Van eenen Koster en eene Kosterin
Reading edition
Twee Sint-Bernards-kloosters waren er, niet verre van elkander, 't een was van mannen en 't andere van vrouwen. Allen in de kloosters leefden heilig in een heilig leven naar den regel der orde, en in elk der kloosters was een persoon, koster in het convent. Beiden waren ze vroom en van een geestelijk leven, ze hadden elkander lief in onzen Heer Jezus Christus, en ze hielpen elkander, waar zij konden, al zagen zij elkander nooit en al spraken zij ook elkander nimmer. Beiden waren ze zeer devoot in den dienst van God en Maria, Zijne lieve moeder. De koster dan had Maria, de moeder Gods zeer lief en met groote devotie vereerde hij haar, zoodat hij te Harer eer een beeld deed maken, zoo schoon als het wezen kon. Hij plaatste daarbij den duivel onder Hare voeten, zoo leelijk als het wezen kon, waarom de duivel zeer vertoornd was, ook omdat de koster Maria zoo liefhad. Dus kwam Satan den koster eens in den nacht tegemoet in de gedaante, waarin hij was afgebeeld onder Maria's voet. Smadelijk sprak de Duivel den koster toe:
“Waarom?” zoo vroeg hij, “hebt gij mij zoo leelijk gemaakt onder het beeld van Maria? Tenzij gij mij ervan afstoot, zal ik het u doen gevoelen, totdat het u berouwen zal. Zeer hebt gij mij vertoornd.”
De koster was over Satan's wezen en woorden vol van angst, doch zijn vroomheid overwon zijn vrees, en hij antwoordde hem:
“Ga weg van mij, duivel, ga heen—het is mij onverschillig, dat gij me dreigt, want Maria, de moeder Gods, die ik dien, zal mij tegen uwe handen beschermen.”
De duivel ging heen, en er verliepen wel tien jaren—de koster was 't vergeten, wat er geschied was—toen kwam de duivel in eenen nacht, om het den koster te doen gevoelen, dat deze hem zoo Teelijk had afgebeeld. Hij kwam in de gedaante der kosterin en klopte aan zijn deur. De koster nu was het niet gewoon, dat er des nachts eenig Bladzijde 256geluid was. Daarom stond hij onmiddellijk op en ontsloot de deur, roepend in den duister, wie er was.
De duivel zeide met fluisterende stem:
“Ik ben de kosterin van het vrouwenklooster, die u lang getrouw is geweest, en naar u heeft gesmacht, in liefde. Om deze reden ben ik tot u uit het klooster gegaan. Ik heb medegenomen de allerschoonste juweelen en kleinodiën, waar wij lang van kunnen leven. Komt dan, o kom haastelijk, zonder marren, en neemt, wat gij kunt krijgen en dragen. Laat ons tezamen trekken uit het land.”
Niet in zijn ooren alleen hoorde de koster de woorden klinken, maar ook zijn ziel werd bekoord, zoodat hij geen antwoord wist te geven; hij was overwonnen door's duivels fluistering, meenende, dat 't alles waar was. Hij ging haastig heen. Hij verzamelde al het zilverwerk en de juweelen, die hij kon krijgen uit het klooster, en hij deed het in een zak; hij toog naar buiten, met den duivel, meenend, dat deze de kosterin was. Toen zij een eind wegs waren gegaan, begon de duivel te klagen.
“Ach! ach! wee mij, ik heb in uw klooster vergeten het allerschoonste kleinood, dat ik had. O! blijf hier, en wacht op mij. Ik zal snel loopen en ik kom spoedig weerom.”
De koster geloofde hem en hij bleef bij den zak in het land zitten. De duivel echter ging in het klooster, en riep luide:
“Waakt op! waakt op! en vervolgt den koster, den dief, want hij heeft al de juweelen van het klooster gestolen en is daarmee weggeloopen.”
De abt stond op, alle broeders stonden op en ze vonden alle sloten ontsloten en de juweelen waren weg. Ze liepen uit het klooster, den koster na, dien ze niet ver van het klooster vonden zitten, met het goed, dat hij gestolen had. Ze vatten hem, ze ondervroegen hem, maar hij wist geen antwoord te geven, omdat hij beangst was en beschaamd—daar hij niet begreep, hoe hij in al den last was gekomen. Ze voerden hem in het klooster, ze wierpen hem in den kerker, en ze sloten hem met beide voeten in den stok. De abt Bladzijde 257beval één van de monniken te luiden als het tijd was, en daarna gingen allen weder ter ruste.
De koster zat onderwijl in den kerker, en hij voelde zich door zijn grooten angst bezwaard. Jammerlijk schreide hij, daar hij zoo door de verleiding was overwonnen—nergens wist hij troost of raad te vinden, tot hij zich gaf met devotie aan Maria, de moeder Gods, die een troosteres is van allen, die bedroefd zijn.
“O Maria, maagd en moeder Gods, lieve barmhartige vrouw, ontfermende u over de zondaars, daar gij weet, dat ik u heb gediend, devoot van hart, bid ik u om der wille Uwer barmhartigheid, wil mij bijstaan in den nood, waarin ik ben verkeerd.”
Al biddende aldus, alleen zijn hoop strekkende naar Maria, de moeder Gods, kwam de duivel bij hem in de gedaante, zooals hij hem had doen maken onder het beeld van Maria, en begon te spotten met den koster.
“Hoe heb ik u thans behandeld?” vroeg hij. “Ik heb 't u beloofd, dat gij door uw berouw zoudt worden gekweld. Gij hebt mij leelijk gemaakt, en ik heb u uw loon gegeven.”
Figuur 25.

“Hoe heb ik u thans behandeld?” Vroeg hij
De koster, ocharme! hij was beschaamd en terneergeslagen, hij wist niet, wat hij moest antwoorden, en hij zweeg.
De duivel zeide, en alle list had hij verborgen diep in zijn hart, zoodat er niets van uit-klonk in zijn stem; ootmoedig zeide hij:
“Nu heb ik u uw loon gegeven, maar toch heeft Maria, die gij dient, medelijden met u, en ze heeft mij met Hare macht gedwongen, om te doen, wat ik slechts noode doe.”
De duivel trok den stok op, en hij verloste den koster.
“Ga eruit,” zoo beval hij hem.
De duivel nu ging in den stok zitten, de gedaante des kosters aannemend.
De koster sloop zijn cel weder binnen, zonder dat iemand hem zag. In zijn cel was hij blijde, en hij dankte en loofde God en Maria, zijn lieve vriendin, omdat ze hem had geholpen vol goedertierenheid. Hij wachtte op den tijd dat Bladzijde 258hij zou moeten luiden, en toen het tijd was, luidde hij.
Dit hoorde de monnik, dien de abt had bevolen 's kosters plaats te vervullen, en hij verwonderde zich. Haastig ging hij in de kerk en hij vond daar den koster, luidende de klok. Vol angst was hij, want hij had gezien, dat men den koster in den stok had gesloten, en hij ging tot den abt en de monniken, zeggende, dat de koster uit den stok was gebroken. De abt en de broeders gingen naar den kerker, dien zij gesloten vonden, en zij openden daarom de deur. Ze zagen toen, dat de koster in den stok was. Vervolgens togen zij ter kerke, en daar stond de koster, en luidde de klok. De abt zeide daarop tot de broeders:
“Den ganschen nacht heeft de duivel ons bespot.”
Hij nam een kwast met gewijd water, en hij besprenkelde er den koster mede, die het ootmoedig ontving. Daarna ging de abt met de monniken naar den kerker, en hij wierp den duivel, in de gedaante van den koster, ook met gewijd water. Satan vloog heen, en hij liet grooten stank achter. Hieruit bemerkten zij, dat het de duivel was, die alle deze moeite had gegeven, en zij vonden geen fout in den koster, die met de hulp van onze lieve Vrouwe Maria voortging in deugden, Maria, de maagd en moeder Gods heel zijn leven dienende, zijn leven lang. In 't geheim zond hij een bode naar het klooster der vrouwen, om te onderzoeken, of de non ooit uit het klooster was geweest, en of ook iemand wist, wat er des nachts bij hem was geschied. Niemand had daar iets vernomen, en de koster biechtte den abt alles.
Nadat de koster was gestorven, openbaarde dit de abt aan allen, die Maria, de maagd en moeder Gods dienen, tot een exempel: dat Zij, Maria, hen, die haar getrouw zijn, in geenen nood laat en hen vertroost. Bladzijde 259