← Table of contents
Nederlandsche Sagen en Legenden

Eleonora's Poll

Reading edition

Het waren blijde dagen voor de schoone Eleonora, toen zij heer Herman had ontmoet. Want hij was het, om wiens wil zij tot dusver had geleefd, zonder dat ze dit wist. Zoo zij vroeger had gelachen, was het door hem geweest, die niet nabij stond en toch nabij; en zoo zij had geleden in onbewuste droefgeestigheid, welke der vrouwen is, geschiedde dit, omdat ze hem nog niet had gezien en toch al van hem droomde. Zooals de mannen het werk hebben, bezitten de vrouwen de liefde. Heer Herman dacht, nadat hij haar aanschouwd had:

“Voor deze vrouw zal ik willen strijden,” en hij zeide haar dit. Wat antwoordde ze hem? Het eeuwig antwoord der liefde:

“Mijn leven is het uwe.”

Doch toen ze haar moeder bekende, dat ze heer Herman minde, zei deze:

“Voor een ander heb ik u bestemd, mijn kind!” Ze fluisterde:

“Wie is die ander, moeder?”

“Zweder.”

Zij wist, dat hij haar niet liefhad, doch wel haar goed, en ze smeekte:

“Dezen man niet.” Men luisterde niet naar haar. Men wilde, dat ze Zweder zou huwen, en op haar sterfbed zei de moeder:

“Ge moet heer Herman verzaken, mijn kind!” Ze fluisterde:

“Moet ik?”

“Zweer, dat ge Zweder zult volgen.” Zij zwoer het, en de moeder stierf, gelukkig glimlachend na haar dood, zooals zij allen, die het leven welbereid achter zich laten. Eleonora wilde haar eed niet gestand doen en niet breken. Als Zweder haar vroeg, hem te huwen, zocht ze listige voorwendsels, want ze hoopte, dat het geluk zou komen. Ze zat eenzaam op den Wildenborch en ze wachtte … Bladzijde 126ja, inderdaad wachtte zij op heer Herman, ocharme! Ze wilde hem tegemoet gaan, om tegen zijn borst te rusten, en zwijgend bij hem te zijn. Ze glimlachte: immers, ze wist zeker, dat hun dag komen moest.

“Ik heb lief,” fluisterde ze tot zichzelf.

Het zonlicht was over de wegen naar den Wildenborch, het slot, waar zij toefde.

Ze stond, en riep den torenwachter.

“Zeg mij—blaas den hoorn—als er een ridder nadert.”

Het was een droevige dag, dat hij den hoorn blies, luide over het veld. De brug werd opgelaten, en Eleonora's dienaren grepen hun wapenen. Niet een enkele ridder naderde, neen! het was Diebald, die in Zweder's naam kwam. Hij zond zijn heraut, en deze zeide:

Vrouwe Eleonora! ge zijt heer Zweder's bruid, en zult zijn vrouw worden. Wat blijft ge hem verre, vrouwe Eleonora! Waarom onthoudt ge hem den Wildenborch?”

Ze antwoordde:

“Zoo de Wildenborch heer Zweder's bezit is, waarom wil hij dan den burcht met geweld nemen? Verlangt hij zóó naar mijn erfdeel, dat hij niet wachten kan?”

“De Wildenborch komt heer Zweder rechtens toe, vrouwe Eleonora!”

Hij ging heen, en Diebald legerde zijn mannen om den Wildenborch. Zij wachtten geduldig, want er was weinig leeftocht in den burcht. Vrouwe Eleonora leerde de trouw harer lieden kennen, die den langzaam-martelenden honger niet vreesden, welke hun vleesch afvrat als een dier met scherpe tanden. Ze versaagden niet, zij leden, zoolang zij dit wilde.

Zij bad om uitkomst, want ze was angstig voor den heer Zweder, haar toekomstigen gemaal. Des nachts had ze niet geslapen en thans wachtte ze hulp, want veel zulke troostelooze nachten kon ze niet leven.

Buiten kletterden wapenen, zwaard sloeg tegen zwaard, en de brug sloeg neder met dof gedreun. De burcht was Bladzijde 127verloren, meende ze. Op het voorplein stond een ridder, nu de meester van den Wildenborch. Het vizier was gesloten, en hoog en zwijgend stond hij. De schoone Eleonora knielde, en omknelde met haar armen den ijzeren voet.

“Diebald! heer Diebald,” zoo smeekte ze weenend, “nu gij overwonnen hebt in naam van Zweder, val ik neer in het stof, zie me liggen! Dit is Wildenborch en hier hebt ge mij. Begeert gij nog meer? Dood mijn dienaren niet, ze hebben de muren verdedigd op mijn bevel.”

“En braaf hebben zij gehandeld.”

Op het vizier.

“Herman,” jubelde zij.

“Eleonora!”

“Ik dank u, Herman!”

“Ik ben ter bruiloft gekomen. Morgen zal het bruiloft zijn.”

“Van wie?” vroeg ze schalksch.

“Van ons beiden!” lachte hij.

Waar was het leed, waar was de honger? De lieden togen met boog en spies ten poorte uit, om herten en evers te jagen. De spitten blonken al, en de vrouwen gingen in het woud, om hout te sprokkelen, opdat het vuur zou laaien. Er zijn veel grootscher feesten geweest, maar geen gelukkiger. Men zong liederen ter eere van Herman en zijn vrouw; en deze dag scheen zonder begin en zonder einde, gelijk de eeuwigheid. Ja, in dezen dag was eigenlijk al hun geluk besloten, want de booze Zweder wilde zich wreken, en niet lang liet hij wachten. Men zegt, dat reeds den volgenden ochtend Herman uitreed, en dat hem toen de speer in den rug trof. De moordenaars vloden.

De knapen vlochten een baar van sterke takken, en hierop legden ze den held. Langzaam droegen ze hem naar den Wildenborch, zonder hem te wiegelen, opdat zijn pijn zoo licht mogelijk zou zijn. Wel wilde hij sterven, hoe jong hij ook was, doch dan in Eleonora's armen, en met haar zoeten troost gezegend.

Bladzijde 128De fakkels brandden in den avond.

Eleonora ging naar buiten, en ze zag haar Herman, nederliggende op de baar. Ze zag bij den glans van het vuur, dat er bloed was aan de takken en twijgen en bladeren, welke den held als laatste rustbed dienden. Met al haarliefde kuste ze hem en in dezen kus stierf hij, glimlachend.

Op een stille plaats werd zijn graf gedolven. Het lijk lag op het slotplein.

De moordenaars kwamen tot den heer Zweder, en zeiden:

“Uw vijand is niet meer.”

Toen trok hij-zelf met zijn heir naar den Wildenborch. De trompetten schalden.

“Geef over den Wildenborch! De rechtmatige heer is gekomen.”

De brug viel terneder, en de heer Zweder deed zijn intocht. Hij kwam met geopend vizier, en hij zag den doode en de levende, die erbij stond. Hij zeide:

“We zullen dat lijk dezen avond begraven.” Zij antwoordde met zachte stem:

“Het graf is reeds gedolven.” Hij lachte, of hij zeggen wilde, dat dit des te beter was. Zoodra het duister werd, reed men uit, om den doode naar de groeve te voeren. Onder de boomen was het reeds nacht, en naar de zijde der boomen dreef Eleonora haar paard. De bladeren ruischten—was er nog een ander geluid?

Nadat men den heer Herman ter aarde had besteld, ging men naar den Wildenborch terug. Alom was het nacht, en men kon elkaar niet onderscheiden. Toen gleed Eleonora van haar paard en het trouwe dier liep door. Ze ging in een greppel liggen—en het duurde niet lang, of alle klanken van den stoet, het stappen der paarden, het praten van ridders en knechten, waren vervloeid. Ze stond op, en liep naar Herman's graf.

Wat nam ze van den grond? Wat zand, en niets meer. Bleef ze nog langen tijd? Neen, ze vluchtte voor den boozen Zweder.

Bladzijde 129Ze verborg zich als het dag was. In den nacht ging ze verder.

De regen sloeg neer, en de wilde winden woeien. Op den weg—zoo zij althans een weg ging—schramde zij haar voeten aan puntige steenen.

Het was in den morgen, dat ze bij Staveren's burcht stond, en voor 't eerst trok ze overdag verder, want hertog Reinold zou haar hier beschermen. Ze had den heer Zweder nu nooit meer te duchten, zoolang ze leefde.

Ze klopte aan de poort, en ze werd binnengelaten. Ze was gekleed in het gewaad, dat ze ten uitvaart van Herman had gedragen; gebogen ging de zwarte vrouw naar de kamer, waar hertog Reinold's vrouw haar wachtte.

“Niet lang zal ik meer leven,” zoo zeide zij; “laat mij hier sterven.”

Neen, het duurde slechts korten tijd, of men groef bij het slot een graf voor de jonge vrouw, doch de meeste graven zijn dood en 't hare leeft. Des nachts ziet men haar rijzen uit Eleonora's Poll, en ze neemt van de aarde wat zand, gelijk ze eens heeft genomen van het graf bij den Wildenborch. De wind verwaait het.

Hoe vreemd ritselen er de bladeren in den herfst …. Bladzijde 130

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings