← Table of contents
Nederlandsche Sagen en Legenden

De Gevangen Wolk

Reading edition

Niet rijdend op een zwart ros verscheen de Dood in de streek van den Enscheder Esch, maar sluipend als een klein wolkje, dat in een huis bleef, tot allen waren gestorven, de ouden en de jongen. Genadeloozer dan een krijgsman was deze damp, zoo smal en ijl.

“'n Blauw dämpken vleug der van duur tot duur, En woar dat blauwe dämpken kwam, Doar störf an den heerd de heldre vlam, Doar störf de boer, de vrouw, het keend Et hoes verwöj duur weer en weend.”

Het koren stond in den zomer op het veld. Waar was de hand, die het maaien kon? Het vee wachtte droomend op de weide bij de beek, gelijk alle dagen. Het sappige gras was gegeten, en het werd melktijd. De koeien snoven in de lucht, één bromde zacht, één loeide. Waar bleven de vroolijke meiden? Met langzame passen volgden de beesten elkander, telkens stilstaand, telkens snuivend, klaar blij te groeten, als de melksters naderden. De koeien waren het zoo gewoon geweest, en ze wisten zeker, dat de meiden moesten komen. Maar niemand kwam, op dezen dag. De arme dieren brulden van smart; ze riepen vele malen om barmhartigheid, maar meedoogenloos schoof de schemer over de weiden, en het duister stond aan den horizon al gereed, een hooge, zwarte ridder, wiens lange schaduw over de aarde kroop, den schemer achterna. Geen licht bleef voor den nacht gespaard.

Stil! daar kwamen de wolven naar het Aamsveen geslopen, wolf na wolf. Hadden ze het kleine witte wolkje gezien, dat langs vele hoeven ging, en dat de menschen doodde?

Dit was een tijd voor de wolven, nu de menschen leden. De nacht omsloot hun gedaanten, en dus naderden ze het land, om er heer en meester te worden voor langen tijd.

In den zomer en in den herfst bleven ze nog een eind verwijderd van de huizen, waar hun machtigste vijanden Bladzijde 107woonden, die hen uit de verte konden treffen met tandenscherpe, zonne-blinkende wapenen. Maar iets in hun bloed zeide hun, dat ze geduld moesten oefenen, en geduld kenden ze. Ze lieten zich verjagen, doch iederen dag drongen ze enkele Meters verder op dan ze vier en twintig uur geleden hadden gedurfd.

Wat de mensch was voor den wolf, was 't kleine wolkje voor den mensch, een vijand, die den dood in zijn aderen droeg.

De winter kwam, grimmig van koude. Waarom hadden de menschen geen hout gesprokkeld, om den haard te doen vlammen? Goed is het te zitten dichtbij de warmte-streefende vlam, als buiten de stormen rossen en rijden in joelende jacht. De hitte dringt tot diep in 't gebeente, en er is rossig, vertroostend licht over vloer en zolder. Zwijgen en spreken bij den brandenden haard heeft elk zijn bijzonder geluk: wie zwijgt, leert dan vele geheimen des levens, en wie spreekt, gevoelt een blij vertrouwen in de goedheid zijner vrienden.

Het verhaal zegt, dat er in dien winter nog slechts drie haarden brandden in alle de hoeven der streek. Toen naderden de wolven, niet meer stap voor stap. Ze drongen binnen in de dorpen der menschen, en in de stallen en huizen zochten ze hun woning.

“Et was in de tied van de zwatte dood, Op den Enscheder Esch was bittere nood, Op dree hofsteên alleen an den heerd glom vuur.”

En zij, die nog aan den brandenden haard zaten, waren bang voor het witte wolkje, dat zoovelen reeds had vernietigd. Ze durfden niet uit te gaan, want als ze de deur openden, kon het witte wolkje wel eens binnen glijden. Ze luisterden naar 't gehuil der wolven, en alleen de Lappe was onvervaard. De Lappe ging langs de wegen, als was er niets te koop en hij speurde naar 't witte wolkje, want hij wilde het vangen. Zoo het gevangen was, zou weder Bladzijde 108het geluk kunnen keeren in den Enscheder Esch en de heerschappij der wolven ware uit.

Doch het witte wolkje was vlugger dan de Lappe. Het was niet zoo gemakkelijk te grijpen, al loerde de boer erop, gelijk een koddebeier op een strooper. De Lappe wist echter, dat zijn dag zou komen, en dat hij het witte wolkje zou bemachtigen.

Wat moest de lente voor bruiloftsfeest houden, na zulk een winter?

“Met al wat leven har, was et edaon.”

Welk een tijd! Het gras op de velden woekerde verder, het groeide op het erf der hoeven, tot voor de deuren, die uit haar hengsels hingen, en het mos bedekte dicht vloer en dak. Waren dit ooit menschenwoningen geweest? Uit de stal eener boerderij sprong een wolf, en, o schrik! in de bedstede van Hölterhof jankten de wolvenwelpen. De wolvin stond aan de deur, ze was de wachteres der rijke hoeve.

De Lappe mocht niet slapen in deze vreeselijke dagen. Luister:

Een menschenkind kwam er na jaar en dag, Nieuwsgierig, hoe de Hof er zoo lag Zoo stil en verlaten 't huis en de stal, Hij gaat eens naar binnen. Hij staat eral, Daar! Schrik slaat hem om 't hart, ontroerd; In de bedstee iets zachtkens roert. Leeft hier nog iets, al is 't niet veel? Daar springt hem voorbij en loopt naar de deel, De wolvin, de wolvin in wilde draf In de bedstee wierp ze de welpen af.

“Hoe krijg ik hem?” dacht de Lappe.

“Hoe kom ik bij hem, zonder dat hij 't merkt?” dacht 't kleine, witte wolkje. Want, let wel, het wilde niet in gevangenschap komen, ja, het wilde nog lang in vrijheid sluipen, heel behoedzaam, om te dooden. Daarvoor was het witte wolkje geschapen.

Eens ging het te middernacht uit, en men kon het niet onderscheiden van den nevel, die over het veld was. Het wachtte geduldig in het starre maanlicht, en het vloeide nu eens laag, dan weer hoog langzaam op zijn eene doel af: 't huis van den Lappe. Het was eerst in den morgen, dat het stil in een greppel wachtte. De morgenschemering dekte het even, maar toen dacht 't kleine witte wolkje:

“Nog is het licht schuw en schemerend overal. Dit is 't uur voor mij.”

Doch de Lappe had het wel gezien, zooals iedereen wel begrijpt. Al te middernacht was hij naar buiten getreden, en in de duisternis had hij het witte wolkje wel bespeurd en al de gangen van het witte wolkje had hij gevolgd, peinzend:

“Dat komt op den Lappe af, voor den wis en drie en waarachtig! Regelrecht op mij, maar 't zal je misloopen, mijn jong.

En nadat in den morgen 't wolkje zich had verheven, om zijn hoeve binnen te gluipen, bleek het, dat niet alleen de Lappe, maar ook 't vee 't dreigend gevaar had gezien of gevoeld. Want de stomme dieren loeiden en blaatten en knorden en snoven, omdat ze wel wisten, wat het witte wolkje te bedieden had. De Lappe echter stond roerloos, of hem de heele zaak niet aanging, zijn tijd beidend.

Nu was het witte wolkje al dicht bij de hoeve, en let thans eens op. In de benedendeur der boerderijen in deze streek is een rechte paal, welke de “stipel” wordt genaamd. Bladzijde 110't Witte wolkje wist wel, dat 't voorzichtig moest zijn, en 't kroop gauw in een gat van den stipel.

Met enkele sprongen was de Lappe er al bij. Hij nam een pin, en met een forschen houw sloeg hij deze in het gat van den stipel. Het witte wolkje was gevangen, het kon niet meer naar buiten komen, en het zou me niet verwonderen, wanneer 't er nog zat. De Lappe immers was in alle ambachten thuis, en waar die een pin in den stipel slaat, daar is 't raak ook.

Dus zijn de wolven uit deze streek weder geweken, gelijk ze zijn gekomen. Uit Schouwink vluchtten ze het vrije veld in, een geheel nest van wolven, uit Groot Huntveld, uit het Lutje Holzik, uit den wijd-vermaarden Hölterhof, waarvan niets is overgebleven dan een droom en een sage. De menschen keerden weder, en menige krachtige handdruk had de slimme Lappe in dezen tijd te verduren.

Zoo ge nu gaat naar het Aamsveen, zal men u nog de plek wijzen, waar de Hölterhof heeft gestaan, en een kuil in den grond, dien men nog altijd de “wolfkuil” noemt, ter herinnering aan de dagen, dat door een klein, wit wolkje de menschen werden verslagen en de wolven gelokt.

“Maar zie, in den stipel, daar was een gat In den stipel, die in de benedendeur zat, Daar kroop 't wolkje zachtjes in, De Lappe zag 't en met een houten pin Sloeg hij 't wolkje in het kleine gat, Tot de Zwarte Dood gevangen zat.”

Bladzijde 111

Notes in this chapter

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings