← Table of contents
Nederlandsche Sagen en Legenden

De Sage der “Lutine”

Reading edition

In het kleine kantoor der bankiersfirma Goldsmith in Londen was 't heel stil. De jongste bediende was bezig de ganzenveeren pennen te versnijden, en de oudste schreef onderwijl met zijn mooie handschrift—waarom hij algemeen benijd werd—een brief naar een kassier in Birmingham. Een paar vliegen zoemden rond.

Toen werd er zachtjes aan de deur geklopt, en de oudste bediende riep, zonder 't hoofd op te heffen:

“Binnen!”

Een lange, grijze man trad de kamer in, bleef even op den drempel staan, en vroeg:

“Mr. Goldsmith?” De bankier stond op.

“Dat ben ik.”

“Kan ik u spreken?”

Naast de kamer was een klein kantoortje. Mr. Goldsmith meende, dat het een vreemdeling was, die gaarne zaken met hem wilde behandelen, en hij ging hem voor. Hij bood hem een stoel aan en de grijsaard ging zitten.

“Waarmee kan ik u van dienst zijn?”

“Sta mij toe, u mijn naam niet te noemen. Ik heb iets voor u medegebracht, wat van het hoogste gewicht is. Maar mijn naam heeft geen klank, en niet ik-zelf, doch wat ik u schenk, heeft waarde.”

Uit zijn kaftan haalde hij een enveloppe, en tegelijkertijd stond hij op.

“Zie nooit, wat deze enveloppe bevat. Berg ze weg, zooals ge uw schande zoudt verbergen—dat niemand ze vinden kan. Zoolang gij het couvert ongeopend laat, zult ge gelukkig zijn, en aan den anderen kant, wee uw huis! zoo ge de zegels verbreekt.”

Hij legde de enveloppe op tafel, en ging ijlings heen, Hij was reeds uit 't kantoortje, en de kamer, waar de twee bedienden zaten, vóór de bankier hem kon terugroepen. De tijd schreed voort.

Mr. Goldsmith sloot den brief van heil en onheil achter Bladzijde 343slot en grendel, en hij wachtte. Want op het geluk heeft men te wachten, en niet als een vogel kan men het lokken.

Men wist niet hoe, en niet waarom. Men weet het nimmer, waarom de één goud vergaart en de ander niet. Men heeft te wachten op de ééne seconde, en de duizelingwekkende kansberekening. Mr. Goldsmith's kantoor werd uitgebreid, en het tintingen van goud en zilver hield des daags niet op in zijn woning. Hier was 't een lord, een graaf, een hertog, daar een koopman, een handwerksman, en geen hunner, die bij hem binnentrad, of hij bracht veel of weinig goud; elk hunner was een beekje of beek, voerend naar de groote rivier.

Mr. Goldsmith dacht niet over zijn geluk na, evenmin als alle Zondagskinderen, die meenen, dat zij rechtens door den overvloed worden bedeeld. Hij herinnerde zich slechts flauwtjes het vreemde geschenk, dat hem eens gegeven was. Zijn zoons werden grooter, en terwijl alle dagen eigenlijk op elkaar geleken—zij het, dat er telkens weer nieuwe gezichten van menschen kwamen in de wisselingen des tijds en vele bekende gezichten verdwenen werd hij ongemerkt ouder. Hij bemerkte tot zijn verwondering, dat zijn zoons langzamerhand evenveel wisten en kenden als hij, hoewel hij dit nooit zou toegeven. De tragiek van den ouderdom kwam plots in zijn geluk, en hij was niet meer noodig op deze wereld … maar vreemd! zelf gevoelde hij deze tragiek niet.

Een morgen zat hij op zijn kantoor, waar hij de bevoorrechte klanten ontving, toen zijn gedachten begonnen te zwerven naar de dagen zijner jeugd, ze blijde tegemoetgaande. Hij glimlachte en gedreven door zijn herinneringen, stond hij op. Was het werkelijk waar geweest? Hoe iemand toch zonderling droomen kan! Hij zag den ouden man weer vóór zich staan, gehuld in zijn langen kaftan, en zijn vingers! ja, zij voelden nogmaals over de enveloppe. Nog steeds glimlachend ging hij naar de kast. Wanneer het waar was, dat er eens een grijsaard bij hem getoefd had, Bladzijde 344die hem een couvert overreikte, moest dat tusschen de papieren liggen, welke hij van zijn vroeger kantoor had medegenomen. Hij stond voor de kast, en zocht.

Hij was niet verwonderd op het oogenblik, dat hij de enveloppe in zijn handen hield. Hij hernam zijn oude plaats bij de tafel en draaide ze in zijn handen.

Hij verbrak de zegels.

Waarom?

Hij verbrak de zegels.

Uit de enveloppe greep hij een stuk papier. Daar stonden een paar schriftteekens op, welke hij niet kende, en hij schudde 't hoofd. Vervolgens legde hij de geopende enveloppe en 't papier op tafel neer.

Hij was slaperig geworden. Hij hoorde de geluiden, welke hem zoo vertrouwd waren, en die een onmisbaar deel van zijn leven waren geworden: het gefluister der klanten, en dan het gerinkel van het zilveren geld geteld tegen zilveren geld, en de hooge, teedere stem van het goud, als het even-veerend op het hout neerkomt. Hij liet 't hoofd zinken, tot het tegen zijn borst rustte. En 't leven ging verder, zonder dat het tot hem doordrong. Het werd avond, en nog had hij zich niet bewogen. Men klopte zachtjes aan de deur. Men wilde heengaan—had mr. Goldsmith nog iets te bevelen?

“Is mr. Goldsmith al weg? Er komt geen antwoord.”

Op de tafel lag de geopende enveloppe. Daar dichtbij rustte de doode hand van den bankier. Hij had het zegel verbroken, en de zwijgende bedienden, die zijn kamer binnentraden, wisten, dat hij van 't leven niets meer kon verwachten.

Doch zijn naam behield den beproefden, zuiveren klank, en zijn zoons gingen in het kantoor zitten, waar hij gestorven was. Was de stroom van het goud, nu het eenmaal zijn weg naar dit huis had gevonden, ooit te stuiten? Ze lachten om den vloek, dien een grijsaard in een langen kaftan gehuld, hun wilde brengen. Ze lazen het “mene, mene teleel,” doch zij verstonden het niet. De tijden van den oorlog Bladzijde 345kwamen. Engeland en Rusland streden tegen Frankrijk, dat de “Vrijheid, Gelijkheid en Broederschap” in zijn vaandel voerde; en ook de Bataafsche Republiek was dronken van deze leus.

De Engelschen en de Russen vielen Noord-Holland binnen, en de troepen van den Groot-Brittannischen koning moesten betaald worden. Wie had 't geld?

De firma Goldsmith kon het wel leenen, zooveel de regeering beliefde … en wonderlijk toeval! ze had ook staven goud te zenden aan een bankier in Hamburg. De “Lutine”—aldus heette het schip, dat werd uitgerust zou eerst de soldij uitbetalen, en dan zijn koers naar de vrije Hanzestad vervolgen.

Wie dacht er aan vloek en aan gevaren?

Men zou aan de Noordkust der Bataafsche Republiek landen, en vroolijke gesprekken voeren met de officieren van 't Russische leger, en Hollandsche genever drinken. Waren de meisjes van Alkmaar, en den Helder preutsch? En later de Sankt Pauli-strasse in Hamburg, waarvan een blijde mare uitging. De danslust kittelde hun voeten al.

De zee was rustig, en vol licht, toen ze uitzeilden. Maar na den korten dag sloeg de nacht snel uit den hemel, en een bries woei op. De golven grepen het schip, de wind was woest, en de “Lutine” worstelde tegen macht van storm en zee.

De “Brandaris” aan de kust van West-Terschelling wierp zijn licht verre uit. Maar wie aan boord van het Engelsche schip kende den weg tusschen diepte en zandbank? De dag, dat de grijsaard in zijn kaftan mr. Goldsmith had bezocht, was lang geleden, en toch werd zijn vloek vervuld. Diep, dieper zonk het schip met goud.

Nog altijd ligt het onder de zee bedolven; duikers brachten reeds een der Spaansche matten, waarmede het gevuld was, naar boven.

Wat bleef er na de schipbreuk van de zonen van mr. Goldsmith? Het werden bankroetiers, en, naar de gewoonte dier dagen, werd hun naam met schande genoemd. Bladzijde 346

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings