen in het duister, of bij hun beiden even de nacht ophield, en achter hen de nacht weder begon. Zóó ook ziet ge des avonds twee boomen aan het stille pad, het donker brekende, en toch op zichzelf niet lichter dan de lucht.

“Wie zouden 't wezen”? fluisterde Hilbert.

“Ik ken ze in 't Noorden niet, en als 't donker is, zijn alle katten grauw.”

“Mij dunkt, dat 't Japikje is ….”

“Met een vrijer.”

“Was maar wat vroeger gekomen, dan had jij haar eerder gezien.”

“Stil! stil! ze hoort ons.”

“Ze zijn daar menaer aan 't smokken.”

“Mien dunkt dat ook.”

Ze slopen weg, als twee vossen, die niet bij een kippenhok kunnen komen. Ze liepen met groote passen over het Ellertsveld, den genadenloozen lach van het minnend paar achter hen. Hilbert begreep, dat hij een vol jaar had te wachten, vóór en aleer hij naar het Noorden van het veld terug behoefde te keeren.

Gelijk de week voorbijgegaan was, zich rekkende als elastiek, net of er telkens nog weer een dag aan toegevoegd werd, zóó verliep dit jaar, week aan week, en terwijl 't verleden altijd kort scheen, werden heden en toekomst eindeloos lang. Er zat geen schot in Hilbert's werk, want als een magneetnaald wendde hij zich steeds naar 't Noorden, en tuurde, of Japikje toch niet zou komen. Hij, die vroeger altijd een voorbeeld was geweest van Bladzijde 141een struischen, jongen kerel, werd nu zoo mieserig als een stadsmensch. Zingen en fluiten was eruit bij hem. 't Klonk niets anders in zijn geest dan “Japikje, Japikje” en “wat duurt een jaar toch lang.”

Één jaar?

Vijf jaar, zes jaar waren er in dat ééne jaar besloten. Maar gelukkig! ook vijf, zes jaar volgen elkander en gaan voorbij. Als van het vuur de asch, zoo blijft steeds van den tijd het verleden over, en er kwam een dag—hei! 't was in de Mei—dat Hilbert zich weder op weg begaf, naar Japikje toe, in het Noorden van het veld.

Hoe Hilbert gekleed was?

Hij kwam aan een kuil en stond stil.

Van de ruige hoogte zag hij naar beneden, en op den grond, wriemelend door elkander, waren honderden kaboutertjes tezamen. Zij hadden het druk! Tientallen deden niets anders dan hun handen in de hoogte steken, tientallen stampten met hun voetjes op den grond, anderen gingen af en aan, 't was een gewirwar, een schuddebotsen, een op en neer getril, dat je oogen je pijn deden. Ze waren allen eender gekleed: allemaal in een groen pak en met een groene broek, en witte klompen aan de voeten. Ze hadden allen grijze baarden, en een heel klein pijpje in den mond. Dunne rookwolkjes bliezen ze in de lucht.

Ineens zag een hunner Hilbert, hij stiet een ander aan, Bladzijde 142deze ander weer een ander, en eindelijk wisten zij het allen, dat er een mensch bij hen stond. Fluisterend beraadslaagden zij onder elkander. Nu had een mensch hun geheime vergaderplaats ontdekt! Jarenlang hadden zij er zich in vrede verzameld, ongestoord, en thans stond er iemand voor de kuil, en had precies gezien, wat ze deden. En ware het geweten bij allen maar zuiver geweest …. Liepen er niet onder, die de boeren op velerlei wijzen hadden geplaagd? Sommigen hadden allerlei nuttig werk verricht, de vloer in de huizen geveegd, het linnen gewasschen, de koffie gezet, het vuur aangelegd, doch anderen hadden de boter bedorven, de melk van de koeien gedronken, het touw van de geit losgemaakt, de klompen weggezet, en duizend schelmsche streken uitgehaald. 't Meest van allen vreesde een heel klein dwergje met een langen baard. Hij kroop gauw achter de anderen weg.

Hilbert van zijn kant was ook niet op zijn gemak. Al waren die honderden kaboutertje ook nog zoo klein, vereend konden ze hem heel wat moeilijkheden veroorzaken. Hij had lust terug te keeren …. Hij zou geen oogwenk hebben geaarzeld, wanneer Japikje hem niet zou gewacht hebben. Dat het juist op dezen dag geschiedde ….

De twee partijen bleven zwijgend tegenover elkander staan. Toch moest er iets gebeuren, dat toenadering bracht of afstooting.

Plotseling dacht Hilbert aan de flesch jenever, die hij bij zich had gestoken. Hij haalde ze te voorschijn, bekeek ze tegen 't licht, en lachte. De oudste der kabouters, die den langsten baard droeg, en 't grootste pijpje in den mond geklemd hield, grijnsde zoo, dat de pijp hem bijna uit den mond viel, en klapte in de handen. De overigen volgden zijn voorbeeld, en aangemoedigd door zijn vriendelijkheid, ging Hilbert bij hen in de kuil zitten. Alle kabouters verdrongen zich om hem, behalve het kleine dwergje, dat de menschen altijd zoo geplaagd had.

“Blijf vanmiddag bij ons,” stelde 't oudste kabouterke voor, “dan heb je nog tijd genoeg, om bij het wicht te komen.”

“Jawel,” zei Hilbert, “'t is ook wel heel mooi bij jullie, maar ik moet me nog verkleeden, want ik heb mijn daagsche pak aan.”

“Kom, kom—je zult er geen berouw van hebben.”

Hilbert vond 't aardig goedje, en hij wou 't tot goed vriend houden. Want als hij met Japikje ging trouwen, zou hij toch allicht een eigen boerderij bouwen, en dan kon je eigenlijk niets dan nut van de kleuters hebben. Ongemerkt zouden ze heel wat werk voor hem kunnen verrichten. Ze konden alles, de kabouterkes. Niet alleen in smidswerk waren zij bedreven, doch bakken, boenen, strijken, wasschen, melken, slachten, ploegen, maaien, zaaien, timmeren, metselen, koken, beestenvoeren, al, wat in een boerengedoente te pas kwam, verrichtten zij.

Hij haalde de jeneverflesch voor den dag, en nog dichter kwamen de guurkes bij hem. Ze klommen bij tientallen op zijn knieën en keken begeerig naar den kostelijken drank.

“Da's klare jenever,” zeide Hilbert, “en nou wil ik dat onder jullie allemaal verdeelen. Daar hoeft niets van over te blijven. Elk krijgt zijn deel, de een niet meer dan de ander, en nu opgepast!”

Hij reikte de flesch 't eerst aan den hoofdman, die, de zware vracht handig tillend, zoodat de kleine vingertjes ze niet konden laten vallen, ze hoog boven zijn hoofd hield, en behendig een vallenden druppel in zijn mond ving. De anderen keken nauwlettend toe—en ziet! ieder kreeg precies een druppel en niets meer.

Ze smakten met de lippen, en hun tongen zochten in Bladzijde 144de mondhoeken, of er soms nog een spritseltje was overgebleven. Ze werden allen vroolijk, dansten hand in hand, en allen waren ze vergeten, dat er nog een klein kaboutertje bestond, dat nog niets had gekregen. Het had zijn kopje boven den kuil gestoken, waarin het zich verstopt had—eerst kwam 't voorhoofd met diepe rimpels, toen de glinsterende, graag-kijkende oogen, toen de snuffelende neus, en eindelijk de mond. Ook hij stak zijn tong uit, echter niet, omdat hij nog wat wilde likkebaarden, doch omdat hij van de kostelijke gave verstoken werd. Hij zag, dat de flesch bij Hilbert lag. Voorzichtig, op zijn handen en voeten kroop hij erheen. Telkens lag hij even stil, gelijk een rups doet, die een hinderend takje of boomblad op haar weg vindt. Dan gluurde hij naar Hilbert, want hij vreesde, dat het mensch hem bij nadering zou grijpen en aframmelen. Eindelijk was hij bij de flesch.

Hilbert had tot nu toe gedaan, of hij hem niet zag. Toen 't kleine kaboutertje dichtbij hem stond, en de flesch aan de lippen wilde brengen, keek hij hem aan en zeide:

“Er is niets meer in.”

Meteen begon hij te lachen.

“Dat valt ook niet mee, kabouter.”

Het guurke zette een boos gezicht. De rimpels van zijn voorhoofd trok hij in de hoogte, zijn oogen vernauwde hij, zijn mond zette hij vooruit. Zijn kleine handjes balde hij tot vuisten, en dreigend schudde hij ze.

“Dat zal ik je betaald zetten, boer,” zeide hij ten laatste.

Hilbert schaterde het uit.

“Probeer 't maar, kleine kleuter, als je kunt.”

Niemand van de overige kabouters, die 't veel te druk hadden met zang en dans, bemerkte, wat er was geschied. Anders hadden ze hem zeker gewaarschuwd, want het was een gevaarlijk guurke, dat het anderen terdege lastig wist te maken. Een kwaadaardig en eigengereid ventje, even listig als hij klein was, de eerste bij plagerijen, de laatste als een moedige daad moest worden verricht. En Bladzijde 145bang voor zijn hachje …! Een echte slechte kabouter was hij. Dien had Hilbert nu tot vijand! Ware hij maar niet bij het kleine volkje gebleven.

Hij keek glimlachend toe, hoe de kabouters rondom hem sprongen en dansten, en, toen het eindelijk tijd voor hem werd—hij moest nog vóór middernacht bij Japikje zijn—drukte hij bij het oudste guurke zijn spijt uit, dat hij niet langer kon blijven.

“Kom maar gauw bij ons terug,” noodigde deze.

“Zeker, zeker, dat beloof ik je.”

“En als je ons noodig hebt, kom dan maar héél gauw bij ons. We zullen je overal mee helpen.”

De slechte kabouter stak weer zijn tong uit, en vloog gauw in 't holletje, om te bespieden, welken kant Hilbert gaan zou.

Zoodra hij het had gezien, sprong hij uit zijn schuilplaats te voorschijn, en hij hem na! Hij dook als Hilbert zijn gang matigde, in een groef of spleet, achter een struikje, in een wagenspoor, en dan draafde hij weer, om den verloren afstand te herwinnen.

Hilbert bleef even voor de Gietensche herberg staan, ging naar binnen, en deed zijn flesch weer vullen. Hierna kwam hij buiten, keek naar de flesch, nam een stevigen slok, en trok verder.

Telkens keek hij op zijn horloge, en zuchtte dan. Hij was veel te lang bij de kabouters gebleven. Hij zou zich moeten haasten. Hij had zich ook nog te verkleeden. Waarom had hij dat niet in de Gietensche herberg gedaan? Hij repte zich, wat hij kon. De kabouter had moeite hem bij te houden: voortdurend moest hij kleine sprongetjes maken, om geen terrein te verspelen. Hij ook hoopte, dat 't avontuur spoedig geëindigd zou zijn … want na twaalf uur 's nachts hebben kwade geesten geen toovermacht meer … en 't was al bij tienen.

Wat die mensch ook voor vreemdigheid uithaalde. Hij liep weer een herberg binnen. 't Kaboutertje keek door Bladzijde 146de ruiten, wat hij daar in 't schild voerde. 't Zag … 't Zag, dat Hilbert zijn daagsche pak uittrok, en 't Zondagsche wilde aanschieten. Op dat oogenblik liep het haastig de gelagkamer in—door niemand bemerkt en voor Hilbert begrijpen kon, wat er gebeurde, sprak het een spreuk, en jas, broek en vest vlogen de deur uit, of ze vleugelen hadden ….

Hilbert liep de vluchtelingen na, niet anders denkende, dan dat een rukwind ze had medegesleurd, en dat hij ze wel pakken zou, vóór hij vijf minuten verder was. Ze fladderden hooger dan hij-zelf, en hij had dus te springen, om ze te bereiken. Het was een storm, zooals hij er nog nooit een gekend had; alleen, waar de kleeren waren, woei de rukwind, en met zóó tergende behendigheid, dat jas, broek en vest, wanneer Hilbert's handen juist lot grijpen stonden, weder opvlogen, vlugge vogels gelijk.

Hij was eenigszins gerustgesteld, dat ze den kant gingen van Japikje's huis. Wanneer zij een andere richting hadden gekozen, ware hij zeker te laat gekomen. Nu was er nog kans, dat hij vóór twaalf uur bij Japikje zou zijn, en dan! het zou een vroolijke bruiloft worden.

Doch terwijl hij dit peinsde, schoot een andere, vreeselijke gedachte kriskras door zijn brein, en hieuw zijn hoop aan stukken.

Hij kon toch niet zóó bij Japikje komen. Hij had zijn daagsche pak in de herberg gelaten, en zijn Zondagsche was aan den haal. Het mocht kosten, wat het wilde, hij zou en moest zijn beste kleeren terughebben.

De woeste jacht begon.

't Kleine kaboutertje klom hem tegen de beenen op, en klemde zich met allebei zijn handjes vast. Anders zou het hem niet hebben kunnen bijhouden. 't Ging over gebaande en ongebaande wegen, over slooten, greppels, heggen, kuilen, en gelijk in een droom—maar 't was de spottende werkelijkheid, helaas—liep Hilbert achter zijn kleeren aan. 't Vreemde van de zaak was, dat ze soms Bladzijde 147op hem schenen te wachten, daar zij vlugger waren dan hij. Als hij ze dan pakken wilde, vlogen ze weg, en dan hoorde Hilbert ergens dichtbij hem een honenden lach … van den kleinen kabouter, die tegen zijn beenen leunde.

Figuur 12.

't Klein Kaboutertje klom hem tegen de beenen op
't Klein Kaboutertje klom hem tegen de beenen op

't Klein Kaboutertje klom hem tegen de beenen op

Bij Japikje's huis hielden zij stil.

Hijgende rende Hilbert erheen. Het was zijn laatste kans.

De kleeren konden niet verder, meende hij. Haastig keek hij op zijn horloge. Het was op slag van twaalven. Hij zag door 't venster. In de kamer zat Japikje met drie vrijers. Hij had zich te haasten.

Woest snelde hij naar de kleeren.

Ze ijlden in de hoogte, ze bleven zweven in de lucht, ze doken in den schoorsteen, en, nadat hij weder naar het venster was geloopen, bemerkte hij, dat ze zich kalm tegen de schouw hadden gevleid, en dat Japikje met de vrijers vol verwondering het vreemde schouwspel bestaarden.

Op dit oogenblik sloeg het twaalf uren.

Hilbert zag, dat het kaboutertje van zijn beenen sprong, een langen neus maakte, en weg-ijlde. Hij begreep, wie hem zoo leelijke poets had gebakken.

Toen riep hij naar binnen, dat men 't pak zou reiken, en hij kleedde zich aan, om zijn vonnis te vernemen.

Dat was lang niet malsch!

Waarom hij zoo laat kwam?

Dan had hij zich maar niet bij de kabouters moeten ophouden!

Waarom zijn pak zoo stoffig was?

Dan had hij maar beter uit zijn oogen moeten kijken.

Of ze nog met hem zou trouwen?

Ja, maar dit jaar niet! Hij moest het volgend jaar op denzelfden dag terugkomen. Want ze vond hem wel een aardige vent ….

Dit is de historie van Hilbert en Japikje die niet konden trouwen, daar hij een kabouter tot vijand had. Houd allen de kabouters tot vriend, want nuttige kereltjes zijn Bladzijde 148het, als ze willen, in huis en hof, en schuur en stal, bekwaam vooral met ijzerwerk. Daarom ook zijn ze als de smeden, blijde om een lied. Doch waar zij huns gelijke niet in hebben, dat is in 't bedenken van een plagerij. Wees dus voorzichtiger dan Hilbert, als ge uw Japikje op tijd wilt krijgen; en trek uw Zondagsche pak aan.

Het is de moraal van deze historie, en een andere moraal is er niet te vinden. Bladzijde 149

1 Elkaar.

3 Meisje.

4 Ham.

Notes in this chapter

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings