← Table of contents
Nederlandsche Sagen en Legenden

Doodendroom

Reading edition

In den nacht lag het doodenschip voor 't eiland Walcheren. Op het dek stond de zwijgende schipper. Geluidloos werkte de bemanning, en de stuurman bij het roer zag peinzend vóór zich. Op alle gezichten was 't licht der maan—maar buiten hen viel geen licht.

Er was een onzichtbare hand, die, wanneer iemand dood zou gaan, aan het venster klopte. Dan weder gleed de gedaante, wien de hand behoorde, verder, één met den nacht, zonder een trilling, zonder een nevel. Overal, waar een mensch moest sterven, klopte zij, zoo zacht, dat 't stiller was dan het ritselen van een blad. Wie kan zeggen, wat het voor geluid was? Een klanklooze klank, onweerstaanbaar voor hem, die van 't leven scheidde. Zooals in den avond een uil wiekt door de stilte, of gelijk een luwte ondeelbaar-even vaagt en vervaagt, zoo moet 't zijn geweest, dat het voor den stervende klonk—klonk?

Er was een jonge knaap, die lang ziek geweest was, en de hand aarzelde nog even. Toen gleed ze langs 't venster, en zooals een ander kind droomerig volgt 't blij geluid van trommel en fluit, wanneer 't zonnelicht schijnt, zoo stond de jonge knaap op, en volgde de geluidloosheid, die hem voorafging. Het vreemde was, dat hij zijn weg wist. Telkens stond hij even stil, als de hand der schrijdende gestalte een venster beroerde—om dan weder te volgen, wat een vormlooze, kleurlooze, alleen maar voortgaande gedaante was.

Voor een huis had hij langer te wachten dan anders.

Het was een man, iets ouder dan hij, die tot den dood werd gewekt. Altijd was deze gewoon geweest de dingen des levens te beheerschen, en hij was over de wereld gegaan, of ze een danszaal ware. Nu moest hij sterven, en hij wilde zich tegen den dood verzetten. Het wordt verteld, dat hij een meisje liefhad, en daarom niet met het doodenschip wilde varen. Toen de hand aan het raam Bladzijde 161tikte, verzette hij zich met al zijn macht tegen de verlokking, en stil wachtte hij.

De knaap buiten gevoelde een hevige pijn. Om zich heen hoorde hij overal zacht gekerm, en 't was, als klaagden en riepen duizenden stemmen van dooden. Hij zag alles door den nacht, behalve de eene gestalte, en hij zag ook den man, door de gedaante geroepen, op zijn legerstede nederliggen. Ook hij klaagde van hevige pijn. De knaap hoorde, dat hij smeekte, om nog te blijven leven.

“Een enkel jaar!” zoo riep hij. “Laat mij nog een jaar van de wereld genieten.”

Nadat hij dit had gesmeekt, schreed de gestalte verder, en de knaap volgde. Wat was het vonnis geweest? Het gekerm der dooden was opgehouden, en als de gedaante aan een venster klopte, volgde de geroepene.

Eindelijk kwamen ze allen bij het schip, en hun namen werden gefluisterd. De naam van den man was er niet bij. Ze stegen in het schip, en licht voer het over de zee, zonder dat de golven den romp raakten. Het was, als vlogen ze op de vleugelen van een vogel door de ijle lucht. Soms kwamen zij een ander schip tegen: dan zwenkte hun vaartuig niet, doch het ging recht-door, en weder kraakte geen hout.

De knaap vroeg den schipper—hij kende zijn stem niet weder—en hij meende, dat nooit meer een levend mensch ze zou kunnen hooren:

“Waarheen varen wij?”

Zacht antwoordde de schipper:

“Naar 't land van den nevel aan de overzijde der zee. Engelland noemen het de menschen. Daar zult gij in nevelen opgaan.”

“Voor hoelang?”

“Weet gij wat zeven millioen jaren zijn? Weet gij wat zeven honderd millioen jaren zijn?”

“En dan—?”

“Aan 't einde der eeuwigheid is het begin der nieuwe eeuwigheid!”

Bladzijde 162“Zal ik nooit meer naar 't levende leven terugkeeren?”

“Verlangt gij?”

“Ik hoor mijn moeder schreien.”

“Eens zult gij terugkeeren—maar niet om bij uw moeder te zijn!”

“Waarom dan?”

“Ge zult 't weten.”

In de nevelen van Engelland voer het schip. Schimmen van schemering wachtte hen, en leidden hen in 't geheimzinnig rijk. Werden ze één met den nevel, bleven zij toch bestaan binnen den nevel? Eeuwig was het stil, en er woei geen klank meer over van Zeeland, waar de levenden wonen. Als in een bosch, wanneer de nacht nabij is—iedere klank zou bevreemding wekken waren zij tezamen. Hoelang? Wie meet den tijd in de eeuwigheid?

Het was den jongen knaap, als had hij even slechts in den nevel getoefd, toen hij de gedaante weder op hem zag toeschrijden, die hem wenkte. Hij volgde haar. Het schip lag zeilree, het was met dezelfden bemand. De schipper stond op het dek, de stuurman aan het roer. Weder gleed hij over de zee.

“Hoelang is het geleden, dat ik gegaan ben?”

“Zij, die leven, noemen het een jaar.”

“Waarheen voert men mij?”

“Gij zult 't weten.”

Als een jaar geleden, zeilden zij over de zee, geen golven raakten het schip, geen ander vaartuig ontweken zij. Zelfs door de branding, in bruisend, brekend water, gleden ze ijl, en zonder schok kwamen zij aan land.

“Volg uw weg,” sprak de schipper.

Teerder dan een damp, die bij het overvloeien van den ochtend in den vollen dag het laatst op den akker blijft (even voor 't zonnelicht ze gelijk stemt met de gansche atmosfeer) sluierde zijn nevel langs de dingen des levens. Hij wist niet, of het dag was of nacht. Hij ging verder, Bladzijde 163totdat hij voor 't huis van den man stond, die vorig jaar niet sterven wilde.

Weder ging de gedaante langs de huizen. Soms bleef ze wachten, en haar, hand raakte de ruiten aan, zonder te kloppen. Toen kwam ze aan de hoeve, waar de doode hem beidde, en tezamen zagen ze naar binnen.

Figuur 15.

Toen kwamen ze aan de hoeve waar de doode hen beidde
Toen kwamen ze aan de hoeve waar de doode hen beidde

Toen kwamen ze aan de hoeve waar de doode hen beidde

De man en een vrouw zaten bij de wieg van een kind, en de vrouw neuriede een lied. Hij had zich voorovergebogen, om 't gezicht beter te zien. Daarna klopte de gedaante, onbewogen, als trof ze den man in ongeluk aan: deze stond op.

“Wat is er?” vroeg de vrouw verschrikt:

“Niet dit jaar—niet dit jaar. Ik kan dit jaar nog niet gemist worden. Ik ben gelukkig, neem een ongelukkige voor mij in de plaats.”

Weder gevoelde de doode een hevige pijn, en van alle zijden hoorden hij de klagende stemmen der gestorvenen:

“Neem weg die smart. Breng hem bij ons.”

“Spreek!” beval nu de gestalte den knaap.

Toen hoorde hij zichzelf spreken. Hij noemde den man bij zijn voornaam.

“Ga mee met ons. Je bent den dood vervallen.”

“Neen—neem” kreet de man in angst, “kom het volgend jaar weerom. Dan zeker zal ik u volgen.”

“Wat is er toch?” riep de vrouw. “Tegen wien praat je?”

“Stil … stil … 't gaat voorbij. Dit jaar niet. 't Volgend jaar.”

De doode en de gedaante schreden voort. Bij hen voegden zich de schimmen van dezen nacht. 't Schip lag klaar. Het was als altijd.

Weder werd de knaap in de nevelen opgenomen, en hij herinnerde zich niets van wat er was geschied. Het leven was niet voor en niet achter hem. Er was geen tijd geweest, en er zou geen tijd komen. Als in een diepen droom was zijn geest gezonken, doch nog peilloozer. Zoo 't leven een droom is, welk een droom is dan de dood?

Bladzijde 164Maar eensklaps, als schrok hij wakker, en met hem alle nevelen, hoorde hij duidelijk 't geluid van een menschelijke stem:

“Laat mij nog één jaar leven,” en tegelijkertijd gevoelde hij een hevige pijn, en hij hoorde zijn eigen stem en de stem der andere dooden weeklagen:

“Breng hem hier. Laat hem niet leven.”

Het ging voorbij, en de schemering herbegon. Hoevele malen dit zich herhaalde? Hoevele malen zij hoorden, dit?!:

“Ik ben gelukkig! Laat mij niet in 't geluk sterven.”

Na wat menschen jaren noemen, werd de nevel weder losgemaakt, en nogmaals voer hij van Engelland, het rijk der dooden, over de zee. De schipper zeide hem niets, nadat zij aan land waren gekomen. In onbewustheid wist hij, wat hij moest doen, en hij gleed tot aan 't huis, waar de man woonde.

De doode kon de gedachten van den levende hooren, als waren zij stemmen. Zij spraken:

“Dit jaar zal ik evenals vorig jaar weer geroepen worden. Het zal nu ook mijn tijd niet zijn …. Ik zal wel het medelijden weten op te wekken. Het is nu, dat ik in zorg verkeer, want mijn jongen moet een ambacht leeren, en voor dien mag ik niet sterven. Wie zou voor den jongen zorgen, als hij zonder vader was?”

De doode hoorde dit zoo duidelijk, of de levende met hem praatte. Hij wist, dat 't onmogelijk was, den man te waarschuwen, die de orde der wereld had verstoord. Toch trachtte hij hem te zeggen, wat hij peinsde. Hij begon weder met den voornaam.

“Je weet niet, watje wacht. Het was reeds de laatste maal, dat je het leven kon houden. Er zijn al zooveel anderen voor jou in de plaats gedood. Jij behoort niet meer in het licht, in den nevel is je woning.”

De man wist niet, dat er iets tegenover hem stond, en hij ging voort te denken:

“Ik durf niet te denken, wat er gebeurd zou zijn, wanneer Bladzijde 165ik voor dezen tijd was gestorven. Dan waren mijn vrouw en kind alleen in zorgen achtergebleven, en niemand hier was zoo barmhartig geweest, om hen te helpen. Nog veel jaren moet ik leven—misschien over twintig, dertig jaar kan ik hier gemist worden. En dan nog—Neen! ik wil wachten, tot ik oud ben, en het leven me een last is. Voor dien tijd niet—voor dien tijd niet.”

Zijn zoon trad aan de deur en ging vervolgens naar zijn vader toe. Ze spraken over de onverschillige dingen, welke van het leven zijn. Het zonlicht blonk over de wegen en het land, met blijdschap wezen zij elkander op de rijke oogsten, welke te wachten vielen, van graan en vruchten.

“Wanneer het vannacht regenen zal,” zeide de vader, “mogen wij wel 't allerbeste hopen.”

“Er is daarop geen kans,” meende de zoon. “Er zweeft geen wolkje aan de lucht.”

“Het gebeurt meer, dat er dan toch onweer komt men zegt wel eens uit een onbewolkten hemel.”

“Kom vader! dat zal wel nooit gebeuren.”

De man antwoordde niet. Hij staarde voor zich uit.

Toen zag de doode, dat in de verte de avond kwam. Het zonlicht aan den horizon werd mat-rood gesluierd, een huivering beefde door het graan, en het groen der boomen werd donkerder, ervoor was een violette tint.

“Onweer zal er niet komen,” zeide de jongen.

Ze zwegen beiden.

Langzamerhand begon de avond lucht en aarde te omvatten. Was er ginder een weg geweest, waaraan boomen stonden? Even nog geleden was de zon een vuurbol—thans was er slechts nagloeien van den ontzaglijken gloed, en overigens was 't al grauw aan den horizon. Ook het graan, ook de bongerd, ook de slooten, ook de molen werden door warrelingen van schemer omhuld, het geleek, of alles verder werd gezet dan het in den dag had gestaan, verdwijnende.

Het oogenblik kwam, dat de doode de gedaante zag Bladzijde 166schrijden, schrijdend door het koren, met rustige schreden, als iemand, die zijn plicht vervult. Ze kwam rechtstreeks naar den man, die niet sterven wilde. Ze liep niet naar het venster, om daar te kloppen. Ze bleef staan, waar de man stond, en ze sprak in menschentaal, en met menschenstem, zoodat vader en zoon haar beide verstonden.

“Jijt gij bereid?” vroeg ze zacht en mild.

“Nog één jaar.”

“Jijt gij bereid?”

“Ik moet voor mijn zoon zorgen.”

“Dat behoeft ge niet meer,” zeide ze streng.

Een bliksemstraal laaide langs den hemel, schoot naar de aarde, en doodde den jongen. De vader was ongedeerd. Twee dooden volgden de gedaante.

Achter hen klonk de wanhopige klacht van den man. “Laat mij nu ook sterven. Neem mij nu ook mede.”

“Kom,” fluisterde de gedaante. “Het schip wacht ons weder. Over dertig jaar kom ik bij den man terug. Dertig jaar heeft hij nog te leven.” Bladzijde 167

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings