Mirjam, sage uit den Achterhoek
Reading edition
Het was in den jare veertien honderd negen en dertig, dat er Groote Sterfte over de menschheid kwam, en de taak van den Dood niet wilde eindigen. Zwart waren Zijn knokels. Op een zwart paard reed Hij, zwart waren de toomen, zwart het zadel, zwart 't ijzer van de zeis, waarmede Hij sloeg. Men noemde Hem den Zwarten Dood.
Waar was Hij niet geweest?
Uit het Oosten was Hij gekomen, over de Hongaarsche landen tot Weenen, waar Hij langen tijd had vertoefd. Verder was Hij gegaan, als een onverwinbaar held. Weeklachten waren er aan alle kanten. Hij reed stapvoets langs de wereld, maaiende, alwaar het leven had gezaaid. Lees de oude kronieken over Hem. Bij honderdtallen verzamelden zich de menschen, mannen en vrouwen, om Hem te vermurwen: gezamenlijk vereenden ze zich ten gebed, ze geeselden zich en elkander. Doch de Zwarte Dood zag en hoorde niet naar hen, want Hij was gekomen, om te verderven, en het Noodlot bestuurde Zijn onstuitbaren tocht.
Ook in het dorpje Ruurloo was Hij binnengereden, en sinds dien week Hij niet meer. Eenige dagen voor zijn komst hadden pelgrims uit het Heilige Land bij de bron overnacht, ze waren bij het eerste zonnelicht weder verdwenen. De meisjes uit 't gehucht waren den uchtend naar de bron getrokken, en hadden de kruiken vol met water geschept, gelijk 't hare gewoonte was. En daarna werd ieder, die van het water had gedronken, ziek: de Zwarte Dood boog zich over het krommend lijf, onbewogen sloeg Hij toe. De pijn bleef in houding en gelaat van den geslagene.
Figuur 10.

… En de Taak van den Dood niet wilde eindigen
Niet alleen, dat hij, die water dronk uit deze bron, werd gedood, doch alle bronnen, behalve die van het kasteel, waren door den vloek getroffen. Toen zeide men, dat de Joden het water hadden vergiftigd. En de Joden vluchtten uit Ruurloo, met achterlating van have en goed, ze liepen Bladzijde 102tot waar de Zwarte Dood nog niet genaderd was. Alleen de oude Abraham en zijn schoone dochter Mirjam bleven in het dorp. Want Abraham was te oud, om te gaan en Mirjam was te schoon, om niet door den ridder van Ruurloo te worden beschermd.
De Zwarte Dood reed op Zijn zwart paard. Bijna geen huis, op eenigen afstand van het slot, of Hij was er de gast, die roofde en moordde.
Toen kwamen zij, die gespaard waren tezamen, en ze riepen dat men Abraham en Mirjam zou dooden. Want de joden hadden de bronnen vergiftigd, en vergelding vroegen ze om het vreeselijk misdrijf, waaraan zich de beiden hadden schuldig gemaakt.
De jonge ridder in het zwaar-beschut kasteel lachte achter zijn muren. Des avonds, als Mirjam bij hem kwam, stelde zijn lach haar gerust. Den dag daarna echter, wanneer de dorpelingen haar dreigend voorbijgingen, vloeken en scheldwoorden verborgen in hun ziel, was 't haar, of geen macht ter wereld haar zou kunnen redden. En ze smeekte den ridder van Ruurloo haar en haar vader onderdak te geven achter de poorten van het slot. Want van haar vader wilde ze niet scheiden.
“Mirjam!” lachte de jonge ridder lichtzinnig, “kom met je vader, den ouden Jood, bij me wonen. Zijn gezicht alleen is wel in staat, om de bron te vergiftigen, maar zoolang jij bij me bent, vrees ik dit gevaar niet.”
De Zwarte Dood reed langs 't zonnig riviertje de Berkel, en de Groote Sterfte hield aan. Hij kwam in 't stedeke Borkuloo, Zijn paard zag men in Lochem en Zutphen, en het spoor van den hoef langs de wegen van den IJsel. T'elken avond was hij weder in Ruurloo, en men ontdekte Hem, den stillen, eenzamen ruiter, bij de brug van het kasteel, zijn handen tot vuisten ballend, om de grens, die Hem werd gesteld. De ridder lachte, sloot Mirjam in zijn armen en kuste haar den rooden mond.
Bladzijde 103Toen geviel het, dat de moeder des ridders hem berispte om de Jodendeerne, die hij in zijn slot woonplaats verstrekt had. Ze zeide hem, dat hij moest huwen met een eerbaar en adellijk meisje; ze zeide hem, dat hij Abraham en Mirjam moest dooden.
Daar Mirjam hare woorden had gehoord, dreigde zij hem, toen ze weder tezamen waren:
“Ridder van Ruurloo! ik weet het lot der vrouwen, zooals ik er een ben, gelijk ik het lot der bloesemen weet. Daarom zal ik me niet wreken, als gij mij verstoot. Doch bij den eeuwigen God! als ge mijn ouden vader met uwe hand aanvat, zijn uwe dagen geteld.”
Hij lachte, en antwoordde niet.
Vijf dagen hadden hun taak volbracht, en de zesde was gekomen. Over Mirjam's woorden had de ridder niet nagedacht; de andere woorden, die zijn moeder had gesproken, drongen ze gemakkelijk weg. In zijn geweten was noch een goede, noch een kwade stem, gelijk alle stemmen zwijgen binnen het geweten van den lichtzinnige. Hij dacht niet na over de toekomst. Zooals het lot kwam, geschiedde het voor hem.
Hij zag Machteld, en zijn moeder vroeg hem, of hij niet wist, dat zij de rijkste en schoonste was van Brabants jonkvrouwen. En ziet! haar rijkdom bekoorde hem. Te mogen rossen en brassen, iederen dag weder, uit de eeuwige schat. Hij stelde het zich al voor, zonder gedachte, met zinnelijken blik, hoe hij de fraaist-gekleede ridder zijn zou ver in den contrije, en hoe hij Mirjam zou blijven bekoren.
Zijn moeder echter waakte meer over zijn zieleheil dan hij-zelf. Hier was 't de klank van haar stem, daar was het een gebaar—hier was het een zwijgen, daar was het een woord, zooals vrouwen het slechts weten te zeggen.
Stug wachtte Machteld een dag den jongen, lichtzinnigen minnaar.
“Waarom leven de Jood en de Jodin op het kasteel?” Bladzijde 104waren haar booze woorden. “Vang ze en doe ze levend verbranden. Ik zal uw vrouw niet worden, als ge aan dit bevel niet gehoorzaamt.”
Hij bezag haar even, en haalde zijn schouders op.
“Het zal gebeuren,” zeide hij onverschillig.
Maar toen zijn mannen kwamen, om de beiden te grijpen, vonden ze er slechts één: den ouden Abraham. Ze sleepten hem over den hof, en wierpen hem in het kot. Dienzelfden avond bracht men hem reeds ter dood.
En de Zwarte Dood had Ruurloo verlaten. Niet meer werd Hij bij het kasteel gezien, tot den nacht voor de bruiloft. Hoog zat Hij op Zijn roerloos ros, en zwarter waren Hij en Zijn dier dan de nacht om hen. Hij balde Zijn handen niet tot vuisten. Zijn sikkel hing over Zijn schouder.
Toen de wachter den hoorn stiet, deed Hij zijn paard langzaam wenden. Men kon zeggen, dat Hij een droom geweest was, want er waren nu geen sporen op den weg, en in den luisterrijken morgen ontdekte men niets meer van Hem.
Onbekommerd waren de bruid en de bruidegom. Waarom zouden ze vreezen? Jong en rijk en schoon waren ze beiden. 't Leven was een gloed voor hen, en terwijl ze in de zaal stonden, scheen het, of ze gewarmd werden door het zonnelicht. Ze glimlachten van gedachteloos geluk. Zou de dag van morgen niet even wonderlijk zijn als deze dag?
Een dienaar naderde den jongen, blonden ridder, en fluisterde.
Buiten wachtte een heidin, die kon waarzeggen.
Waarom zou ze niet binnen treden, en hun het geluk voorspellen? Was de groote wereld niet van hen? Als ze de waarheid zeide, zou ze goud verdienen. Ook de moeder glimlachte, de gasten glimlachten.
Duister trad een gesluierde vrouw binnen het zonnelicht van hun aller verwachting.
Bladzijde 105“Wie eerst?” vroeg ze heesch.
“De bruid,” riep de bruidegom.
Ze naderde, en zag haar hand. Zonder ze aan te raken.
“Maagd en vrouw. Gehuwd en weduwe. Het klooster en het graf,” zeide ze zachtjes.
“Ge liegt,” schreeuwde de bruidegom.
Het zonnelicht was uit de zaal geweken. Alles was in valen schemer verborgen. Onbewegelijk stonden de gasten, wachtend op meer.
De heidinne richtte zich recht uit haar gebogenheid. Terug den sluier.
“Mirjam.”
“Mirjam,” echode haar stem. Ze naderde den ridder, en zag hem aan. Ze sloeg haar armen om hem heen, zóó sterk, dat zijn krachtige arm weerloos werd. En allen om hem heen stonden stil, wachtten.
“Mijn vader is dood,” klaagde ze.
“Haal haar van me af,” wilde hij roepen. Doch reeds was haar mond den zijnen genaderd. Ze kuste hem wild.
De schemer week uit de zaal. Het was duisternis. De Zwarte Dood stond aan de deur, en Zijn schaduw strekte zich uit over de dingen en levens. Toen hoorde men Mirjam's stem, in jubeling:
“Ik heb mijn vader gewroken. Ridder van Ruurloo! mijn kussen waren vergiftig. Ik ben aangetast door den Zwarten Dood—en ook gij—zult sterven—als ik—”
Ze zonk voor hem neer, zijn knieën omklemmend. Met haar laatste leven hield ze hem vast—Even nog snikte ze ….
Toen was het stil.
En allen vloden ze van den ridder van Ruurloo, niemand riep hem een vaarwel toe, noch de gasten, noch zijn moeder, noch zijn jonge, schoone bruid.
In eenzaamheid is hij gestorven. Bladzijde 106