← Table of contents
Nederlandsche Sagen en Legenden

Ferguut trekt op avonturen uit

Reading edition

Het was in den Pinkstertijd, en het blijde zonlicht was overal. Dit was geen dag voor koning Arthur en zijne ridders, om stil te zitten in de burcht Caradigaan, het was een dag, om te jagen. Koning Arthur kwam tot zijn heeren, tot Gawein en IJwein, tot Perchevael en Lanceloot, tot Keye en Sagremort.

“Niet wil ik zitten,” sprak hij, “want het weder is schoon en klaar. Jagen wil ik in 't woud van Goriënde het witte hert, dat zal hooren het geblaf mijner honden. Mijn wil is, dat gij mijn wil doet.”

“Wij zijn wel bereid,” zeide Gawein.

De edelknapen sprongen op, en ieder zadelde het paard van zijn heer. Koning Arthur nam zijnen horen, en hij reed voor zijn baronnen, het woud tegemoet. Dit was een dag voor koene ridderen, die niet kunnen blijven in een Bladzijde 276donkere steê, als 't zonlicht schijnt. Ja, het bosch lokte den koning snel reed hij vóór de anderen, en hij speurde overal naar 't hert. Hij riep IJwein, en men ontkoppelde de honden, alle ridderen bliezen den horen. Toen sprong 't hert op, en vlood langs de rivier, de honden basten, de jagers schoten met hun pijlen, maar 't hert ontvluchtte door het diepe water, en verborg zich in het hooge gras. Ze volgden het weder, blaffende brakken, rijdende ridders, doch 't dier, dat zij joegen, ontvlood. Toen zwoer de koning, dat hij door bosch en haag, dag en nacht, wilde rijden, om het hert te dooden, en hij beloofde een gouden beker aan hem, die het vangen zou.

Hoog zat Perchevael te paard, en volgde 't hert met zijn hond, langs berg en dal, maar 't wist hem te ontwijken. Moede werd Perchevael's brak, en de ridder sprak hem met troostende woorden toe. De hond werd krachtig door zijn stem, sprong op, en sloeg 't hert de tanden in 't vleesch. Hert en hond vlogen tezamen voort, als één dier. De ridder volgde onvermoeid.

Niet af te schudden was de brak, als de Dood zelve was hij voor 't hert, dat trotsch dook in de diepe rivier, zijn noodlot tegemoet. 't Water sloeg het met felle golven in de keel, en het dier verdronk. De hond trok hem, toen het bovendreef, aan land.

De koning kende Perchevael's horen, die luid over 't land klonk. Hij zette zijn paard aan, roepende:

“'t Hert is gevangen, ik hoor 't wel, wij willen Perchevael helpen, die het witte hert gedood heeft, de moedige held.”

Zij reden tot waar de ridder stond, en Arthur groette hem als een vriend, terwijl hij hem den beker deed reiken. De ridderen aten en dronken, het was nacht, doch de maan scheen klaar en schoon. Zij rustten dezen nacht op die plaats, en vroeg maakte men zich den volgenden dag weder op. Een edelknaap legde het witte, doode hert over een paard. Men wachtte niet lang, om naar Cardoel, 's konings stad, terug te rijden. Al rijdende kwamen ze Bladzijde 277een versterkte plaats voorbij, waar een boer woonde, die Somilet heette. Drie zonen had hij, die hij liet werken en zwoegen op het veld: twee dreven het vee, de derde ging achter den ploeg en was schamel gekleed. Toch was de boer rijk, en zijn vrouw van edelen bloede. Ferguut heette de jongen, die den ploeg dreef, en hij zag den koning met zijn ridderen rijden. O! de arme Ferguut. Hij was gewoon aan het moeilijke werk, en niet geleek hij de zoon van een rijk man. Toen de ridderen langs den akker kwamen, kwam al het leed en heimwee, dat hij zijn leven lang had gekend, in zijn hart, en angstig zag hij naar den edelen vorst, die hem voorbijreed, met alle zijn heeren. Toch wist hij niet, wie het waren, en hij vroeg het daarom een edelknaap, den laatsten van den stoet.

“Zeg me—wie de heeren zijn—die ik daar zie.”

“Het zijn de koning en de ridderen van de tafelronde,” antwoordde de knaap, “het zijn de heeren van 's konings raad.”

Droomerig zeide Ferguut, de arme jongen achter den ploeg:

“Ik zal gaan naar 's konings hof, om te wezen van zijn gevolg, en van zijn raad. De boozen zal ik van hem verjagen.”

Weg reed de dienaar. Ferguut echter spande de paarden van den ploeg, en liep snel naar zijn's vader's huis. Zonder te groeten wierp hij Somilet, den boer, het ploegijzer voor de voeten.

Zijn vader zag hem aan, en vroeg verwonderd:

“Waarom hebt gij uw werk verlaten?”

“Heer”—zoo zeide Ferguut, “ge spot met mij. Geeft mij wapens, laat mij ten hove gaan.”

De boer greep een stok, en wilde hem slaan, maar de moeder hield zijn arm tegen, hem smeekende:

“Lieve heer—och! och! gij doet kwaad, dat gij uw zoon wilt slaan.”

Toornig schreeuwde Somilet zijn zoon toe:

“Jij wilt zijn een vriend van ridderen? Ga heen en pas Bladzijde 278op het vee, dat uw zorg behoeft. Wilt ge niet achter den ploeg? Ik weet wel werk voor u. Strooi mest op het land.”

“Heer—” zoo hernam de vrouw, “verwonder u niet, dat uw zoon begeerte heeft naar wapenen; in mijn geslacht zijn vele ridderen, en mij dunkt, dat gij goed doet, om hem ten hove te laten rijden. Zijn twee broeders blijven hier, hij is de oudste, geef hem wapenen ….”

Zacht zeide ze, doch de boer verstond het wel:

“Hij kon wel eens komen tot roem en macht, want hij is een schoon en sterk man.”

Nog even praatten ze zoo tezamen, in eensgezindheid; daarna riep Somilet een jongen, opdat hij hem het harnas zou brengen, dat vele jaren ongebruikt was en bloedrood van roest, doch sterker en beter dan menige smid kon smeden; de helm was van fijn staal. Daarbij wierp Somilet een witte broek, die de knaap aandeed. Was het Ferguut, de arme boerenjongen, dapper en koen te paard gezeten, gewapend met schild en speer, met spiets en bijl? De arme Ferguut! Hij kende de wereld nog niet, met allen strijd, want achter den ploeg was hij gegaan, zijn leven lang.

Zijn moeder schreide. Hij echter trok vroolijk van zijn huis, het duistere leven tegemoet; op den eersten weg, dien hij ging, verdwaalde hij. Hij kwam in een donker bosch, en het waren roovers, die hij 't eerst zag. Ze wilden hebben zijn paard, zijn wapenen, en dan nog zijn leven. Onbeschroomd trad hij ze tegen, en hij vroeg hen, met zijn jonge stem, vol vertrouwen:

Figuur 27.

Hij echter trok vroolijk van zijn huis het duistere leven tegemoet
Hij echter trok vroolijk van zijn huis het duistere leven tegemoet

Hij echter trok vroolijk van zijn huis het duistere leven tegemoet

“Lieve heeren—zeg mij—hoe kom ik het beste naar Cardoel, wijs mij den weg. Ik wil den koning dienen, en hem raden, wat hij doen moet.”

Één der roovers lachte en zeide ten antwoord:

“In duivels naam moet dat zijn! Uw vader en grootvader waren 't niet gewoon, Ferguut, om den koning te dienen. Zij kloofden hout, zij voerden den ploeg, ze laadden mest. 't Ware beter geweest, dat ge bij uw ploeg waart gebleven. Nu zal ik u doodslaan.”

Bladzijde 279Het was de eerste strijd van Ferguut, en hij streed dezen zeer dapperlijk, zoodat twee der roovers sneuvelden. De koppen sloeg hij af en hing ze aan zijn zadel. Zoo reed hij naar Cardoel, 's konings hof.

Ach, Ferguut! Daar waren vele spotters in Cardoel. Ze lachten, toen de knaap binnenreed, maar de koning was vriendelijk voor hem, en zeide hoofsch en ernstig:

“Vriend, welkom zijt gij hier. In welk land zijt gij geboren, waar wilt gij heen? Zeg mij, wat er met u is geschied en noem mij uwen naam.

“Heer—” sprak vroom de knaap—hij had niet op het gelach der spotters gelet—“ik heet Ferguut, en om uwentwil aanvaardde ik den tocht, al waren mijn vader en moeder boos, dat ik u zoo verre volgde. Ik wil u met mijn raad bijstaan.”

Toen stond mijnheer Keye op, en zijn hoon was scherper dan een snijdend zwaard. Hij bezag den armen jongen, schudde 't hoofd en smaalde:

“Ge ziet er wel naar uit, of ge den koning met uwen raad kunt dienen. Niemand wilde ons tot dusver immers raden? 't Is goed, dat gij gekomen zijt—Er staat geschreven: ‘dien God wil helpen, heeft geen gebrek.’ Wanneer God u 't leven laat, zult gij ons goeden raad geven.”

Even zweeg mijnheer Keye. Daarna stelde hij zich dicht bij den knaap.

“Vroed en goed van wapenen zijt gij, Ferguut. Hoe schoon staat u de helm, ik denk, dat gij een koningszoon zijt. Nooit zag ik een vorst, die beter de spiets hield, het schild droeg. Gij zult zeker wel willen rijden naar de zwarte rots, in het woud? Luister—Om den hals eener leeuwin hangt daar een sluier en een horen, die door een zwarten ridder worden bewaakt. Begeef u morgenvroeg op weg, om met den zwarten ridder te strijden, en om den sluier en den horen te halen. Breng ons den ridder, die zoo menigeen kwaad heeft gedaan, dan zult gij tot grooten roem komen, en in ieder hof zult ge worden ontvangen.”

Bladzijde 280Rustig stond Ferguut, en hij had zijn woorden klaar, waarmede hij zich tegen Keye verdedigde.

“Het is waar—” zoo antwoordde hij, “de mond spreekt, wat in 't hart is. Gij hebt nijd in uw hart.”

Toen durfde Keye niet veel meer te zeggen, want hij vreesde Gawein, die den moedigen jongeling wilde beschermen. Deze echter ging toornig voort:

“Ware de koning niet hier, uw leven ware ermede gemoeid. Ik zou de scherts wel hebben gewroken.”

De koning wendde zich tot hem, en zeide ernstig:

“Vriend, dat zou niet goed van u wezen. Sluit vrede met heer Keye.”

Nog ontsloot Ferguut zijne vuisten niet. Daarom wilde Arthur zijn gedachten wenden van den smaad, die hem was aangedaan.

“Waar naamt gij de hoofden, die aan uw zadel zijn?”

Forsch antwoordde de jongeling:

“Heer! van roovers, die mijn paard wilden stelen. Ik streed met vier hunner, en zij waren onmachtig tegen mij. Wilt gij mij nu behouden als uw raadsman?” Hij zag Keye aan. “Morgenwil ik rij den, en den sluier enden horen halen.”

“Vriend,” zeide de koning met milde stem, “ge waart verloren, zoo gij dit deed, en de eerste waart ge niet. Geen man kon tegen den zwarten ridder strijden. Niet wil ik u aannemen, knaap, op zulk een daad.”

Weder zag Ferguut den heer Keye aan, maar hij sprak tot den koning.

“Heer—,” zeide hij met vaste stem, “uw ridder spot met mij. Daarom wil ik strijden, al zal het mij den dood kosten.” Hij boog het jonge hoofd.

Ferguut wilde nachtverblijf zoeken in de stad, o de arme jongen! Wreed was de wereld, niemand sprak er tegen hem, niemand zeide:

“Kom bij mij. Bij mij vindt gij hedennacht rust.”

Stil reed hij, hoog-geheven de speer. Het begon te regenen, het water stroomde uit de donkere lucht, en nat Bladzijde 281werd Ferguut tot aan zijn huid. Loom zat hij te paard, het hoofd gebogen van zwaren slaap. Hij zocht onder een ouden boom een schuilplaats. Een jonkvrouw zag hem zoo, en vol medelijden trad ze hem tegemoet. Ze groette hem en vroeg:

“Wat zoekt gij—waarom staat ge daar?”

“Jonkvrouw—” zeide Ferguut bitter, “als iemand mij huisvesting had gegeven, zou ik niet nat geworden zijn. Geen mensch heeft mij genood, maar u vraag ik, schoone jonkvrouw, om een dak, het loon u God.”

De jonkvrouw lachte, want hoe kon zij den knaap dezen dienst bewijzen? Het stond niet aan haar, doch aan haar vader, 's konings kamerheer. De arme Ferguut wist nog niets van hoofsche manieren, en ze kreeg medelijden te meer, nu ze hem daar zoo zag staan, zonder vrienden, zonder hulpe.

“Dit huis is van mijn vader—” sprak ze zacht, “'s konings kamerheer. Ik ben maar zijn kind en ik mag u niet herbergen. Toch moogt gij blijven, tot mijn vader tehuis komt. Zegt hij dan, dat gij heen moet gaan, ga dan.”

Dit beloofde Ferguut gaarne, en ze gaf hem een mantel. Ze zetten zich bij het vuur, de jonkvrouw dacht bij zichzelf:

“Schooneren jongeren man dan dezen heb ik nog in geen land gezien. Had hij slechts 's ridders manieren.”

Zij bleven zitten bij het warme vuur tot het eten bereid was; toen tafelden ze tezamen, vele smakelijke gerechten bracht men hun, en men schonk hem wijn en claret, om zijn dorst te lesschen. Vroolijk waren zij beiden, etende en drinkende.

Zoo vond hen de kamerheer des konings: 't eerst zag hem zijn dochter, en ze stond op, het bloed steeg naar haar gelaat. Ook Ferguut rees van zijn zetel: zij beiden wachtten, wat de edele ridder zou bevelen. Met vriendelijke stem zeide deze:

“Ga weder zitten, gij mijn dochter en gij vreemde man.”

Hij zette zich nevens hen, en hij wendde zich tot Ferguut:

“Zijt gij met geweld hier binnengedrongen?”

Bladzijde 282Ferguut behoefde niet angstig te zijn, om te antwoorden. Nooit in zijn leven had hij eenig mensch kwaad gedaan, hij had den ploeg gevoerd in dienst van zijn vader. Rustig sprak hij dus, terwijl hij den kamerheer eerlijk aanzag:

“Ik bedreef nooit boosheid, ook thans niet. Ik heb 't beloofd, zoo gij mij niet wilt ontvangen, dat ik heen zal gaan.”

“Neen, vriend,” glimlachte de ridder, “ik ontzeg u mijn huis niet. Gij zijt mijn gast.”

Welgemoed bespraken zij vele dingen, zij dronken wijn en aten gekruide spijzen, al pratende. Eindelijk vroeg de kamerheer den knaap:

“Hoe zijt gij ten hove gekomen? Sloeg men u alreeds tot ridder?”

O! de arme, domme Ferguut! Wat wist hij van ridders en ridders' manieren? Eerlijk zag hij zijn gastheer aan, en zijn jonge stem droomde:

“Heer! ik meen wel, dat ik ridder ben, want de boer Somilet gaf mij wapenen en een paard, zooals er geen beter ter markt komt. Hij wapende mij met helm, met zwaard, met schild, en ik geloof, dat geen koning ooit zoo edel staal droeg. Ja, ja, ik meen, dat ik een ridder ben.”

Hieruit hoorde de kamerheer, hoe onnoozel Ferguut was. Hij vond behagen in den knaap, die nog zoo weinig van het leven af wist en wien daarom nog zoovele gevaren wachtten. Zou hij niet alleen om enkele uitdagende woorden van Keye, den zwarten ridder gaan bevechten, van wien nog nooit iemand levend was wedergekeerd? Arme Ferguut!

“Morgen zult gij ridder zijn—” sprak de kamerheer vriendelijk, “men zal u uw kleeren afnemen, en u betere geven; dan zullen wij voor den koning gaan, en hij zal u tot ridder slaan, u uw zwaard aangordende. Zoo is het hier de zede. Ik-zelve zal u de sporen aan uw voet spannen, ten aanschouwe van alle ridderen.”

Bedroefd was Ferguut, dat men hem de kleederen, die Bladzijde 283zijn vader hem gegeven had, ontnemen wilde. Hoe gaarne wilde hij ze behouden.

“Somilet, de boer—riep hij geërgerd uit, “heeft mij al ridder gemaakt—heer! als ik doe, zooals gij me raadt, zal ik tweemaal ridder zijn.”

Met rustige woorden en rustig gebaar wist de kamerheer troost te vinden. Ferguut leerde dien avond al veel, dat tot het leven behoort, doch nadat twee knapen hem naar zijn vertrek hadden gevoerd, om te rusten, sliep hij spoedig in, zonder dat droomen hem kwelden. In den vroegen morgen werden hem de kleederen gebracht, en vol blijdschap stond hij op, want dezen zonlichten dag zou hij door den koning tot ridder worden geslagen.

Koning Arthur kwam van de mis en hij beval, om het schaakbord te brengen, daar hij wilde gaan spelen. Maar de kamerheer en Ferguut wachtten al op hem, en ze gingen voor den koning staan. Ferguut groette, en deed zijn mantel uit. Hij knielde neder, en smeekte, om tot ridder geslagen te worden.

Gawein naderde.

“Het is niet goed—” zeide hij ernstig, “dat Keye de vreemde ridders bespot. Dezen hier koos ik gaarne tot mijn vriend.”

“Uw naam,” riep Ferguut uit, en hij voelde zich vol stille blijdschap, dat hij een vriend had gevonden, “weet ik niet, maar goedertieren zijt gij. Ik wil voor u zijn, wat ge van mij verlangt, doch eerst moet ik den horen hebben en den sluier. Ik moet vechten met den zwarten ridder, of hij zal mij overwinnen! Mocht ik echter ongedeerd terugkeeren, dan kom ik tot u als een vriend.”

Met smarte vernamen het nu Gawein en de andere ridders, dat Ferguut den zwarten ridder wilde bestrijden. Zij allen vervloekten Keye, die door zijn spot den edelen jongeling naar het avontuur had gedreven. Ferguut kon echter niet langer wachten, en hij smeekte den koning, om hem 's ridders wapenen te geven. Noch door goed, noch Bladzijde 284door smeeken was hij terug te houden. Men bracht hem harnas, lederen broek, en een helm van staal, hoe fraai kleedden ze hem. Gawein voerde tot hem zijn ros, Perchevael reikte den koning een zwaard, opdat hij het den knaap zou aangorden. De kamerheer spande hem een spoor aan den rechter- en Lanceloot aan den linkervoet. IJwein hield den stijgbeugel, toen hij zich op het paard wierp, en nog gaf men hem een schild en een sterke speer. Was er ooit eenig ridder, wien men meer eer bewees, dan den armen Ferguut?

De nar zat bij het vuur, en warmde zich de handen. Even wendde hij zich om, zag Keye aan met honenden blik, en riep toen met luide stem tot den koning:

“Binnen korten tijd zult gij den ridder zien van de zwarte rots, aan den hals het gebroken schild, om u den sluier en den horen te brengen, en voor u neer te, knielen.”

Keye begreep het wel, dat de nar dit zeide, om hem te ergeren, en hij barstte bijkans van toorn. Zoo men het hem niet euvel had geduid, had hij den nar gaarne gegrepen en levend verbrand. Nu deed hij, of hij niets kon verstaan, en hij lachte, terwijl hij voor den koning stond.

Ferguut nam afscheid, van Arthur en zijn ridderen. Tot Gawein ging hij en met hem sprak hij nog, voor hij vertrok. Gawein beval hem aan in de hoede der Moeder Gods, en Ferguut reed heen, terwijl allen, behalve Keye, in rouwe achterbleven, maar krachtig en vroolijk was Ferguut, want op alle wegen was zonnelicht.

Notes in this chapter

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings