Lijst van Illustraties
Reading edition
Bladz.
“Wie durft mij te vloeken—” tegenover den titel.
Niemand opende. Ze luisterde of er van binnen geen geluid kwam 15
Het polsstokspringen 21
Willem ontwaakte, richtte zich op en zag verdwaasd om zich heen 24
Zij zaten in de berookte, besmookte herberg en zopen en kaartten 42
“Reis noordwaarts, steeds naar het Noorden” 79
“O, waarde moeder Gods, gij moet mij helpen” 86
Er was een vrouw, die bij het eerste lichten van den dag om hem weende 94
De moeder was naast haar jongen neergevallen 96
… En de Taak van den Dood niet wilde eindigen 101
Zij zag haren ridder op zijn ros 117
't Klein Kaboutertje klom hem tegen de beenen op 146
Eens, dat een harer vaartuigen zeilreê lag, liet zij den schipper bij zich komen 149
Toen hij zijn kasteel naderde, reed er voor hem een donkere gedaante 159
Toen kwamen ze aan de hoeve waar de doode hen beidde 163
Ze stond voor hem, in haar rijke schoonheid 172
Ze vroegen het de aanstaande koningin, maar deze overstelpte hen zóó met woorden 185
Hij ging, buiten de stad, tot aan de plaats waar zijn zoon was gestorven 195
Woest ijlde Bles den berg af 205
Het ontstaan van verschillende Hollandsche plaatsen: Domburg 209
“Neem mij mee. Ik heb zoo naar mijn kind verlangd” 213
Hij toonde hun de ketens 235
“Spelen,” smeekte 't kind, “laten wij spelen” 246
De monnik richtte zich recht en strekte zijn hand uit
“Hoe heb ik u thans behandeld?” Vroeg hij 257
De ridder wachtte haar en hief haar op zijn paard 264Bladzijde VIII
Hij echter trok vroolijk van zijn huis het duistere leven tegemoet 278
In de hand hield hij het witte schild 295
Den dag daarna vloog uit dezelfde plek een draak, vreeswekkend van gedaante 313
Zuwaert, de martelares van Dordrecht 321
“Het is goed dat mijn zonen met u mede gaan.” 331
De storm duurde voort van eeuwigheid tot eeuwigheid 332
Bladzijde IX