← Table of contents
Nederlandsche Sagen en Legenden

Een schoone historie van de Vier Heemskinderen

Reading edition

Het Pinksterfeest werd gevierd, en vele dappere ridderen waren bij Keizer Karel te gast.

Huigen van Dordoen naderde den Keizer, en hij sprak:

“Wilt gij niet mijn ooms Aimijn van Dordoen en Aimerijn van Nerboen beloonen? Vele diensten hebben zij u bewezen.” Keizer Karel zeide:

“Zij hebben het mij zelf dikwerf gevraagd, ik gaf hun niets en zal hun niets geven.”

Huigen van Dordoen ging voort, zijn woorden te zeggen, welke niet alle van pas waren voor 't oor des heerschers. Deze werd driftig, en greep zijn zwaard. Toen werd de ridder door 's keizers hand gedood. De vloer der zaal was nat van zijn bloed.

Nu was de oorlog in het land, en de bloedwraak werd gezworen. Aimijn wilde den dood van Huigen niet straffeloos dulden, en hij toog met zijn vrienden ten strijde. Toen werd hij in den ban geslagen, en hij moest gehoorzamen, tegen den drang van zijn ziel.

Karel's vrienden verzamelden zich, en ze kwamen tot den keizer.

“Vrede! Vrede! Vrede tusschen u en Aimijn van Dordoen.” En de keizer zeide:

“Het zij zoo.”

Hij bood Aimijn verzoening. Geen bloed zou er meer tusschen hen zijn. Neen, ze zouden vrienden worden, en keizer Karel had een dochter, Aye, die schonk hij Aimijn tot vrouw. Maar Aimijn wrokte binnen-in de geheime diepten van geest en bloed, en hij zwoer:

“Aye is van 's Keizers geslacht, en zoo zullen haar zonen zijn. Haar zonen zijn mijn vijanden, en bij hun geboorte zullen zij gedood worden.”

Aye, dit hoorende, werd zeer bevreesd, en wanneer ze een kind verwachtte, verliet ze Aimijn's slot heimelijk. Vier Bladzijde 266zonen werden haar geboren, zonder dat de vader dit wist. Zij werden in een klooster opgevoed, en hun kracht wies. De jongste van de vier echter was groot en sterk boven de andere, gelijk een valk boven den sperwer.

Toen ze dan jongelingen waren, ging Aye een dag naar Aimijn, en ze vroeg:

“Edele Heer, als gij kinderen had, hetzij weinig, hetzij vele, zoudt gij ze dooden?”

“Vrouwe, had ik kinderen, ik zou hen liefhebben.”

“Voorwaar heer—” zeide de edele vrouwe, “ge hebt gezworen, dat ge hen zoudt dooden.”

“Eeden gezworen in verbolgenheid zijn geen eeden. Had ik kinderen, ik zou vroolijk wezen.”

“Gaat met mij en ge zult uw kinderen zien.”

Toen beproefde Aymijn den moed zijner zoons, en hij tartte hen, zoodat Reinout hem ter aarde hieuw. De grijsaard lag op den grond en smeekte:

“Edele jongelingen, slaat mij niet, ik ben uw vader en hedenavond nog zal ik u ridder maken.”

“Zijt gij onze vader—,” riep Reinout uit, “het doet me leed, dat ik u geslagen heb.”

Aymijn echter was blijde, dat zijn zoon onbevreesd was.

Den avond sloeg de vader hen tot ridderen. Maar ze hadden nog geen paarden, om te rijden en te strijden naar ridders-wijze, en men voerde voor Reinout sterke rossen, welke hem te zwak waren, en hij sloeg ze dood met de vuist of drukte ze met zijn knieën de lendenen stuk. Aymijn was zeer verblijd hierover, zooals men wel begrijpen zal. Hij zeide:

“Zoon, ik weet een paard voor u, dat de kracht van tien rossen heeft. Beyaert is zijn naam, en hij staat in een sterken toren. Hij is van 't geslacht der dromedarissen, en zoo ge erop rijdt, kunt gij een sperwer in zijn vlucht kortwieken.”

Reinout temde het edele ros Beyaert met gevaar van zijn leven, en het paard droeg hem over twee wijde grachten Bladzijde 267met één sprong. Beyaert stond daarna bevende voor hem, en hij boog zijn pooten tezamen, eerbiedig nijgende. Reinout reed op Beyaert, en zijn broederen op andere paarden. Als Reinout op Beyaert zat, beefde de aarde en het vuur sprong uit de steenen. En Aymijn met zijn kinderen werden ten hove genoodigd, omdat Lodewijk, keizer Karel's zoon, werd gekroond als koning van Frankrijk.

Zij gingen, de Aymijn's of Heemskinderen, met hun vader, allen welgewapend, zooals ridderen ten strijde trekken. Een bode kwam hen tegemoet, en deze vroeg:

“Ontwapent u.”

Aymijn deed aldus, en daarna trok hem Karel met zijn baronnen en zijn jonkvrouwen tegemoet. En de beiden spraken vele vriendelijke woorden tezamen. Lodewijk zeide niets, noch tot Aymijn noch tot zijn kinderen, want er was boosheid in zijn hart, omdat de keizer zijn doodsvijand was gaan begroeten.

En de baronnen en jonkvrouwen zeiden tot elkander:

“Is dit Reinout, Aymijns zoon? Hij is de mannelijkste en schoonste jongeling van het Christenrijk.”

Dit hoorde Lodewijk, en het bedroefde hem, daar hij ook schoon was van aangezicht en groot van lijf; en op velerlei wijzen tartte hij de broeders sinds dien, ook na zijn kroning. Reinout's roem werd hem tot schande, want hij, die afgunstig is, gevoelt de eer een ander gegeven als oneer voor zichzelven.

Ten laatste kon Reinout, de jonge held niet meer leven, zonder zich te breken uit zijn schande en schaamte; met Adelaert, zijn broeder, dien Lodewijk had geslagen, ging hij in de zaal. Ze hadden een mantel om, en in hun hand droegen zij het barre, bare zwaard. Keizer Karel stond bij zijn zoon, en Reinout en Adelaert liepen door de menigte, tot ze bij hen waren. Zij groetten den keizer, doch Reinout greep koning Lodewijk bij het hoofd, en hij sloeg het af, om het tegen den muur te werpen. Het spatte bloed, dat tegen 's konings gelaat aansloeg, druppelen Bladzijde 268bloed. De keizer werd zeer vertoornd en riep:

“Edele baronnen, die mij liefhebben, helpt mij wreken den dood mijns zoons.”

Toen stonden alle baronnen op, en ze wapenden zich. Er was een groot gevecht, waarin Aymijn gevangen werd genomen. Maar Reinout en zijn broeders vluchtten op het ros Beyaert, en zij ontvloden den toorn des konings, tot waar zijn hand niet reiken kon; doch niet gelukkig is de banneling, want men onthoudt hem zijn recht.

Zij reden op het trouwe, sterke ros Beyaert, dat hen droeg van land tot land, en Beyaert was een ridder mede, hij werd gewond, zoo de broeders gewond waren. Eindelijk kwamen ze in 't land van koning Iewijn, en nadat ze dezen vier jaren hadden gediend in nood en dood, schonk hun de edele vorst een rots, waarop Reinout een kasteel liet bouwen, dik van muren en met sterke torens. Hij noemde het Montalbaen. Koning Iewijn gaf Reinout zijn dochter tot vrouw. Clarisse was de naam der schoone maagd.

Keizer Karel was nog zeer vertoornd over den dood van Lodewijk, zijn zoon, en hij zond koning Iewijn een brief. Wat er in den brief stond, kan men lichtelijk raden: dat de keizer boos was op den koning, daar hij de Heemskinderen land had gegeven en hun groote eer had bewezen.

Hij deed in 't land rijzen een groot leger, en hij sloeg het beleg voor Montalbaen, Reinout's veste. Doch niet ving hij de vier Heemskinderen, en na een jaar moest hij aftrekken, weinig tot zijn eer.

Reinout's hart verlangde ernaar, zijn moeder weer te zien, en hij zeide dit tot Adelaert, die verstandig was als raadsman.

“Wat wilt gij!” zoo riep deze, “weet gij niet, dat vader en moeder voor Karel uw dood hebben gezworen?”

“Broeder! neen, dit tel ik niet, want de ouders hebben natuurlijk hun kinderen lief; daarom, het ga, zoo het gaat, ik wil moeder wederzien.”

De broeders overvielen de pelgrims, die naar Jeruzalem Bladzijde 269waren geweest, en zij gingen in pelgrimspijen naar het slot Pierlepont, waar Aymijn woonde. Zij vonden het gesloten en zij klopten aan. De portier kwam, en hij vroeg:

“Wat is uw begeeren?” Reinout antwoordde met oude stem:

“Vriend! laat ons binnentreden in het slot Pierlepont, vier pelgrims zijn wij, die hebben gezworven van stad tot stad en land tot land; we hebben zulk een honger en dorst, wij bidden en smeeken u, laat ons binnen.”

“Neen—niet ik! want een kwade mare is tot ons gekomen, dat onze Heeren in Frankrijk zijn gevangen, Ritsaert en Writsaert, Adelaert en Reinout.”

Heilige woorden zeide Reinout en de portier liet hen, deze hoorende, binnen. De vier Heemskinderen traden in de zaal, en daar zat hun moeder. En allen zeiden:

“Vrouwe, God geve u goeden dag.”

Dit zeide de vrouwe, Aye, de moeder van Ritsaert en Writsaert, Adelaert en Reinout:

“God loone 't u, pelgrims.”

Zij gaf hun te eten en te drinken. Zij schonk goeden wijn, en Reinout ledigde twee schalen, en de vrouwe was verwonderd. Zij sprak:

“Vanwaar zijt gij gekomen, pelgrim, dat ge den sterken wijn zoo drinkt? Tien ridderen drinken niet zooveel als gij alleen.” Reinout antwoordde haar.

“Geeft mij nog eens van den wijn, wilt gij?”

Nadat hij de derde schaal had geledigd—de schalen waren van goud—riep hij uit, dronken:

“Vrouwe, ik wilde, dat ik meer had, want had ik nog een schaal, mijn oom Karel zou ik niet ontzien.” Adelaert, uitmuntende in verstand, schrok van deze woorden, en hij stiet Reinout met den elleboog aan, zoodat deze ter aarde viel, en hij bleef liggen, gelijk een doode: ja, zoo dronken was hij. Maar wie ter wereld was gelukkiger dan Aye, de moeder? Zij nam Reinout in haar armen, ze kuste hem, ze kuste hem, gelukkiger dan ooit een levend mensch Bladzijde 270wezen kan; men meende, dat zij sterven zou om der wille van deze vreugde. Adelaert, de wijste der broeders, nam haar in zijn armen en voerde haar van Reinout weg.

Een verspieder naderde thans vrouw Aye, en hij zeide:

“Vang Reinout, en levert hem over aan keizer Karel, want aldus hebt gij gezworen.” Doch vrouwe Aye antwoordde hem:

“Mijn hart kan mijn kinderen geen kwaad doen: noch om het leven noch om den dood zou ik mijn kinderen verraden.”

Ook Aymijn vernam, dat zijn zonen in de zaal waren, en hij deed zijn baronnen zich wapenen. Reinout lag ter aarde, dronken van den wijn, en Ritsaert en Writsaert en Adelaert stelden zich te weer, twee dagen lang. En Reinout lag ter aarde; toen de derde dag kwam, ontwaakte hij, en hij zag zijn broeders strijden.

Hij verhief zich en sprak:

“Broeders staat achter mij, gij zijt moede geworden, uw slagen zijn te zwak.”

Reinout sloeg met zijn zwaard om zich heen, en men vreesde hem als den dood zelve. Reinout doorbrak de schare, tot hij bij zijn vader was, en hij wilde hem met het zwaard verslaan. Adelaert volgde hem, en hield hem tegen.

“Broeder—” zeide hij verstandig, “wat wilt gij? Nimmer zouden wij de schande ontwijken, noch voor God verzoenen, noch ooit kunnen komen bij een edelman; en Karel zoude ons nimmer vergiffenis schenken!”

Reinout echter zeide:

“Voorzeker, ik zal hem leeren zijn kinderen te belagen.”

Hij bond zijn vader handen en voeten en legde hem op een paard ter neder. Een jongeling kwam voorbij, en Reinout beval hem Aymijn naar keizer Karel te brengen. De jongeling weigerde, en de edele ridder sloeg hem een hand en een oor af, en stak hem een oog uit. De jongeling had slechts één hand, één oor en één oog over, en angstig werd hij voor verder verlies. Dus bracht hij Aymijn naar Karel, en dikwijls vervloekte hij Reinout onderweg.

Bladzijde 271Ze kwamen te Parijs, aan Karel's hof; de knaap klopte aan de poort, en de portier opende, en hij vroeg:

“Vanwaar komt ge? Wien hebt ge daar gevangen?”

“Het is de graaf Aymijn van Nerboen.”

De portier liet het paard doorrijden, tot in de zaal. En Aymijn was aan handen en voeten gebonden. Hij klaagde den keizer zijn nood, en op maakte zich Karel met een geweldig leger, om de Heemskinderen te belagen. Reinout ontvluchtte, en Ritsaert en Writsaert en Adelaert werden gevangen. Niet met geld, dat Reinout beloofde, niet met geweld, waarmede Reinout dreigde, werden ze bevrijd; neen, door de toovenarij van hun oom Malagijs. Met list trachtte nu de keizer Beyaert en Reinout te vangen, en 't lukte niet. Hij beloofde koning Iewijn veel goud, en de koning minde het goud zeer. Om het goud zeide hij, dat hij Reinout en zijn broeders zou uitleveren, en hij wilde hen verkoopen voor twintigduizend kronen. Daarom ging koning Iewijn haastelijk naar Montalbaen, en hij zeide:

“Ik heb vrede gemaakt tusschen Karel en u.”

“Heer koning! blijde ben ik hierom, doch zeg mij, wat moet ik den keizer geven? Zal ik hem te voet vallen?”

“Gaat henen te Vaucoloen, om u met den keizer te verzoenen. Gaat henen barrevoets.”

Reinout wilde hem kussen, want dankbaar en gelukkig was hij. Maar al verkocht de koning hem voor twintigduizend kronen, den kus wilde hij niet ontvangen.

“Reinout, kus mij niet, want mijn hoofd smart mij.”

De vier ridderen reden op muilezelen naar Vaucoloen, en koning Iewijn meende, dat ze ongewapend waren.

Wat had Reinout's vrouw, Iewijn's dochter, gedaan? De schoone Clarisse …. Ze had Ritsaert vier zwaarden gegeven, die hij heimelijk onder zijn mantel borg.

Ze kwamen te Vaucoloen en ze zagen veel krijgsvolk.

Toen waren de broeders zeer bedroefd, en ze zeiden:

“Reinout, laten wij vluchten, want koning Iewijn heeft ons verraden.”

Bladzijde 272Ritsaert gaf Reinout het goede zwaard, dat Florenberg heette, en ze streden met veel moed. Doch een dienaar van Reinout zag in de sterren, welk gevaar de broederen leden, en hij zeide het Malagijs: deze reed op het ros Beyaert tot redding. En het trouwe paard hielp mede hen te bevrijden, gelijk een krijgsman.

Veel strijds was er nog tusschen den keizer en de broeders, tot vrouwe Aye in de legerplaats trad, en ze viel voor haar broeder op de knieën, smeekende om verzoening. En Karel zeide:

“Wil mij Reinout Beyaert leveren, dat ik daarmede handel naar mijn wil, Beyaert, die hen uit zoo groote gevaren heeft gered, zoo geef ik hem vergiffenis en anders niet.”

Toen ging de vrouw tot aan het slot Montelbaen, en ze klopte aan de poort, en men deed haar binnengaan. Zij kwam met een tijding van vreugde, en onder deze vreugde klonk doffe smart; zij kwam met een tijding van smart, en daaronder tinkte een belletje van vreugde. Ze zeide tot Reinout, wat keizer Karel had bevolen, en Adelaert riep toornig tot Reinout, die het weder vertelde aan zijn broederen:

“Hoe durft gij met zulk een ding voor ons te verschijnen? Zijt gij buiten uw zinnen? Liever duld ik onvrede met den keizer, mijn leven lang, voor ik dat deed.”

De broederen Ritsaert en Writsaert spraken in denzelfden klank.

Reinout zag hen aan en hij sprak:

“Ten goeden tijd, ter zaliger uur is het geweest, dat ik won het Beyaert ros; door Beyaert zal ik lossen onze schuld en ontgaan het groot gevaar. Ik zal Beyaert geven.” Hij ging naar zijn moeder, en niemand zag zijn leed. Hij zeide haar, dat hij volgaarne het paard den keizer gaf. Zij was blijde, en ze toog uit, om haar bodedienst voor den keizer te verrichten.

Karel beidde het ros Beyaert, en beidende sprak hij:

“Zij doen het tegen hun wil, want zij wachten zeer lang.”

Bladzijde 273Eindelijk kwamen Reinout en zijn broeders, hand in hand, en met hen voerden ze het paard.

Reinout zeide:

“Doet er mede naar uwen wil.”

De keizer leidde het ros naar de brug van de Oise en hij deed het twee molensteenen om zijn nek. Hij liet het in de rivier werpen. Hoog spatte het schuim, en Beyaert zonk; hij kwam dadelijk weder boven en ging zwemmen. Toen zag Beyaert zijn meester, en hij verbrak de steenen. Hij zwom naar het land, alwaar Reinout stond.

De keizer beval:

“Reinout, geef mij Beyaert weer, of ik zal u doen vangen.”

Reinout gaf Beyaert, en de keizer deed aan iederen hoef van Beyaert een molensteen binden, en met twee bezwaarde hij diens nek. Hij deed het werpen in de rivier. Hoog spatte het schuim en Beyaert zonk; hij kwam weder boven en ging zwemmen. Adelaert sloeg zijn armen om Beyaert en kuste hem.

De keizer beval:

“Reinout, geef mij Beyaert weer, of ik zal u doen vangen en hangen.”

Adelaert zeide:

“Vloek u Reinout, zoo gij Beyaert weg-schenkt.”

Doch Reinout:

“Niet wil ik hebben den toorn des keizers om een paard.”

En Adelaert weder:

“Beyaert! Beyaert! een valschen heer hebt gij gediend en met slecht loon wordt gij betaald.”

Reinout gaf den keizer Beyaert.

“Dit is de derde maal, dat ik u Beyaert geef, het is de laatste maal, want mijn hart kan het niet lijden.”

De keizer zeide:

“Reinout, wend u niet om, opdat het ros u niet zien kan, want zoolang het u ziet, zal het niet sterven.”

Reinout zwoer een eed, dat hij zich niet zou omwenden.

Toen deed de keizer Beyaert aan elken hoef binden Bladzijde 274twee groote molensteenen, en aan den nek twee, en aldus deed hij hem werpen in de rivier.

Nog eenmaal kwam Beyaert boven, en den kop hief hij hoog, en boog tot zijn heer, als ware hij een mensch, die had geschreid om zijn lieven vriend.

Ten laatste zonk hij, en hij verdronk. En Reinout weende, en hij trok naar het woeste woud, en hij werd een pelgrim. Bladzijde 275

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings